Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Je kreeg een zalvie of een drankie maar altijd hielp 't'

Cultuur

EVELINE BRANDT

Review

Een mengsel van groene zeep, roet en sodawater. Azijn waarin een dag lang zeven koperen centen gelegen hebben. Opgedroogd zweet dat bij het roskammen der paarden loskomt, 'in den een of andere drank ingenomen'. Of natuurlijk Haarlemmerolie, want dat was overal goed voor. Met deze en andere middeltjes probeerde 'het volk', het vrouwvolk wel te verstaan, een 'ongewenschte vrucht' af te drijven. In te nemen onder, of juist zonder een volle maan. Zo rond de laatste eeuwwisseling waren ook hete voetbaden beproefd (met mosterd of met zout), of juist koude voetbaden. Of het 'insnoeren van buik en borst', van trappen springen en 'rijden in een schokkende wagen'. Als dat allemaal niet hielp, wendde men zich tot een 'verlos- en deskundige'.

Dat woordje 'deskundige' deed het 'm. Dan wist de gemiddelde wanhopige zwangere genoeg. Zo was daar mevrouw Jasinski. Brutaalweg adverteerde zij voor haar - illegale - praktijk 'Hygiea', die zij sinds 1903 voerde aan de Amsterdamse Ceintuurbaan. Bij haar waren ook verkrijgbaar ,,de alom bekende vrouwenpillen 'Radicaal' van den vrouwenarts dr. Ladislaus Jasinski'.

In 1915 waren de Jasinski's voorzichtiger geworden; zij prezen hun pil toen aan ,,voor ongeregeldheden en vertraging in ieder gestel'. Duidelijk genoeg voor de goede verstaander, de vrouw wier 'gestel' 'vertraagd' was. Werd zij vervolgens onder handen genomen door Jasinski of een van haar collega-afdrijfsters, dan was zij nog niet jarig. De bekende breinaald was maar een van de 'methoden'. Zeer in zwang was ook het inspuiten van Sunlightzeep, destijds alom aangeprezen als hét middel voor de hygiënische huisvrouw. De zeep zat in een rubberen bal met daaraan een slang, die bij de te verlossen vrouw werd ingebracht. ,,Was dit gebeurd, dan drukte men zachtjes op de bal. Voorzichtig aan. Bij te sterke drukking gingen de meeste vrouwen tegen het vloertje.'

In zijn boek 'Het Amazonenleger - Irreguliere genezeressen in Nederland 1850 - 1930' beschrijft antropoloog Willem de Blécourt de duistere praktijken van afdrijfsters, wonderdokteressen, 'kanker- en papvrouwen' en andere kruiden- en kwakzalvervrouwtjes. Dames in ieder geval, die zich publiekelijk als genezeres afficheerden, zonder daarvoor de vereiste papieren te bezitten. De auteur baseert zich op soms huiveringwekkende, soms hilarische getuigenissen uit de overlevering en uit rechtbankverslagen.

De vele irreguliere vrouwelijke genezers uit die tijd waren de schrik van de officiële, mannelijke geneeskundige stand. En een plaag voor Justitie, die veelal vergeefs probeerde de dames aan te pakken. De genezeressen van diverse pluimage, vaak strijdbaar en ook ná veroordelingen niet van hun 'vak' af te brengen, vormden een waar 'Amazonenleger'. Aldus een typering uit het Maandblad van de Vereniging tegen de Kwakzalverij van september 1907. Daarin wordt opgeroepen ,,dit gevaarlijke amazonheir te 'verslaan', ja 'te verpletteren' '. Maar in een adem verzucht de auteur dat dit waarschijnlijk toch niet zal lukken.

Daarin heeft hij gelijk gekregen. Wij hadden immers tot voor een paar jaar ook nog good old Klazien uit Zalk, en de wonderbaarlijke genezingsverhalen van Jomanda. De vroegere 'strijksters' genezen tegenwoordig niet meer door met hun hand te strijken maar door de hand 'op te leggen', en de 'plant- en kruidkundigen' van weleer zijn dezer dagen aangeschoven aan de macrobiotische dis, alwaar zij met Adelbert Nelissen verkondigen dat misosoep uitstekend helpt tegen kanker.

Wat is het verschil tussen Klazien en Malle Gijsje? Gijsje leefde ongeveer een eeuw eerder (van 1832 tot 1907). Ze woonde niet in Zalk maar in Blaricum, dit 'wondervrouwtje'. ,,Ze kon van alles en ze genas velen', verklaarde een bejaarde tuinman in 1962. ,,Als ze niet meer naar een dokter gingen, 't hielp hen niet meer, dan ging men het proberen bij Malle Gijsje. Je kreeg een zalvie of een drankie, soms een slok jenever om tussen de kiezen te houden, maar altijd hielp het.' Kiespijn en andere kwalen bracht zij van de patiënt over op een boom. ,,Hoe ze het deed kan ik je niet zeggen, maar de mens ging niet dood, zo'n boom ging kapot.' Maar men was ook bang voor die 'smerige kol'. Altijd fladderden er enge zwarte kraaien om haar heen, ze ,,toverde ze overal vandaan'.

