Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Kerstboom dook pas op in 19de eeuw'

Cultuur

Meindert van der Kaaij

Review

Theo Meder (1960), etnoloog bij het Meertens Instituut.

’Het voorbeeld van ’Verhalen van stad en streek’ is het in 2005 verschenen ’The lore of the land’ van Jennifer Westwood en Jacqueline Simpson. Een heel mooi, maar ook dik boek over de sagen en legenden in Engeland – dus niet Schotland, Wales en Noord-Ierland. Dat was een geweldig succes en de vraag was of we dat ook van Nederland konden maken. Dat kon ik niet alleen. Ik heb daarvoor hulp gekregen van collega’s Ruben Koman en Willem de Blécourt van het Meertens Instituut en van Jurjen van der Kooi die tot voor kort werkte bij het Nedersaksisch Instituut in Groningen.

We hebben als Nederlanders de reputatie om stug en zwijgzaam te zijn, maar dat komt niet overeen met de werkelijkheid. Net als andere volkeren zijn we vertellers. Het zit in de natuur van de mens om verhalen te vertellen en door te geven aan volgende generaties. We zijn gek op fictie, of dat nu op schrift staat of op de televisie te zien is. Ook nuchtere Nederlanders zijn dol op witte wieven, bokkenrijders, weerwolven en ufolandplaatsen. Dat we meer verhalen hebben achterhaald uit Friesland dan uit de kop van Noord-Holland – dat is praktisch een blinde vlek – komt doordat Friesland meer verzamelaars kent.

Ons boek toont aan dat vrijwel alle thema’s en motieven een internationale oorsprong hebben. Het verhaal van het vrouwtje van Stavoren – die een lading koren in de haven liet storten omdat zij daar niet tevreden mee was, waarna vervolgens de haven verzandde – is wijdverbreid als verhaal waarin economisch verval aan een zonde geweten wordt. Het motief van de ring – die zij in het water gooide en later terugvond in de vis die zij at – komt al voor in de Griekse Oudheid. Telkens is de boodschap: hoogmoed komt voor de val.

Alle verhalen hebben we in een historische context proberen te plaatsen. We laten zien wat er in die legenden en sagen een basis van historische waarheid heeft. We ontdekten dat mensen denken dat verhalen een veel oudere oorsprong hebben dan in werkelijkheid te achterhalen is. Ze hebben soms de romantische opvatting dat verhalen teruggaan op de Germaanse cultuur en dat die eeuwenlang van vader op zoon zijn doorverteld. Er is geen bewijs dat ze teruggaan naar oude goden zoals Odin en Wodan. Het is eerder zo dat de verhalen die we hebben gevonden uit de christelijke cultuur afkomstig zijn.

Volksverhalen zijn pas sinds de negentiende eeuw verzameld. Het waren de gebroeders Grimm die daarvoor de aanzet gaven met hun publicaties.

Zij koesterden vooral de romantische opvatting dat verhalen veel ouder waren dan ze in werkelijkheid zijn. Waarschijnlijk hadden ze daar politieke motieven voor. Ze wilden laten zien dat Duitsland, dat op dat moment net één staat was geworden, kon bogen op een oude traditie van één volk en één cultuur. Later bleek dat veel verzamelde Duitse verhalen een Franse oorsprong kenden. Dat wisten de gebroeders, maar zij hielden toch vast aan hun theorieën.

In Nederland hebben we dat ook. Mensen redeneren: hoe ouder, hoe eerbiedwaardiger. Ze denken dat de kerstboom al heel lang een rol in onze cultuur speelt, maar we zien hem pas opduiken in de negentiende eeuw. Geen enkel boek uit de eeuwen daarvoor verwijst ernaar.

Overdrijven kunnen we ook goed. In de verhalen over de Tachtigjarige Oorlog zie je dat de protestante helden in de loop der jaren steeds heldhaftiger en de vijanden steeds lafhartiger worden voorgesteld. Protestanten lijken op een gegeven moment halve heiligen.’

Deel dit artikel