Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Ik snoof de geur op van de verloren wereld van Kwame en Kwasi'

Cultuur

ONNO BLOM

Review

Arthur Japin: De zwarte met het witte hart. De Arbeiderspers, Amsterdam. 389 blz. - ¿ 39,90.

Nu, een decennium later, en een jaar nadat hij debuteerde met de bundel 'Magonische verhalen', is de roman van Arthur Japin verschenen. 'De zwarte met het witte hart' bevat in detail de tragische geschiedenis van de Ashantijnse prinsen Kwasi en Kwame, die in 1837 als onderpand voor de illegale slavenhandel door de Nederlandse Generaal-Majoor Jan Verveer uit hun land werden weggevoerd en als 'geschenk' aan koning Willem I aangeboden. De prinsjes werden opgevoed in een kostschool in Delft en brachten ook nogal wat tijd door aan het Nederlandse Hof. Ze onderhielden nauwe banden met Anna Paulowna en, vooral, met haar dochter Sophie.

Ondanks de goede verstandhouding met het hof werden de zwarte prinsen, toen zij ouder werden en het steeds moeilijker werd hen maatschappelijk in te passen, door de Nederlandse regering op een zijspoor gezet. Beiden raakten verscheurd tussen hun twee vaderlanden. Kwame reisde terug naar Afrika, maar bleef noodgedwongen steken in Fort Elmina aan de West-Afrikaanse kust. Na een paar jaar pleegde hij zelfmoord. Kwasi probeerde zich uit alle macht als Nederlander te ontwikkelen, maar faalde eveneens. Zonder waardigheid strandde hij uiteindelijk op een versufte koffieplantage op Java.

Kwasi vertrouwt als oude man zijn trieste levensverhaal, en dat van zijn neef, aan het papier toe. Zijn herinneringen worden in 'De zwarte met het witte hart' afgewisseld met authentieke en verzonnen brieven van ambtenaren die over hun lot beslissen. Ook de correspondentie tussen prinses Sophie en Kwasi en dagboekaantekeningen zijn door het verhaal heengevlecht. Zo heeft Arthur Japin een kloeke historische roman geschreven, in de traditie van Louis Couperus en Hella Haasse. Zelf vergelijkt hij zijn schrijfwijze het liefst met die van Marguerite Yourcenar. “Dat is het summum! Neem haar 'Hermetisch Zwart': je leert iemand heel goed kennen, volgt het innerlijke proces, en tegelijk pik je veel mee van de tijd waarin hij leeft. De geschiedenis is een schitterend decor.”

Japin begon het onderzoek naar zijn 'decor' in het gemeentearchief in Delft. “Daar staat een grote doos met brieven, documenten en één foto van Kwasi Boachi. Een daguerreotypie, een zilveren plaat waar de afbeelding van zijn hoofd is ingebrand. Als je dat beweegt, dan spiegelt het.” In zijn handen houdt Japin de denkbeeldige plaat en kantelt zijn vingers zodat het licht er steeds anders op valt. “De daguerreotypie was nu eens zwart, en dan weer wit. Het leek wel het begin van een film.”

Zijn enthousiasme werd beloond. Japin kreeg een beurs van het stimuleringsfonds om van de geschiedenis van de twee Afrikaanse prinsen een scenario voor een televisieserie te maken. “Die serie is nooit gemaakt - de kosten zouden veel te hoog oplopen - maar van het geld van het fonds kon ik mijn onderzoek voortzetten”, zegt hij. “Ik vertrok voor zes weken naar Ghana, en twee weken naar Java. Ik snoof de geur op van de verloren wereld van Kwame en Kwasi en zocht zoveel mogelijk naar hun sporen. In Java bleef het bij de geur - al vond ik een heel klein stukje van Kwasi's rijstpelmolen - maar in Kumasi vond ik wel veel. De Ashanti hebben een groot archief en een nationaal museum, waar ik veel over de gebruiken, kleding en militaire structuur van het volk kon vinden. Elmina bezocht ik ook, het fort waar Kwame zijn laatste dagen sleet en waar de slaven werden afgevoerd. Ik stond in de kamer waar hij op 22 februari 1850 stierf.”

