Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Honderd gesprekken met schrijvers leren: het zijn ook maar nette burgers

Cultuur

Rob Schouten

Arjan Visser (2010) © Marco Hofsté
Tien Geboden

Voor het jubileum van zijn Tien Geboden-interviews bundelde Arjan Visser 100 gesprekken met schrijvers. Literatuurcriticus Rob Schouten las ze en concludeert: schrijvers zijn welbespraakt, wijs en niet al te non-conformistisch.

Een maand of wat geleden bezocht ik een bijeenkomst waarop de essaybundel ‘Een kreet is de ramp niet’ van Tonnus Oosterhoff gedoopt werd. Een ietwat paradoxale aangelegenheid, want de auteur verklaarde juist niet in het publiek te willen verschijnen en ook geen interviews meer te geven. Hij wilde niet dat zijn persoon tussen het werk en de lezer kwam te staan. Dat kwam hij nu dus eigenlijk wel, maar vooral om te laten weten dat hij dat niet wilde.

Lees verder na de advertentie

Roemrucht is de schrijver J.D. Salinger, die ook niet geïnterviewd wenste te worden en zodra iemand van de media in de buurt van zijn huis opdook, de benen nam. En wat te denken van J.M. Coetzee die, ooit ondervraagd door Wim Kayzer voor diens tv-programma ‘Van de schoonheid en de troost’, zich alleen maar ergerde aan de vragen, geen antwoord gaf en na afloop verzuchtte ‘This, this is torture’.

Onwilligen

Ik snap die onwilligen wel, ik ben ook eens geïnterviewd met een ongewenst resultaat. De interviewer wilde per se dat ik mij uitsprak over iets waar ik juist niks over wilde zeggen en nadat hij, na lang aandringen, zijn zin had gekregen weigerde hij mijn verzoek om de ongewenste uitspraak door te strepen. Dus stond ik er gekleurd op en dook uit frustratie een paar weken onder. Het is allemaal meer dan vijfentwintig jaar geleden, maar het staat me bij als zo’n moment dat je door de grond wilt zakken.

De schrijver weet wat hem te wachten staat; als hij wil biechten kan dat, als hij wil liegen kan dat ook

Interviewers komen nogal eens met ongewenste vragen, ze willen iets weten wat jij niet kwijt wilt. Ik heb er een achterdocht jegens het genre aan overgehouden, die P.F. Thomése ooit verstandig oploste: “Toen ik voor het eerst een interview met mijzelf teruglas, dacht ik verschrikt: maar dat heb ik ­helemaal niet gezegd! Zo ben ik niet.

Ik herinner me dat ik er radeloos van werd, tot ik merkte dat het beter was die fouten met nieuwe fouten te overtroeven. Het heeft geen zin om een jou onwelgevallig beeld bij te stellen, want voor je het weet, ben je zo’n ingezondenbrievenschrijver, zo iemand die altijd iets te zeuren heeft. Als je eenmaal in de publiciteit verdwaald bent, kun je maar het beste een zo ruim mogelijk portret van jezelf laten ontstaan.”

Ruime portretten

Die ruime portretten tref ik aan in ‘1 interviewer, 10 geboden, 100 schrijvers’, een bloemlezing uit de interviews die Arjan Visser nu al jaren in deze krant ­afneemt en waaruit ik ook Thoméses uitspraak heb geplukt. Ik heb ze, ondanks het advies van de interviewer zelf om dat niet te doen, allemaal gelezen en ik kan dat eigenlijk iedereen aanraden. Want je kunt dit boek natuurlijk als een naslagwerk vol ideeën van afzonderlijke schrijvers raadplegen, maar het is in mijn ogen vooral de fascinerende weerslag van een mentaliteitsgeschiedenis, van de sociologie van hedendaags schrijverschap: waar komen onze schrijvers vandaan? Wat vinden en denken ze? Hoe staan ze in het leven? Je komt als het ware achter de geboortebrieven, het DNA van de schrijvers van zeg de afgelopen kwart eeuw. Het is een soort achterkant van literaire geschiedenis. Let wel, dit zijn dus geen literaire interviews, geen verhalen over letterkundige keukengeheimen. Natuurlijk komt hun werk weleens aan bod, maar daar gaat het hier niet over.

Je zou kunnen zeggen dat het meer om human interest gaat, maar dan van een hoog niveau. Interviews die niet zozeer je nieuwsgierigheid prikkelen alswel je aan het denken zetten.

Je kunt je afvragen waarom Visser uit de 500 tot nu toe verschenen interviews juist die met schrijvers uitkoos en niet die met bijvoorbeeld politici, BN’ers of andere mensachtigen. Hij geeft zelf het antwoord in zijn voorwoord: “Schrijvers leveren steevast een ‘goed’ verhaal. Het gáát ergens over en dan is het ook nog eens fraai geformuleerd. Of het de waarheid is, weet ik niet, maar het resultaat liegt er niet om.”