Uit de verhalen over Malle Gijsje komt het stereotiepe beeld naar voren van het kruidenvrouwtje: de genezeres als heks. Een weduwe op het platteland die van alles kon genezen, maar die je ook kon 'ziektoveren'. Een zelfstandige vrouw met een eigen bedrijf, die zodoende tegen de heersende sociale en morele normen inging. En ook daarmee staat zij model voor de rest van De Blécourts 'leger'. Want al die alternatieve genezeressen waren voor hun tijd bijzonder vrijgevochten vrouwen. Waarom praktiseerden zij hun geneeskunsten? Uit idealisme? Nee, laat de auteur zien, veeleer uit een soort feminisme. Zij verwierven zich een zelfstandige beroepspraktijk, een rol in het sociale leven én een goedbelegde boterham in de dagen dat vrouwen geen beroep hadden, en zeker geen dokter konden worden.

Pas in 1878 kwalificeerde Aletta Jacobs zich als eerste, 'reguliere' vrouwelijke arts in Nederland. In 1905, toen ze zelf al haar praktijk had neergelegd, had ze nog maar 15 collega's. Een verwaarloosbaar aantal, vergeleken met het leger aan wonderdokteressen rond die tijd. In de geschiedschrijving, vindt De Blécourt, zijn die irreguliere genezeressen ten onrechte gemarginaliseerd. Wie zich stiekem steeds verder emancipeerden waren bijvoorbeeld de 'somnambules', vrouwen die onder hypnose helderziende vermogens zouden bezitten. Werden zij door een (mannelijke) hypnotiseur in slaap gebracht, dan konden ze tot in detail de kwalen en pijnen van patiënten beschrijven. Al 'slapend' dicteerden zij hun mannelijke handlanger ook nog het benodigde recept. ,,De magnetische slaap bood haar de gelegenheid een maatschappelijke rol te spelen die ze daarbuiten veel moeilijker kon innemen', schrijft De Blécourt. En uiteindelijk konden de somnambules het zelfs zonder de kerels stellen. In hun eentje trokken de slaapsters ook genoeg klandizie. Waarom inmiddels zoveel mánnen helderziend zijn geworden, zal 'nader onderzoek' moeten uitwijzen, zo schrijft de wetenschapper droogjes.

Duidelijk is dat mensen in die tijd, net als nu, zich tot zo'n al dan niet slapende genezeres wendden uit onvrede over de reguliere gezondheidszorg, die steeds meer op wetenschappelijke leest geschoeid raakte. Al die 'gewone' geneesheren hadden geen oog voor de 'organische elektriciteit' van mensen, zo verkondigde de spiritiste Lize Deutman. Zíj wel, en daar spon ze garen bij in haar drukbezochte kliniek in Den Haag, waar patiënten vanaf 1920 een somnambule konden consulteren. Haar tijdgenote Louise van Gansewinkel, die adverteerde dat zij 'zonder operatie menschen kon genezen van kanker' zei tegenover de rechter ,,dat over het algemeen de menschen liever worden geholpen door niet-deskundigen dan door deskundigen'. Waarmee zij de plank niet eens zo ver missloeg.

Kon het kwaad, wat die vrouwen in hun praktijken zoal uithaalden? Soms wel, soms niet - net als nu. Wel als ze ernstig zieken weghielden van de dokter, een misdrijf waarvan nu de macrobiotische goeroe Nelissen wordt beschuldigd. Zo bezweek in het jaar 1889 een man - onnodig - aan bloedvergiftiging, door geknoei van een 'papvrouw'. Maar bij minder ernstige, of bij wat we nu noemen psychosomatische kwalen, kan alleen al wat aandacht genoeg zijn om op te knappen. Een papje van 'kamfer opgelost in foeselhoudende spiritus' kan dan wonderbaarlijk goed helpen.

Verder lieten de dames vaak - heel slim - de patiënten 'zelf iets doen'. Zo moesten zieken hun kankergezwel met een geheimzinnig zakje bedekken, twaalf uur wakker blijven en het zakje vervolgens in de grond begraven. Ook dat psychologische mechanisme werkt nog altijd, en wordt nog handig uitgebuit. Nu de bekende 'kankerdokter' - ook wel betiteld als 'kwakzalver' - dr. Houtsmuller op zijn tellen past, beveelt hij zijn dieet van broccoli en haaienkraakbeenpoeder alleen nog aan náást reguliere kankertherapie. Maar iedere officiële dokter weet inmiddels dat patiënten zich daardoor beter kunnen gaan voelen. Niet door dat smakeloze dieet, maar louter door het idee dat zij zo tenminste ook zélf iets doen tegen hun ziekte.

De moraal van De Blécourts verhaal tekent zich glashelder af tegen het door hem geschetste, smakelijke historische decor. Alternatieve genezers (m/v) zijn van alle tijden, en zullen er altijd wel blijven. De Vereniging tegen de Kwakzalverij, opgericht in 1880, verdient respect dat ze nog altijd zo dapper vecht tegen de bierkaai.

Deel dit artikel