Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Bakvissen en chicks

Cultuur

Monica Soeting

Opgroeiende mannen konden zich spiegelen aan de titaantjes van Gerard Reve tot Ronald Giphart. Maar bij wie vonden en vinden rebelse jonge vrouwen soelaas? Opvallend vaak bij de zo verfoeide chicklit: want ook geëmancipeerde vrouwen willen zich wel eens ontspannen.

Anne Frank was dol op Joop ter Heul. Samen met een vriendinnetje speelde ze scènes na uit Cissy van Marxveldts beroemde serie. We weten dat van die vriendin zelf, Jacqueline van Maarsen, die er over schreef in ’Ik heet Anne, zei ze, Anne Frank’.

Hun favoriete scène was het huwelijksaanzoek uit ’Joop ter Heul’s problemen’: „We waren om de beurt Joop ter Heul en Leo van Dil. Steeds weer moesten we lachen als Leo verwoede pogingen deed om een zoen te krijgen en Joop hem probeerde af te schepen met een kersenbonbon of een marron glacé.” Voor wie de afloop niet kent: Joop en Leo krijgen elkaar. Joop vindt daarna haar bestemming in het moederschap, terwijl Leo voor de materiële welvaart van het gezin zorgt.

Joop ter Heul is populair sinds 1919. Behalve Anne Frank en Jacqueline van Maarssen hebben honderdduizenden andere meisjes haar avonturen gevolgd en nagespeeld. Dierbare herinneringen hebben de fans meestal niet aan de wensvervullende afloop, of aan Joops prille bestaan als moeder, maar aan de opstandige bakvis die ze daarvoor is, een hbs’er die het liefst fluitend over straat zwabbert en het lokaal wordt uitgestuurd omdat ze een inktpot over het braafste meisje van de klas heeft leeg gekieperd. Joop haat keurige jurken en ze is onzeker over haar uiterlijk. Ze houdt niet van klef gedoe en ze onderhoudt zich het liefst met de dienstbode. Joop ter Heul is een rebel: dat maakte haar dierbaar bij opgroeiende meisjes.

Aan wie spiegelden zulke lezeressen zich als ze de meisjesfase voorbij waren? Mannen die hadden meegeleefd met Dik Trom en Sjors van de Rebellenclub, konden zich sinds de jaren vijftig identificeren met de onaangepaste helden van Gerard Reve, Jan Wolkers en Jan Cremer, en later met die van Joost Zwagerman en Ronald Giphart. Welke heldinnen gaven de volwassen fans van Joop ter Heul soelaas? Bij wie konden ze terecht toen hun rolpatronen gingen knellen?

In 1948, een jaar na de publicatie van ’De avonden’, verscheen ’Eenzaam avontuur’ van Anna Blaman. De roman, over overspel en vrouwenliefde, veroorzaakte grote deining. En in 1959 publiceerde Hella Haasse ’Een kom water, een test vuur’, een essay waarin ze de positie van vrouwen ter discussie stelt.

Toch was dat geen literatuur waaraan de meeste jonge vrouwen zich konden optrekken. Of kúnnen optrekken. ’Geen dagelijkse en actuele kost’, luidt het oordeel over ’Eenzaam avontuur’ op de website ’Boekgrrls Bespreken Boeken’.

Anders was dat met romans die vanaf de jaren zestig verschenen, zoals het toegankelijke ’En dan is er koffie’ (1976) van Hannes Meinkema en ’Het jongensuur’ (1969) van Andreas Burnier. Simone, de hoofdpersoon van die roman, zet zich af tegen de traditionele verwachtingspatronen door jongenskleren aan te trekken en andere boeken te lezen dan van haar wordt verwacht: „’Men moet zich als meisje liever met kunst bezighouden dan met wiskunde en techniek’, werd mij verweten.” In 1975 vertelde Hester Albach in ’Het debuut’ vrijmoedig over haar seksuele avonturen met haar oudere buurman, en in 1991 publiceerde Connie Palmen ’De wetten’, een verhaal over een jonge vrouw die op zoek gaat naar kennis. Allemaal boeken die doorgaan waar Joop ter Heul ophoudt – seks en intellectuele ontwikkeling ontbreken in Van Marxveldts bestseller – maar die makkelijker lezen dan de romans van Blaman en de essays van Haasse.

Toch leidden de serieuze emancipatieromans van Meinkema en Burnier niet bij iedereen tot herkenning. Het op seks beluste ik-personage van ’Het debuut’ creëerde bij veel jonge vrouwen eerder verwarring dan opluchting, en in ’De wetten’ is de hoofdrol weliswaar weggelegd voor een studente, maar de ware wijsheid hebben de mannelijke personages in pacht.

Emanciperen is bovendien hard werk. Af en toe wilden vrouwen daarom even niet hoeven te denken aan het verbeteren van hun maatschappelijke status, hun intellectuele ontwikkeling of hun seksuele bevrijding. Er groeide behoefte aan een ander soort rebellie: een die zich afzette tegen de gedragscode die het dragen van make-up en frivole jurken afkeurde, een die vrouwen om zichzelf kon laten lachen en tegengewicht bood aan al te strenge, feministische normen. Aan boeken, kortom, waarin ongegeneerd wordt gekwekt en geklaagd over slankheidsidealen, puistjes en de eeuwige vraag wat aan te trekken. Een beetje Henriëtte van Eyk en Annie M.G. Schmidt dus, maar dan eigentijds. Chicklit deed haar intrede.

De term werd bedacht door de Amerikaanse literatuurwetenschappers Cris Mazza en Jeffrey DeShell. Zij gebruikten hem als een ironische verwijzing naar rolbevestigende romans over jonge vrouwen. Zo proberen uitgevers het genre niet aan de vrouw proberen te brengen, maar dat chicklit weinig emancipatoir is valt moeilijk te ontkennen.

Toch kun je de beste chicklit even tegendraads lezen als Joop ter Heul. Neem ’Het dagboek van Bridget Jones’ van Helen Fielding, uit 1995. Net als Joop klaagt Bridget over de verwachtingen waaraan ze als jonge vrouw moet voldoen. Ze schrijft over de moeilijkheden op haar werk, haar voortdurend schommelende gewicht, haar verliefdheden en haar eeuwige voornemens een beter leven te leiden. Bridget en haar collega’s zijn herkenbaar in hun gebrek aan zelfvertrouwen, hun niet altijd parate kennis en hun geëmmer met kleren. Tegelijkertijd stijgt de chicklitheldin net even boven haar lezeressen uit. „Ze lijkt op haar lezers”, schrijven Sarah Mlynowski en Farrin Jacobs in ’See Jane Write: A Girl’s Guide to Writing Chick Lit’ (2006). „Maar ze is net iets brutaler en heeft net iets meer durf, of net iets meer schoenen.”

Natuurlijk is het literaire niveau van de meeste chicklit niet bijzonder hoog. Daar gaat het ook niet om. De verantwoorde, diepserieuze feministische literatuur uit de jaren zeventig en tachtig vroeg om een tegenreactie, en die werkt voor vrouwen niet zo contraproductief als je op het eerste gezicht zou denken. Bridget is onzeker over haar uiterlijk en haar intellectuele vermogen, maar ze durft zich wel tegen haar chef te weren. Ze doet dat met de moed der wanhoop, maar ook met humor. En ze kan uitstekend relativeren. Zo’n heldin brengt ontspanning en geeft moed. Dat haalt even de druk van de ketel.

Daarmee zijn we terug bij Cissy van Marxveldt. Wie bang is dat de chicklit-rebellen ons in het keurslijf van de traditie terugjagen, bedenke dat Joops opvolgers – zie Babs, de hoofdpersoon van Cissy van Marxveldts latere roman ’Kwikzilver’ (1924) – evenveel voldoening vinden in hun werk en studie als in het huwelijk, en misschien wel meer. En Anne, Joops bekendste fan? Anne liet zich door de romans van Van Marxveldt inspireren en besloot zelf ook schrijfster te worden. Dat ze dat niet verder kwam dan ’Het achterhuis’ heeft, zoals iedereen weet, niets met haar liefde voor Joop ter Heul te maken.

Deel dit artikel