Aha, de waarheid, daar valt het woord, is wat we hier lezen wel steeds de waarheid? En is de welbespraaktheid van schrijvers niet juist een belemmering van die waarheid, omdat schrijvers het vóór alles mooi willen zeggen? ­Oftewel houdt men zich wel aan het negende gebod? Dat zullen we nooit weten en in sommige gevallen kun je wel vermoeden van niet, waarover ­later, maar dat doet er niet zo erg toe: dit is immers wat de schrijvers van zich willen laten horen, niet wat de inter­viewer per se wil horen.

Dat hangt samen met de bijzondere aanpak van de interviews, steeds aan de hand van de Tien Geboden. Dat betekent dat in zekere zin volgens de ‘sociologische’, gestructureerde methode gewerkt wordt, althans in de presentatie. Visser is als de veldwerker die met een vast kader aan kwesties en onderwerpen bij de leden van de groep langskomt. De schrijver weet zo’n beetje wat hem te wachten staat. Als hij wil biechten kan dat, als hij wil liegen ook.

Goddeloos

Je kunt 1 interviewer 10 geboden 100 schrijvers op tientallen manieren doorsnijden en consumeren. Ik heb er zelf uren in rondgedwaald, dat is ook precies waar het boek toe uitnodigt. Niet met een telraam om te kijken hoeveel schrijvers gelovig zijn, hoeveel agnost en hoeveel goddeloos. Hoeveel over­speligen de literatuur kent en hoeveel kruimeldieven. Wie z’n ouders eert en wie niet. Maar om op te snuiven wat de normen en waarden van schrijvers zijn en of ze significant verschillen van die buiten het literaire huis. Niet dus.

Het bleek in 2007, toen professor Hijme Stoffels de tussenstand al eens opmaakte, dat lezers vooral op de reacties op het eerste, vijfde en zevende ­gebod (in de protestantse versie, bij de katholieken ligt het iets anders) afstuiven. Dat deed ik ook. Hoe gelovig zijn ze nog? Hoe zit het met de huiselijke achtergrond? Zijn ze trouw of ontrouw?

Lezers stuiven vooral af op het eerste, vijfde en zevende gebod. Hoe gelovig zijn ze, zijn ze trouw of ontrouw?

We zien wat we overal zien, massale ontkerkelijking, geloofsafval maar ook hier en daar echt nog wel wat plukjes gelovigen. Namen? Een rabiate god­loochenaar lijkt me Gerbrand Bakker, een heel gelovige ziel Desanne van ­Brederode. De meesten zitten daar ergens tussenin, alhoewel Anna Enquist met haar geloof als ‘collectieve psychose’ dicht in de buurt van Bakker komt; dan klinkt Ronald Gipharts ‘Waarachtig geloven is, denk ik, een chemische kwestie; een schommeling in de endorfinespiegel’ een stuk milder. Het opvallendst, naast nogal wat mystici, vond ik de hedendaagse afgodendienaars: Herman Brusselmans die zijn ouders plus een hondje vergoddelijkt, Jessica Dur­lacher die een eigen God creëert, Myr­the van der Meer met een playmobil-­afgod, Marjon Pauw die het bij de tarotkaarten zoekt, Kristien Hemmerechts met een ‘god of my own making’, Susan Smit is heks. Meer vrouwen dan mannen. Ze zijn niet alleen geëmancipeerd, maar hebben ook iets nieuws gevonden.

Arjan Visser (2010) © Marco Hofsté

Veel schrijvers hebben nog wel een vaag-religieuze opvoeding genoten, maar zijn in hun jeugd afgehaakt. Bij schrijvers met een joodse afkomst ligt dat anders, die komen vaak uit een ongelovig nest waar desondanks nog wat rituelen in stand worden gehouden. Al met al krijg je niet de indruk dat geloof of geloofsafval nog een grote rol voor Nederlandse schrijvers speelt.

Dat ligt anders als je de reacties op het vijfde gebod ‘Eer uw vader en uw moeder’ naast elkaar legt. Dit is ongetwijfeld het meest becommentarieerde gebod. Hier krijgt men de kans eens goed uit te pakken over de eigen familieomstandigheden. De meeste schrijvers zijn overigens nog wel geneigd hun ouders te eren. ‘Vind ik wel. Het heeft niet zozeer te maken met een kinder­lijke gehoorzaamheid maar je hebt wel een grote verplichting tegenover het feit dat je ouders er jarenlang voor hebben gezorgd dat je je in een enigszins veilige wereld kon ontwikkelen’, zegt Bernlef namens het gros , maar er zijn er ook die vinden dat ouders juist hun kinderen moeten eren. ‘They fuck you up’, citeert H.M. van den Brink de dichter Larkin, en een aanzienlijke groep heeft zich van zijn ouders losgemaakt, niet zozeer door de generatiekloof krijg ik de indruk, alswel omdat ze als ouders gefaald hebben, ‘Ze waren onvolwassen’, zegt Carry Slee. Opvallend is ook het grote aantal gebroken gezinnen waaruit schrijvers komen, ik schat dat van ongeveer een derde de ouders gescheiden zijn. Al met al krijg je uit de aard van de reacties op dit gebod de indruk dat het familieleven of de afwezigheid ervan een heel wat grotere bron van inspiratie vormt dan wat vroeger ­literair thema nummer één was, de Tweede Wereldoorlog, om van religie maar helemaal te zwijgen.

