Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Abel Herzberg, de filosoof van de menselijke ontwrichtingHij pakte joden hun woede af, concludeert Arie Kuiper treffend

Cultuur

JOOST DIVENDAL

Review

De levensloop van Abel Herzberg (1893-1989) kennen we behoorlijk uit zijn autobiografische 'Brieven aan mijn kleinzoon' (over zijn afkomst en sappelende jeugd in Amsterdam), 'Om een lepel soep' (zijn praktijk als advocaat) en 'Tweestromenland' (dagboek uit het concentratiekamp Bergen-Belsen). Desalniettemin heeft Arie Kuiper kans gezien met een indrukwekkende biografie een verhelderend licht op de schrijver te werpen.

Kuiper, journalist, gaat uitputtend in op de principiële kwesties waarin Herzberg tegen de goegemeente in stelling nam. Ze hadden alle te maken met de verwerking van de uitroeiing van joden in de Tweede Wereldoorlog. De Sjoa 'verwerken', is een contradictio in terminis en dus eigenlijk te veel gevraagd. Maar Abel Herzberg overvroeg uit overtuiging.

Zo was hij na de oorlog de advocaat van Asscher en Cohen, de voorzitters van de Joodse Raad, die op bevel van de bezetter hielpen de door deportaties gedecimeerde joodse bevolking te beteugelen.

Kuiper roept terecht de vraag op of Herzberg wellicht clementie toonde omdat hij zelf even had meegewerkt aan het Joodsche Weekblad van de Joodse Raad en omdat hij in Bergen-Belsen door de Duitsers gedoogd was als 'rechter' bij geschillen tussen gedeporteerden. Over beide posities heeft Herzberg zich echter consequent verantwoord, tot en met in kort geding tegen Dick Houwaart, die in zijn herdruk van het Weekblad voorbijging aan de inspirerende betekenis van dit krantje voor een aan stukken gereten gemeenschap.

Herzberg erkende dat het een illusie was, dat je als jood iets tegen de nazi's kon uitrichten: “Maar wie kan in zijn wanhoop zonder illusie leven?”. Dat Asscher het joodse proletariaat neerbuigend 'sinaasappelmannetjes' had genoemd en dat Cohen zich in het kamp hautain had gedragen, wilde Herzberg niet meewegen, net zomin als zijn eigen mening, die hij zijn vrouw Thea toevertrouwde: Cohen was een 'flapdrol' en Asscher een “grot vol diarree. Jammer dat hij niet dood is gegaan. God is de mensen toch niet zo genadig”.

Voor de Volkskrant volgde Herzberg in 1961 het proces tegen Eichmann, planoloog van de Sjoa. Terwijl Harry Mulisch met zijn klemmende essay 'De zaak 40/61' een groot publiek bereikte, werd Herzbergs zeker zo karakterologische maar feitelijker en juridischer relaas 'Eichmann in Jeruzalem' nooit een bestseller. Om onverklaarbare redenen staat dit boek (met 'Kroniek der jodenvervolging' een meesterwerk) niet in zijn 'Verzameld werk'. Herzberg had persoonlijk Eichmann liever aan een parachute boven Beieren gedumpt en aan de Duitsers teruggegeven. Dan zou de 'bittere wraak' van de doodstraf pas 'zoet' geweest zijn.

Voor de 'Drie van Breda' (gevangen gezette hoge nazi's) bepleitte hij vrijlating. Toen de laatste twee in 1989 tot woede van velen over de grens waren gezet, zei Herzberg tegen Huub Oosterhuis: “Ze zijn weg. Nou weet ik niet meer of dat wel moest. (. . .) ik heb altijd één ding vergeten. Toen ik terugkwam uit Bergen-Belsen, toen ik thuiskwam, toen leefden onze drie kinderen nog. (. . .) maar als je nou thuis was gekomen en je kinderen leefden niet meer? Daar kan je toch niet overheen komen? (. . .) Daarom weet ik niet of ik wel gelijk had met al dat gepraat van mij.”

Hij verkondigde zijn stellingnames gedecideerder dan ze waren. Zo wantrouwde hij Weinreb, die met 'vrijstellingen' andere joden had belazerd (Weinreb-adept Renate Rubinstein schreef hem daarover een boze brief, gericht aan de 'Hoogverheven regent'). Feit was dat hij zelf als 'Barnevelder' in het Duitse duivelse spel van uitzonderingsbepalingen aan vernietiging was ontkomen.

Als zionist had hij het niet op de Palestijnen. Maar omdat hij het tweedelingsplan van de VN realistisch vond, kreeg hij herrie met de zionistische beweging, die hij ooit had geleid (het laatste is in het boek onderbelicht).

Voor de feestelijkheden in het Concertgebouw bij de stichting van Israël in 1948 werd Herzberg mooi niet uitgenodigd. Buiten op het Museumplein hield hij, prompt door tientallen omringd, spontaan een toespraak.

