Alles wat modern en goddeloos is, zweren zij af

cultuur

Ger Groot

Review

De grote roman 'De oorlog van het einde van de wereld' van de Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa verscheen twintig jaar geleden in het Nederlands, het Spaanse origineel drie jaar daarvoor. Nu ik het na twee decennia herlees, lijkt het een ander boek te zijn geworden. Niet om literaire redenen, maar om politieke en sociale. Sinds 11 september (New York), 11 maart (Madrid) en 2 november (Amsterdam) is de wereld veranderd. Wat Vargas Llosa in het begin van de jaren tachtig beschreef als een verslag uit een ver en vreemd verleden, is plotseling de meest nabije actualiteit geworden.

Geloofsfanatisme en rigoureuze moderniteit zijn de ingrediënten van 'De oorlog van het einde van de wereld'. Plaats van handeling is het dorre noordwesten van Brazilië, in de laatste jaren van de 19de eeuw. Een rondtrekkende prediker verzamelt een menigte getrouwen om zich heen: voormalige moordenaars, boeven en gevallen vrouwen, mismaakten, uitgestotenen en zelfs parochiepriesters. Ze zweren hun oude levenswijze af en vestigen zich in het dorpje Canudos, het eigendom van een plaatselijke grootgrondbezitter.

Dan gaat het fout. De Braziliaanse staat tolereert deze inbreuk op eigendom niet. Nog minder is hij gecharmeerd van de reactionaire prediking van de charismatische leider, die in de jonge Republiek niets minder dan de Antichrist wil zien. Plechtig zweren zijn volgelingen alles wat modern en goddeloos is af: de scheiding van kerk en staat, het burgerlijk huwelijk, het decimale stelsel en zelfs de volkstelling. Alleen oud geld, dat nog de beeldenaar van de keizer draagt, wordt in Canudos geaccepteerd, al blijkt het in de sfeer van broederschap en onderlinge bijstand al snel niet meer nodig.

Een eerste strafexpeditie van de Republiek gaat roemloos ten onder tegen dit zootje ongeregeld uit het achterlijkste gebied van het land. Een tweede en grotere vergaat het al niet veel beter. Pas een derde expeditie weet Canudos op het nippertje in te nemen. Van het stadje staat bijna geen muur meer overeind. Het aantal doden wordt geschat op dertigduizend.

Vargas Llosa ontleende dit verhaal niet aan zijn fantasie. De gebeurtenissen rond Canudos werden al enkele jaren na dato beschreven door de journalist Euclides da Cunha, die met zijn onlangs vertaalde boek 'De binnenlanden' een van de klassieken van de Braziliaanse literatuur voortbracht. Als toegewijd republikein reisde hij mee met de laatste expeditie, kwam onder de indruk van de gelovigen en wisselde gaandeweg van kamp. Als 'de bijziende journalist' speelt hij ook in de roman van Vargas Llosa een belangrijke rol. Misschien was De Cunha bijziend. Maar dat de journalist in Canudos zijn bril verliest en daarna niets meer duidelijk ziet, heeft een verstrekkendere betekenis. Plotseling blijken de tegenstellingen niet meer zo scherp te kunnen worden getrokken langs de scheidslijnen van goed en kwaad. Tegenover elkaar staan niet zozeer achterlijkheid en vooruitgang, maar twee werkelijkheden die allebei hun verdiensten en hun verschrikkingen hebben.

De journalist heeft oog voor die dubbelzinnigheid, die de strijders van beide partijen niet kunnen zien. De idealistische revolutionair Galileo Gall, die gelooft in gelijkheid tussen mensen, alomvattende liefde en de wetenschap die daarheen zal leiden, sluit zich aan bij Canudos in de illusie medestanders te vinden voor zijn 19de-eeuwse vooruitgangsgeloof. En de republikeinse kolonel Moreira César probeert aan de ene kant wel de hearts en minds van de plaatselijke bevolking te win-het nen voor de goede zaak, maar schroomt aan de andere kant niet kindsoldaten en delinquenten in te zetten voor de eindzege daarvan en creëert daarmee onder diezelfde bevolking de terroristen die hij bestrijdt.

De overeenkomst met de Amerikaanse tragedie in Irak is even opvallend als die met het huidige debat tussen aanhangers van 'de Verlichting' en de verdedigers van het recht op 'andersheid' van sommige bevolkingsgroepen. Moet je een beetje bijziend zijn om te begrijpen dat de contouren minder simpel zijn? Als dat zo is, dan heeft Vargas Llosa in zijn roman een waar kunststuk uitgehaald. Want zelf heeft hij zich als columnist, opiniemaker en zelfs presidentskandidaat altijd een overtuigd aanhanger betoond van de verlichtingswaarden en het neoliberalisme dat daarmee lijkt te moeten samengaan. Maar een roman biedt plaats aan vele gezichtspunten en de vooruitziende blik waarmee Vargas Llosa twintig jaar geleden in een oude Braziliaanse geschiedenis onze eigen toekomst beschreef, riep bij mijn herlezing ervan onwillekeurig rillingen op van bewondering en ongemak. Bewondering voor een romanschrijver die buiten de enge kring durft te treden van zijn eigen gelijk. Maar ook beklemming om datgene wat hij beschrijft.

Want zoals meermalen in de roman wordt opgemerkt, valt Canudos evenmin te doorgronden als de fundamentalisten van nu. Dat er - anders dan met de verdedigers van de Verlichting - met hen zelfs niet te praten valt, is beangstigend, maar wettigt nog geen militant onbegrip. De blik moet doordringen tot waar ze kan, zonder bang te zijn voor vage contouren of verlies aan ze-kerheid. Zo verging het ook de 'bijziende journalist', aan wie ik mij onwillekeurig ging spiegelen. Hij overleefde de slachting en keerde terug naar de bewoonde wereld om de herinnering aan een andere wereld niet verloren te laten gaan. Zelfs aan het moderne zelfvertrouwen zitten nu eenmaal rafelrandjes, waardoorheen iets onassimileerbaars schemert. Het ongemak daarvan blijft me, na herlezing van 'De oorlog van het einde van de wereld', misschien nog wel het scherpste bij.

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie