Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'We gingen, gewoon in een roeiboot'

Cultuur

HARO HIELKEMA

Review

De overtocht was kantje boord, het had wel twee keer afgelopen kunnen zijn met hem. Toch heeft Willem de Waard nooit wakker gelegen van zijn hachelijke Engelandvaart in maart 1941. “Ik zou het zo weer doen, misschien in een andere vorm. Achteraf heb ik ook geen moment gedacht: wat ben ik gevaarlijk bezig geweest.”

Tachtig is De Waard inmiddels, de oversteek over de Noordzee dus alweer 57 jaar geleden. Maar de Engelandvaarder praat nog even nuchter over die vlucht uit bezet Nederland als hij er in de oorlog tegen aankeek. Geen spoortje opwinding klinkt in zijn stem door, geen grammetje sensatie. Hij is gewoon vertrokken - met twee maten, in een roeibootje. En ze hebben Engeland gewoon gehaald. Hoezo onbezonnen?

De Waard zou er nu ook niet zo uitgebreid over vertellen, als er niet toevallig een Hagenees was die de tocht van het drietal nog eens gaat overdoen. Hans Weeber (47) stapt op 15 april in een gemotoriseerde roeiboot en tuft daarmee onder begeleiding van de mijnenjager Hr. Ms. 'Willemstad' naar Harwich. Leerlingen van het Segbroekcollege in Den Haag volgen hem naar Engeland. Weeber wil de schooljeugd met dit project inzicht geven hoe mensen in de Tweede Wereldoorlog een keuze maakten voor de vrijheid en tegen fascisme en onderdrukking. In dat verband reizen De Waard en zijn vrouw mee naar Engeland en wil hij zijn verhaal ook nog wel een keertje doen. Als een van de weinigen van de 450 mensen die in de bezettingstijd naar Groot-Brittannië probeerden te ontkomen en het kunnen navertellen.

Het was dus oorlog en Willem de Waard had geen trek om in Nederland te blijven. Net als Ab Homburg, zijn boezemvriend. “We hebben bij elkaar op school gezeten: kleuterschool, lagere school, hbs. En de jongelingsvereniging natuurlijk. Ook allebei in militaire dienst geweest. Ik heb niet aan het front gediend, daar ging het in mei 1940 allemaal te snel voor.”

Ze bleven vrienden, Homburg en hij, en zo viel een keer het woord Engeland. “We moeten hier weg, zeiden we tegen elkaar. Het was '41 en de ondergrondse speelde nog niet zo. We moeten d'r uit. We waren gereformeerde jongens, we hadden Colijn gehoord en er moest geknokt worden voor volk en vaderland. Vechten tegen de Moffen, om het plat te zeggen. Je kon op drie manieren naar Engeland. Via België, Frankrijk, Spanje en Portugal en dan proberen over te steken. Door te gaan werken in Duitsland en dan via Zwitserland verder. Of over de Noordzee. Dat laatste werd het. Eerlijk gezegd hebben we over die andere mogelijkheden niet eens nagedacht. Ze stonden ons een beetje tegen, we vonden ze niet zo safe. Het was misschien suggestie, maar zo lukt het toch niet, dachten we.”

Homburg wist iemand met een vlet en zo kwam Cor Sporre erbij, een dertiger. “Hij werkte bij Hoogovens, waar de roeiboot lag. Daarna hebben we een buitenboordmotor gekocht, zo goed als nieuw, en die op het Hoogoventerrein verstopt onder een berg cokes. Eerst nog wel even uitgeprobeerd, in een regenton. Cor zorgde voor de benzine, of benzol, of in elk geval brandstof die we nodig hadden. Had hij op z'n werk 'geleend', zei hij. Van een zwager van Homburg kregen we een kompas en een trawlervisser uit IJmuiden vertelde hoe dat ding werkte. 'Als je nou koers zoveel houdt dan vaar je richting Harwich.' Dat was het ongeveer. Ik had wel eens in een kano gevaren, maar ik wist niet eens wat bakboord en stuurboord was. Links en rechts, zeiden we.”

Zaterdagavond 22 maart was het zo ver. Afgezien van de zwager van Homburg en de visser wist niemand wat van de plannen van het drietal. Willem had thuis een brief achtergelaten, net als Homburg. In het pikkedonker waren ze naar het Hoogoventerrein gereden, hadden hun fiets tegen het hek gezet en waren eroverheen geklommen. “Het was omstreeks de wisseling van de ploegen, het viel dus niet op. We hebben de spullen tevoorschijn gehaald, de boot in het water laten zakken en de motor verstopt onder een jutezak. We hadden een paar kanopeddels bij ons en een aktetas met wat papieren. Proviand? Een paar repen chocola, geloof ik, en wat water. Meer niet. Ja, achteraf zeg je: dat hadden we beter kunnen doen. We hadden ook geen speciale kleren aan, geen oliejas of zo, gewoon een lange winterjas. Geen zwemvest, ook niks op m'n hoofd. Alle aandacht was gericht geweest op de boot, het andere was naar de achtergrond gedrongen.”

De tros werd losgegooid en peddelend was het drietal voorbij het fort gevaren. Het was rustig weer. Eenmaal op volle zee werd de motor gestart en de koers bepaald, richting Harwich. “Eén keek op het kompas met een verduisterde zaklamp.” Ze waren nog maar net buitengaats, toen ze gesnapt leken te worden door een Duitse 'Schnellboot', die een groot zoeklicht op hen richtte. De drie mannen lagen plat op hun buik op de bodem van de vlet. “We dachten dat het over was. Maar ineens verdween hij naar het noorden. Nou ja, dan ga je maar weer verder.” Midden op zee dreigde het opnieuw mis te gaan. Een hoge golf klotste in het vierenhalve meter grote bootje. Een emmer of blik hadden ze niet. Dus werd de aktetas gepakt, propten ze de papieren in hun jaszak en werd er met alle macht - zo zeeziek als ze waren - gehoost. Ze redden het en hadden zelfs nog een tijdje de motor afgezet, om te slapen en brandstof te sparen.