Herzberg was een deskundig ruziemaker. Bij de orthodoxie kon hij geen goed doen. Een opperrabbijn verweet hem dat hij in zijn werk geen aandacht had voor het godsdienstige leven in de kampen en staafde dit met de waarneming hoe in het geheim zelfs op de sjofar (ramshoorn) werd geblazen. Herzberg riposteerde dat hij 'met de diepste intensiteit' over de godsdienstbeleving had geschreven en dat . . . die ramshoorn nota bene door hemzelf was meegenomen op transport. Van 'niet-orthodox' verklaarde hij zich van de weeromstuit met onmiddellijke ingang tot 'anti-orthodox'.

Ook met kranten lag hij in de clinch. Tot zijn spijt staakte hij zijn medewerking aan de 'antizionistische' Groene (de literaire basis van zijn carrière) en Volkskrant.

De pessimist die hij was (hij werd wel 'Schmerzberg' genoemd) wilde niets liever dan een optimist zijn. Hij klampte zich vast aan elk greintje menselijke waardigheid. Bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs in 1974 vertelde hij over een herinnering, lang verzwegen om overlevenden verdriet te besparen.

In Bergen-Belsen zag hij een stervende vrouw met de 'Ethica' van Spinoza in haar handen, “meegenomen in de ellende als een mogelijk innerlijk houvast”. Een vrouw in Kaapstad hoorde de toespraak via de Wereldomroep en Herzberg, die de naam van de stervende wist, antwoordde op haar brief dat 't inderdaad haar moeder was. Zij schreef terug: “Nu u over haar verteld hebt, is het of mijn moeder ook een brief aan haar kleinzoon geschreven heeft, onze zoons”.

Herzberg schrok, had haar als overlevende niet willen kwetsen en als 'boetedoening' stuurde hij haar zijn 'Brieven aan mijn kleinzoon'. De vrouw reageerde: “Ik zie dat niet als een boetedoening, maar als een gebaar van iemand met een warm hart”.

Laverend tussen recht en gevoel woof Herzberg 'ordinaire' emoties weg. Met kracht van spreken onderdrukte hij zijn woede, want “als je woedend wordt stik je in die woede”. Maar achter zijn bezonnenheid bleef hij de opstandige jongen uit 1915, die aan medestudent Victor van Vriesland schreef: “Godverdomme, al wat op vooropgezette theorie lijkt wegkwakken, neertrappen alle stelsels, alle regels (. . .) - zonder wapens je op het leven storten, het aangrijpen, het begrijpen (. . .) Stijgen in het leven is dalen in de diepte van jezelf”.

Niemand typeerde hem beter dan zijn alter ego Zeitscheck, uit het drama 'Sauls dood' en de novelle 'Drie rode rozen', die zegt: “Mijn kwelling is dat ik een tweegesprek geworden ben”.

Wraakzucht kenden Abel en Thea ('Theabel' noemden ze zich soms) wel, maar die was onderontwikkeld. Met een voor dochter Judith in Duitsland gestolen vaasje - op terugtocht uit het kamp - werd 'het Derde Rijk gewroken'. De tragiek was, dat het gezin na de hereniging met de ondergedoken kinderen toch niet 'van geluk (kon) spreken', aldus dochter Judith, want 'wat er intussen gebeurd was bleek wederzijds onmeedeelbaar'. Maar Herzberg volhardde erin dit 'onmeedeelbare' 'meedeelbaar' te maken.

Dat zijn zieleroerselen niet altijd gewaardeerd werden, is omdat hij 'joden hun woede afpakte', concludeert Kuiper raak. 'Goed' en 'kwaad' verzoen je niet, besefte Herzberg, maar 't heeft zin het kwaad te begrijpen, omdat “de mens ontaardt. Het gaat niet om gruweldaden. Het gaat niet om de laatste, maar om de eerste stap. Dan komen de gruweldaden vanzelf”.

Naast zijn analyse van Herzbergs denken geeft Kuiper mooie anekdotes (zoals over Hitlers portret, opgediept uit de vloer van z'n huis, en teruggelegd opdat hij er weer overheen kon lopen). Er is een enkel storend foutje: de oprichting van de Joodse Raad was geen reactie op de Februaristaking maar ging eraan vooraf; de postuum uitgegeven 'Brief aan mijn kleindochter' ontbreekt in het oeuvre-overzicht. De stijl is niet altijd even soepel. 'Hoe dit zij' is een terugkerende stoplap; het leven in Theresienstadt kun je niet 'geen pretje' noemen. Maar deze biografie is imposant omdat hierin het leven wordt samengebald van de filosoof van de 'menselijke ontwrichting' (in de woorden van Herzberg). Dat is een zeldzaam studieobject, van een zeldzaam wijs mens - ontwricht als Abel Herzberg zelf was.

Deel dit artikel