Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

’Hoge’ Jezus past in joodse traditie

Cultuur

Cokky van Limpt

Review

Jezus van Nazaret was geen gnostische wijsheidsleraar maar stond als ’Zoon van God’ in de traditie van het Oude Testament. Riemer Roukema breekt een lans voor de christelijke geloofstraditie.

Weer is er aan de onophoudelijke stroom van publicaties over Jezus van Nazaret een boek toegevoegd. Ditmaal van de hand van de Kamper nieuwtestamenticus Riemer Roukema (51). „De directe aanleiding was”, vertelt hij thuis in Zwolle, „een boek van de Amerikaanse godsdiensthistorica Elaine Pagels over het Thomasevangelie. In ’Ketters en rechtgelovigen. De strijd om de ware leer in het vroege christendom’ suggereert Pagels dat het Thomasevangelie historisch even betrouwbaar is als de synoptische evangeliën van Marcus, Matteüs en Lucas. Ik vind dat zij in haar benadering het verschil verwaarloost tussen wat er historisch en theologisch over Jezus kan worden gezegd.”

Dat onderscheid maakt hij in ’Jezus, de gnosis en het dogma’ nadrukkelijk wel. Hij noemt zijn boek voor negentig procent ’historisch’. Hiermee bedoelt hij dat hij wil nagaan wat de oudste schriftelijke getuigenissen over Jezus zeggen, en hoe dit in het jodendom van die tijd is verankerd. Wat er theologisch over Jezus kan worden beweerd, gaat in Roukema’s definitie „over de vraag wat mensen willen denken en geloven over Jezus, zowel in het vroege christendom als nu.”

Een voorbeeld maakt het onderscheid dat hij aanbrengt, duidelijk. Uit de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas treedt Jezus naar voren als een apocalypticus, die de spoedige komst van het koninkrijk Gods aankondigt. Paulus’ eerste brief aan de Tessalonicenzen bevestigt deze toekomstverwachting. Dit is waarschijnlijk de vroegste brief van Paulus, van omstreeks het jaar 50. Historisch gesproken, concludeert Roukema, is het daarom aannemelijk dat Jezus als apocalyptische prediker dit zo heeft aangekondigd.

Maar al sinds de laatste decennia van de eerste eeuw hebben christenen zich afgevraagd of deze gebeurtenissen wel spoedig of zelfs ooit zouden plaatsvinden. In het vermoedelijk tweede-eeuwse (buitenbijbelse) evangelie van Thomas is een eindtijdverwachting in deze vorm dan ook niet te vinden. Wanneer Jezus daar spreekt over de komst van het koninkrijk, is daarmee iets hemels of mystieks bedoeld, of iets wat zich langzaam over de aarde uitspreidt. De spoedige komst van het koninkrijk van God en van Jezus – als de Mensenzoon, op de wolken uit de hemel – waarvan de synoptische evangeliën reppen, ontbreekt in dit evangelie.

Een duidelijk voorbeeld van een theologische voorkeur, noemt Roukema deze andere voorstelling van zaken. „De visie van een spoedige apocalyptische komst van Gods koninkrijk en van Jezus paste kennelijk niet bij het beeld dat de samensteller van het Thomasevangelie van Jezus had gekregen.” Toch hoorde volgens de nieuwtestamenticus de eindtijdverwachting, ook al is die destijds niet uitgekomen, historisch gezien wel degelijk bij Jezus’ onderricht. Want de synoptische evangeliën en de genoemde brief van Paulus waarin hiervan sprake is, zijn nu eenmaal ouder dan het Thomasevangelie.

Met de populaire opvatting, mede gevoed door boeken als De Da Vinci Code, dat Jezus zijn leerlingen zou hebben ingewijd in een geheime, esoterische of gnostische leer die bestond naast zijn publieke onderricht, maakt Roukema op dezelfde wijze korte metten. Een gnostische Jezus wijst hij op historische gronden nadrukkelijk af, evenals de complottheorie dat de kerk het ’ware onderricht’ van Jezus zou hebben verdonkeremaand en dat ’ketters’ dit hebben bewaard. „Dat is fictie en mist elke historische grond.”