Op maandagochtend 24 maart werden de drie mannen voor de kust van Harwich opgepikt door een Engelse torpedobootjager. Ze kregen wat eten, thee en droge kleren. Hun eigen kloffie werd te drogen gehangen in de machinekamer. Ook de vlet werd aan boord gehesen en binnenste buiten gekeerd. “Hebben we later nog geld voor gekregen, omdat het in beslag was genomen.”

Een klein motorbootje haalde het drietal op. Ze gingen door de molen van de immigratiedienst, werden onder begeleiding van een korporaal op de trein naar Londen gezet en moetsten daar in de roemruchte Patriotic School (waar elke 'illegale' vreemdeling werd gescreend) hun verhaal doen. Na deze controle belandde Homburg bij de Nederlandse inlichtingendienst en werd na een half jaar met Cor Sporre boven Noord-Brabant gedropt.

Willem de Waard had geen zin in geheime operaties en werd ingelijfd bij de Prinses Irene Brigade. Een jaartje reed hij rond als chauffeur op een truc, maar dat beviel hem niet. Hij meldde zich bij de commando's en werd in Schotland getraind “voor het uitdelen van speldenprikken”. Hij zou op Sumatra worden ingezet, in een raid tegen Japan, maar de actie ging niet door. En zo werd hij in september 1944 ingezet bij de Operatie Market-Garden. In dezelfde glider als generaal Urquhart landde hij in een aardappelveldje in de buurt van Oosterbeek. De Waard kwam met vijf Engelsen in een hinderlaag terecht, kreeg een kogel in z'n voet en werd als krijgsgevangene naar Duitsland gestuurd. “Stalag B, 357”, zegt hij. Hij was bijna 'n voet kwijt, een Duitse arts wilde 'm al amputeren maar een Joegoslaaf zag nog een kans met sulfaattabletten. Voor de rest voelt hij zich goed behandeld. De Waard is uiteindelijk door de Britten bevrijd en keerde in juli 1945 terug in Nederland. Ab Homburg wist twee keer aan een executie te ontkomen, vluchtte in 1942 opnieuw naar Engeland, kwam bij de RAF en werd op 1 april 1945 boven Overijssel neergeschoten. Cor Sporre waagde in november 1941 een tweede tocht over de Noordzee, maar heeft Engeland nooit bereikt.

Minstens 110 keer hebben Nederlanders in de oorlog geprobeerd Engeland over zee te bereiken, zo'n 480 mensen. Slechts een derde kwam veilig aan de andere kant. Vrijdag wordt een boek, met een kort voorwoord van prins Bernhard, op vliegkamp Valkenburg gepresenteerd aan hen die de zeereis overleefden en aan familie van omgekomen Engelandvaarders. Tot 1970 heeft Willem de Waard nooit gepraat over zijn tocht. En al helemaal niet over de gevaren. “Misschien zijn we een beetje lichtvaardig geweest. Maar ja, dat was nou eenmaal zo. Ik heb er ook geen trauma aan overgehouden. Ik kwam in '45 terug in Nederland, ik werd gedemobiliseerd vanwege m'n voet. En ik moest zelf maar zien hoe ik weer aan een baan en een huis kwam. Tegenwoordig krijgen militairen, als ze een half jaar in Bosnië hebben gezeten, meteen een psychologische test. Dat hadden wij niet.”

Een sloep met motor.

Opvarenden: negen mannen, onder wie de 21-jarige kantoorbediende Hans Fles (foto).

Vertrek: Noordwijk, 1941.

Afloop: Verraden door infiltranten en in Leiden opgepakt door de Sicherheitspolizei op de dag van het geplande vertrek. Van de groep overleden vier mannen in Duitse concentratiekampen.

Een vouwkano met motor.

Opvarenden: Twee studenten uit het Gooi.

Vertrek: het strand van Ouddorp (ZH), 1942.

Afloop: opgepakt door een Duitse boot nadat de kano omsloeg op zee, veroordeeld, beiden bevrijd in Dachau. In 1992 maakten de twee de overtocht naar Engeland alsnog en haalden de overkant.

Een marinesloep met motor.

Opvarenden: zes mannen en twee vrouwen, onder wie een Joods echtpaar.

Vertrek: Castricum, 1941.

Afloop: Drie mannen en een vrouw opgepakt bij een mislukte poging de zware boot door de branding te duwen, veroordeeld, bevrijd in concentratiekampen. De rest van de groep ontkomt.

Een twaalfvoetsjol.

Opvarenden: Cadet-vaandrig Rob Kievits en tabakshandelaar Bob Gazan (foto).

Vertrek: Petten, 1941.

Afloop: Spoorloos verdwenen op zee met hun gammele jol, die bij een test op de Loosdrechtse plassen al nukken vertoonde. Het is onduidelijk of ze zijn verdronken of opgepakt. Bob Gazans naam staat op een oorlogsgraf in Frankrijk, zijn vader geloofde de (onbewezen) geruchten dat zijn zoon toch in Frankrijk was beland.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

Door een profiel aan te maken ga je akkoord met de gebruiksvoorwaarden en geef je aan het privacy statement en het cookiebeleid te hebben gelezen.

Deel dit artikel