Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik tril! Walg! Hypocrietelingen! Flauwekul!'

Cultuur

Rob Schouten

Review

Welke klassiekers moeten we in de 21ste eeuw nog lezen? Wat is de echte canon? Deze maand houdt Rob Schouten vijf Eerste Wereldoorlogromans tegen het licht. Deze week: 'Reis naar het einde van de nacht'.

Toen in 1932 de roman 'Reis naar het einde van de nacht' van de tot dan toe onbekende schrijver Louis-Ferdinand Céline (schrijversnaam voor de arts Louis-Ferdinand Destouches) verscheen, veroorzaakte het direct een hoop gerucht. Zoveel gootjargon, zoveel nihilisme en pessimisme, zo'n onthutsende kijk op de mens, dat waren ze in de schone Franse letteren niet gewend. Maar dat het een baanbrekend meesterwerk betrof was ook direct duidelijk. Natuurlijk moest het de Prix Goncourt krijgen. Maar nee, het boek was te buitensporig en de prijs ging naar Guy Mazeline voor 'Les loups' (wie zegt u?). Zelfs de rechtbank kwam er bij deze evidente miskleun aan te pas en oordeelde dat Céline zich tezeer aan de Franse taal vergrepen had om de prijs te kunnen claimen.

Slecht voor de verkoop was het schandaal natuurlijk niet, in korte tijd werden er

50 000 exemplaren van verkocht. Céline is met 'Reis naar het einde van de nacht' en het daaropvolgende 'Dood op krediet' misschien wel de invloedrijkste schrijver van de twintigste eeuw geweest. Hij leidde de literatuur naar een terrein dat ze voordien niet kende, de cloaca, de straattaal, de eindeloze scheldkanonnades. Je zou kunnen zeggen dat bij hem de literatuur pas werkelijk door de modderigste loopgraven en de existentiële uitzichtloosheid van de Eerste Wereldoorlog wordt gehaald. Naast Céline's danse macabre zijn de oorlogsverslagen van Remarque, Barbusse of Graves nette nota's op keurige A4'tjes. Dat vonden zijn tijdgenoten in elk geval; de letteren waren na 1918 wel veranderd, je had bijvoorbeeld het vreemde surrealisme erbij gekregen, maar vergeleken met de knuppel die Céline in het hoenderhok gooide was dat een lief sprookje.

Céline heeft meer dan eens over de Eerste Wereldoorlog geschreven, op achttienjarige leeftijd nog gewoontjes in 'Het notitieboekje van kurassier Destouches' waarin hij zijn prille onthutstheid laat blijken. Vervolgens in 'Reis naar het einde van de nacht', dat begint op het moment dat

Céline's alter ego Bardamu de oorlog ingaat, en verder in een bewaard gebleven fragment 'Kanonnenvoer', dat de vervolgroman van 'Dood op krediet' had moeten worden. Later kwam ook de Tweede Wereldoorlog nog aan de beurt, in 'Noord' en 'Van het ene slot naar het andere'. Je zou kunnen zeggen dat hij voortdurend de oorlog opzoekt, zelfs in vredestijd. Want, zoals Céline in zijn 'Reis' een geleerde arts laat opmerken: ,,Zie je, Bardamu, de oorlog is, door de onvergelijkelijke mogelijkheden die hij ons biedt om het zenuwstelsel te testen, een geweldig middel om toegang te krijgen tot de menselijke geest.''

Om Céline's letterkundige belang te taxeren moet je je realiseren dat schrijvers als Henry Miller, Charles Bukowski, en bij ons Jan Cremer, Jef Geeraerts en Herman Brusselmans, allemaal schatplichtig aan hem zijn. Maar ook iemand als Sartre stond onder zijn invloed. Céline maakte de taal van de straat en het volk literair acceptabel. Niet voor niets is hij wel 'de Rabelais van het atoomtijdperk' genoemd. Hij schiep een nieuwe lyriek van bitterheid, gevloek en getier. Maar in zijn 'Reis' moet dat allemaal nog op gang komen. Observaties als ,,Die gore stafpik had geen rust voordat hij ons elke avond de dood in had gestuurd en zo'n bevlieging kreeg hij vaak bij zonsondergang'' of ,,Op deze wereld breng je je tijd door met moorden of met liefhebben, of met allebei tegelijk'' vond men in zijn tijd allicht heel schokkend maar na zeventig jaar klinken ze nogal tam. In latere boeken overtreft hij die eerste scheldkanonnades in elk geval ruimschoots. Het wordt dan allemaal veel kortademiger, met van die karakteristieke afgebroken zinnetjes, terwijl in 'Reis' de zinnen nog min of meer in de pas lopen. Wie dus de allerhevigste straatlyriek van Céline wil, kan beter wat verderop in zijn oeuvre binnenvallen. Het is overigens wel een rare ervaring om deze oerkreet van het bandeloze schrijven te herlezen. Alsof je een patiënt die later helemaal zal doorslaan, nog tamelijk compos mentis en aanspreekbaar tegenkomt. Het meest ongeremde aan het boek lijkt me nog wel het voorwoord dat Céline er in 1949 aan toevoegde. Het is de woeste ontlading van een krankzinnige, en allicht was Céline, die op dat moment vanwege z'n collaboratie en z'n rabiaat antisemitisme al in literaire ongenade was gevallen, dat ook wel: ,,Ach sorry! Duizend keer sorry! Ik word razend! 't Is om uit je vel te springen! Ik tril! Walg! Hypocrietelingen! Flauwekul! Ik stink er niet in! 't Is om de 'Reis' dat jullie 't op mij begrepen hebben Onder de valbijl zal ik dat nog brullen! 't Is de afrekening tussen mij en die anderen! Als je 't hele goed bekijkt... niet te geloven... Ze zijn giftig op de mystiek! Wat een gedonder!''

De misantropie en het wantrouwen waarmee Céline zijn omgeving tegemoet trad (en die, daar zijn de biografen het over eens, grotendeels gegenereerd is door zijn ervaringen in WO I) heeft hij in 'Reis' in feite nog redelijk onder controle. De jonge soldaat Bardamu heeft bijvoorbeeld zijn dromen nog, om naar Amerika te gaan, en als hij in de Franse kolonie Togo terechtkomt, beschrijft hij eventjes een schitterende Afrikaanse zonsondergang. Per saldo glimpt er tussen alle ellende en teleurstelling hier en daar heus nog wel wat licht. Dat dát me in 2003 veel meer opviel dan het veronderstelde nihilisme, zegt wel iets. Het schokeffect van Céline's kijk en stijl is zeventig jaar later allang overtroffen door hemzelf en anderen. Wij kunnen intussen best tegen de literaire stoot die in 1932 nog voor het eerst moest worden uitgedeeld. En dus moet je zelfs deze ooit baanbrekende eerste literaire reis door de goot met de nodige portie historisch bewustzijn consumeren.

Deel dit artikel