Veel aandacht besteedt Roukema in zijn nieuwe boek aan de ’hoge visie’ op Jezus. Lang is gedacht dat de ophemeling of vergoddelijking van Jezus in de synoptische evangeliën een late hellenistische ontwikkeling zou zijn. Maar zijn verhoogde status als ’Zoon van God’ blijkt heel oude, joodse papieren te hebben. „Het is een trend van de laatste jaren om daar aandacht voor te vragen.”

Zowel uit het Oude Testament en de Dode-Zeerollen als uit allerlei andere vroegjoodse geschriften van voor de christelijke jaartelling en de eerste eeuw daarna, blijkt dat het joodse monotheïsme helemaal niet zo exclusief was. God had een Woord (Logos), had Wijsheid (Sofia), en had engelen die wel ’zonen van God’ werden genoemd: ’gestalten’ naast God, die namens God kunnen verschijnen, spreken en handelen. De titel ’zonen van God’ werd in sommige vroegjoodse geschriften overigens ook voor mensen gebruikt.

Interessant in dit verband zijn onder meer de geschriften van de jood Philo van Alexandrië (eerste eeuw). Philo meldt meer over God dan de fundamentele joodse belijdenis dat God één is. Hij beschrijft verschillende uitingsvormen van de ene God, bijvoorbeeld ’de Zijnde’, tezamen met de ’machten Heer en God’. Elders noemt hij alleen God ’en zijn Logos’. De Logos noemt hij Gods eerstgeboren zoon, oudste en heerser van de engelen. Ook noemt hij de Logos het Begin, de Naam van God, de Mens naar Gods beeld. De Logos is, aldus Roukema, voor Philo een ’tweede god’, bestuurder van alles, door wie alles bestaat. Hij is er voor de mensen die nog niet volmaakt zijn.

Hoe Jezus over zichzelf dacht is strikt historisch gesproken niet te achterhalen, maar zijn vroegste volgelingen beschouwden hem na zijn dood als de opgestane en verhoogde Heer: Zoon van God, Logos en de Heer die op aarde verschenen was. Daarom lieten ze hem delen in de verering en aanbidding van God de Vader.

Roukema ziet een duidelijke parallel tussen wat de vroege christenen geloofden ten aanzien van Jezus en de vroegjoodse voorstellingen van God, die door zijn Wijsheid of zijn Woord de wereld geschapen heeft, en door zijn Woord aan mensen verschijnt en Israël uit Egypte verlost. In het evangelie van Johannes wordt Jezus immers ’het Woord’ genoemd dat van begin af aan bij God was en waardoor alles is ontstaan. Fascinerend vindt hij het dat Philo de Logos de overste van de engelen noemt en Gods oudste en eerstgeboren zoon. Want dat stemt overeen met het evangelie van Johannes, waarin Jezus Gods eniggeboren zoon wordt genoemd, en tal van andere nieuwtestamentische teksten, waarin over hem als de Zoon van God wordt gesproken.

Over die hoge visie op Jezus en op diens pre-existent zijn – hij was er al, bij God, voordat hij als mens geboren werd – heeft Roukema tijdens zijn onderzoek veel meer gevonden dan hij had gedacht. „Vooral in de synoptische evangeliën. Daar staat het minder expliciet dan in het evangelie van Johannes, maar toch vaker dan ik me voorheen realiseerde.”

Ook in de gnostiek en sommige joods-christelijke teksten, zoals de pseudo-celementijnse geschriften, wordt Jezus of de hemelse Christus als pre-existent gezien. Maar dat kon voor Roukema geen verrassing heten.