“Het is mijn grootste belang om die twee tragische levens weer onder de aandacht te brengen. De mensen te laten weten wie zij geweest zijn. Ik wil me inleven. Om een scherp beeld van Kwasi te krijgen helpt iedere steen waarover hij heeft gelopen. Dat is ook zo wanneer je verliefd bent en je ziet de naam van diegene ergens staan. Je gloeit op en denkt: daar is ie! Terwijl dat moment voor niemand anders iets zou betekenen. Zo bouwden Kwasi's leven, en dat van zijn neef, zich langzaam op in mijn verbeelding. Na tien jaar ken ik vooral Kwasi zo goed, dat het een goede vriend van mij geworden is. Dat hij waarschijnlijk anders was dan ik hem beschrijf, dat doet er niet meer toe. Ik ken hem. Sterker: ik hou van hem, ik kan het niet helpen.”

Japin houdt zijn adem in. Hij aarzelt even, en zegt dan met enige schroom: “Het is nog gekker. Het klinkt misschien zweverig, maar Kwasi praat vaak tegen mij. Toen ik net begon te schrijven leed ik aan een algehele warrigheid. Ik kon allerlei dingen, zoals de namen van personen, niet meer onthouden. Dat was waarschijnlijk ook nodig. Er moet een troebele poel zijn, waaruit af en toe iets omhoog komt drijven. Ik zit hier en werk. Als ik dan later op de dag de zinnen teruglees, lijkt het alsof ik ze niet zelf heb geschreven.” Japin trekt een verbaasd gezicht, hakkelend zoekt hij naar woorden voor een verklaring. “Misschien heeft het te maken met de lange tijd die ik met het boek bezig was. . . of zijn het gedachten die zonder dat ik het bewust was al rijp waren en vanzelf op papier vielen? Ik weet het niet. Het gebeurt.”

“Heel lang heb ik niet geweten waarom juist dit verhaal me fascineerde”, zegt Japin. “Maar ineens realiseerde ik het me: het is het isolement van die kinderen. Die vreselijke eenzaamheid. Ik ben zelf heel erg geïsoleerd opgegroeid, afgesloten van de rest van de wereld. In een groot leeg huis in Haarlem, helemaal alleen op een zolder. Nooit kwam er bezoek. We kenden geen mensen. Mijn vader is heel vroeg, toen ik nog klein was, in de war geraakt.”

In het eerste verhaal uit Japins debuut, 'Magonische verhalen', heeft hij de verhouding met zijn depressieve vader beschreven. Hij vertelt hoe zijn vader, toen hij nog heel klein was, hem verhalen vertelde over een droomwereld in de lucht, 'Magonia', waar ridders wolken besturen als luchtschepen. Uiteindelijk kan de vader zijn depressies niet de baas. Hij pleegt zelfmoord. Het jongetje verliest zijn vader en zijn illusies over het gedroomde Magonia.

Deze tragiek beheerste zijn jeugd. “Ik had het gevoel overal volstrekt alleen in te staan. Het gepest worden, het gemarteld worden op school, zoals ik dat in de roman beschrijf, dat is mij allemaal persoonlijk overkomen.”

In 'De zwarte met het witte hart' worden Kwasi en Kwame geterroriseerd door hun medeleerlingen. Op de Delftse kostschool, waar zij zich tot volmaakte westerse intellectuelen moeten ontwikkelen, krijgen zij het, zonder dat de vriendelijke kostschoolhouder Van Moock het merkt, zwaar te verduren. Zij worden geslagen en zelfs met het smeulende stompje van een sigaar gebrandmerkt. “Op een gegeven moment realiseer je je dat je er niet bijhoort, bij de groep”, fluistert Japin. “Dat moet de bron van mijn fascinatie voor hun geschiedenis zijn geweest. De herkenning van het isolement.”

“Als buitenstaander kun je twee dingen doen. Je kunt je afkeren of je kunt je aanpassen. De twee jongetjes kiezen ieder een andere kant. Als het niet waar gebeurd was, zou je het zo hebben willen bedenken. Het is een perfect romangegeven. De een past zich aan, de ander verzet zich. Beide oplossingen leiden tot niets. In het begin durfde ik nauwelijks te schrijven als iets niet echt gebeurd was. Later vond ik het wel eens een probleem dat zij echt bestaan hadden. Ik vroeg me vaak af of ik zomaar mijn gedachten in hun hoofd mocht leggen. Uiteindelijk heb ik dat toch gedaan. Ik ben ervan overtuigd dat ik allebei de jongetjes, door zorgvuldig te werk te gaan, een eer heb bewezen.”

Deel dit artikel