Zonde

En dan nu naar de sappigste kwestie ‘Gij zult niet echtbreken’. ‘Als in mijn jeugd het woord zonde viel, dan was het toch eigenlijk maar één zonde, namelijk: tegen dit gebod’, aldus Maarten ’t Hart. Nogal wat schrijvers noemen zich verrassenderwijs monogaam, tot de meest ongeloofwaardige toe, zoals Jan Wolkers, van wie we na de biografie van Onno Blom toch een andere indruk hadden, maar nee: ‘Van nature ben ik erg monogaam en op het gezin gesteld.’ Hm. Misschien is hij het stilzwijgend eens met die andere monogame schrijver, Jan Mulder: ‘Wat ik met anderen heb is seks, gewoon seks.’ Anderen verpakken hun buitenechtelijke ervaringen eufemistisch: ‘Ik heb voldoende ­ondernomen om te weten dat iets wat intens en verheffend is over een grens kan gaan waardoor het ineens heel walgelijk wordt’ (Desanne van Brederode). Je hoeft niet al te achterdochtig te zijn om te concluderen dat de meesten hier het achterste van hun tong niet tonen. Dat wijst erop dat ook schrijvers hoofdzakelijk nette burgers zijn, wat toch eigenlijk de hoofdconclusie moet zijn.

Mijn favoriete uitspraak komt van Marjan Berk in commissie: ‘De missing link tussen de aap en de mens, dat zijn wij’

En dan nog twee ‘brave’ ontdekkingen. Weliswaar kent de Bond tegen het Vloeken weinig aanhangers onder schrijvers, de meesten vinden dat hun personages wel degelijk mogen vloeken als dat functioneel is, maar zelf vloeken, nee, dat doet het gros liever niet. En onder onze schrijvers bevinden zich ook geen grote dieven, zelfs geen letterdieven. Een grote meerderheid geeft toe zich door andermans werk te laten beïnvloeden, en verder is literair ‘stelen’ en ‘liegen’ altijd een kwestie van Dichtung und Wahrheit. Haast gretig vertellen ze daarnaast dat ze, meestal in hun jeugd, vlakgommetjes (Tomas Ross), make-up (Manon Uphoff) en natuurlijk boeken hebben gejat (o.a. Hendrickje Spoor, Theun de Vries, Michael Zeeman). De kroon wordt gespannen door Rosita Steenbeek, die na een expeditie met een stelletje Romeinse grafrovers met een Etruskische beker thuiskwam. Nee, niet teruggebracht.

Ook voor wie niet alles achter elkaar leest, valt er het nodige te genieten aan saillante uitspraken. Mijn favoriete: ‘De missing link tussen de aap en de mens, dat zijn wij’ (Marjan Berk in commissie), of deze ‘Beethoven is onsterfelijk voor iedereen, behalve voor zichzelf’ (Mulisch) en wat hiervan te denken: ‘Hitler was een zieke man. Hij kon het ook niet helpen.’ (Leo Vroman). Wel­bespraakt, wijs, niet al te non-conformistisch maar soms een beetje provo­cerend, dat is de gemiddelde Nederlandse schrijver. Je kunt er eigenlijk gerust mee bij je moeder langs.

Lees ook:

Interviewer Arjan Visser blikt terug op 499 keer Tien Geboden

Arjan Visser sprak 500 bekende Nederlanders over God, hun ouders, liefde en dood. ‘Sommigen beginnen spontaan de Tien Geboden op te zeggen.’

10 jaar Tien Geboden: Liever echtbreken dan stelen

Sommige geboden zijn populairder dan anderen. 'Gij zult niet begeren’ valt bij veel prominente Nederlanders in goede aarde. De lieg- en steelgeboden maken minder indruk.

De 500ste editie van de Tien Geboden is voor Cisca Dresselhuys

In augustus 1997 werd ze door Arjan Visser in Nieuwe Revu aan de hand van de Tien Geboden geïnterviewd. Na dat gesprek zei ze: ‘Volgens mij moet je dit idee bij Trouw aanbieden.’

Deel dit artikel

De schrijver weet wat hem te wachten staat; als hij wil biechten kan dat, als hij wil liegen kan dat ook

Lezers stuiven vooral af op het eerste, vijfde en zevende gebod. Hoe gelovig zijn ze, zijn ze trouw of ontrouw?

Mijn favoriete uitspraak komt van Marjan Berk in commissie: ‘De missing link tussen de aap en de mens, dat zijn wij’