„In de gnostiek is de Verlosser nu eenmaal vooral een hemelse figuur. De bekendste gnostisch-christologische visie houdt in dat de hemelse, pre-existente Christus neerdaalt op de mens Jezus. In het evangelie van Thomas bijvoorbeeld zegt Jezus: ’ik ben in een lichaam verschenen’. Dat houdt in dat hij er dus al was en getuigt van een pre-existente visie.”

De pseudo-clementijnse geschriften zijn twee romans uit de vierde eeuw, toegeschreven aan Clemens van Rome, waaraan een ouder, joods-christelijk geschrift ten grondslag ligt. Ze bevatten verslagen van de evangelieprediking van onder andere Petrus en Barnabas. Petrus verkondigt erin dat er één God is, de Schepper van de wereld, wiens wil door de ware profeet bekendgemaakt is. Deze ware profeet verandert sinds het begin van de wereld van gestalte en is verschenen als Adam, Mozes en tenslotte in de persoon van Jezus. Hieruit blijkt, aldus Roukema, dat Jezus’ pre-existentie wordt erkend. De ware profeet wordt in deze geschriften ook wel voorgesteld als de pre-existente Christus die aan Abraham en Mozes verscheen, en Barnabas en Petrus noemen hem Zoon van God.

„Wat is het toch jammer”, verzucht de nieuwtestamenticus, „dat we geen geschriften hebben van de tegenstanders van Paulus. In de brieven van Paulus zelf is nergens een aanduiding te vinden dat hij zich zou moeten verdedigen dat Jezus Gods Zoon was. Paulus wordt wel de dogmaticus van het christendom genoemd, omdat hij Jezus zou hebben opgehemeld als Zoon van God en een hele leer over Jezus zou hebben ontworpen, in plaats van Jezus’ eigen onderricht te herhalen. Maar dat blijkt dus helemaal niet Paulus’ belangrijkste punt te zijn geweest. De onenigheid met zijn tegenstanders, waarover hij in zijn brieven schrijft, ging vooral over het toepassen van de wetten van Mozes: mogen joden en niet-joden aan één tafel zitten en moeten christenen besneden worden of niet. Maar als het gaat om die hoge visie op Jezus, dan schrijft Paulus daarover alsof het gemeengoed is. Hij verdedigt deze visie niet. Misschien waren hij en zijn tegenstanders het daarover wel gewoon eens.”

Voortbordurend op de vroegjoodse meervoudigheid van God en de daarmee corresponderende vroegchristelijke visies op Jezus als de Heer en Gods Logos en Zoon, neemt Roukema het ook op voor het dogma van Gods drievoudigheid. „Jezus als de Zoon van God en als de Heer is een prikkelende visie met oeroude joodse wortels. Dit is geen polytheïsme, zoals het christendom vaak wordt verweten van joodse zijde, maar is in overeenstemming met het joodse inclusieve monotheïsme, waarbij de Heer of de Zoon voortkomt uit God de Vader.”

Hij noemt in dit verband de joodse theoloog Boyarin. „Boyarin stelt dat het jodendom van voor de christelijke jaartelling een Logos-theologie had, die de christenen hebben overgenomen. De latere rabbijnen hebben volgens hem, in reactie op het vroege christendom, daarna die theologie ontkend. Vergeet niet dat de Talmoed eeuwen na het ontstaan van het christendom is geschreven.”

Wat mensen ook willen geloven, zegt Roukema, zijn boek is voor negentig procent historisch van opzet. „Wie gnostisch wil geloven, moet dat vooral doen, dat is een kwestie van theologische voorkeur. Maar voor mij is op historische gronden de waarde van de christelijke traditie het grootst. De essentie van wat er in 325 op het concilie van Nicea aangaande geloofsvisies werd besloten, bestond allang daarvoor. De invloed van keizer Constantijn daarop is veel kleiner geweest dan vaak wordt gedacht. Ikzelf verwortel me in die oude christelijke traditie. Ik denk dat ik daarmee in het spoor zit van Jezus van Nazaret en van diens vroegste volgelingen.”

Deel dit artikel