Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

‘De rover’ van Robert Walser leest als een parodie op de roman

Cultuur

Wil Rouleaux

Omslag 'De rover' © -
Recensie

Robert Walser schittert in ironische terzijdes, woordspelingen en dartele invallen.

Toen ruim dertig jaar geleden de eerste boeken van Robert Walser in het Nederlands verschenen, vergeleken critici hem met onze nationale vagebond Nescio en met Jan Arends, de excentrieke vrijgezel op kamers. Duitse collega’s voelden zich herinnerd aan de negentiende eeuwse romantici van eigen bodem, de enthousiaste liefhebber Robert Musil zag juist weer parallellen met Franz Kafka.

Lees verder na de advertentie

Allemaal waar en niet waar, want de Zwitser Robert Walser (1878-1956) is met niemand te vergelijken: een unieke schrijver, die je al na enkele zinnen of hooguit een halve bladzijde herkent aan zijn onverwisselbare stijl en bijzondere dictie. Dat blijkt ook weer uit zijn nu voor het eerst vertaalde roman ‘De rover’, al net zo’n geniaal en knotsgek werk als de eerder succesvol vertaalde novelle ‘De wandeling’ of de dagboekroman ‘Jakob von Gunten’.

Louter kleine verwaarlozingen

Walser schreef ‘De rover’ in 1925, maar het boek werd pas voor het eerst (postuum) gepubliceerd in 1972; volgens bewonderaar J.M. Coetzee is het zelfs zijn beste en modernste werk. De verteller annex hoofdpersoon - uitgedost als de door Walser bewonderde rover-rebel Karl Moor uit Schillers toneelstuk ‘Die Räuber’ - leeft als flierefluiter en zonderling aan de rand van een middelgrote stad, vermoedelijk Bern. “Zijn opvoeding bestond louter uit kleine verwaarlozingen”, wat heeft geleid tot “een verbanning uit de kringen der elegantie”, zo luidt het halverwege in de typische Walser-toon.

De rover heeft enige tijd in het buitenland doorgebracht, maar nu is hij weer in zijn vroegere woonplaats neergestreken; hij woont op kamers en wordt gesteund door een begrijpende hospita. Hij zoekt voorzichtig contact met diverse vrouwen, die meestal medelijden met hem hebben, zoals de serveerster Edith. In een groteske scène, die zich in een kerk afspeelt, leest de rover haar publiekelijk de les omdat ze de voorkeur geeft aan een solidere minnaar.

Buitengewoon wantrouwig

Walser schittert in deze roman met ironische terzijdes, woordspelingen en dartele invallen. Duidelijker nog dan in zijn overige werk laat hij een eigenschap zien die je misschien on-Duits mag noemen, en die je eerder bij Franse schrijvers aantreft: filosofische reflecties worden speels en achteloos gepresenteerd. In dit geval bijvoorbeeld ideeën over de verhouding tussen geluk en ongeluk, die in elkaars verlengde liggen en moeilijk te scheiden zijn ‘zoals licht van schaduw’. Soms krijgen zijn invallen de vorm van aforismen: “Wij kwellen elkaar over en weer omdat we allemaal door het een of ander gekweld worden. Je wreekt je immers het snelst in een toestand van onbehagen.”

Zo’n toestand van onbehagen is de rover niet onbekend. Lange tijd heeft hij ‘bepaalde innerlijke stemmen’ gehoord en was hij ‘buitengewoon wantrouwig’, een toestand die inmiddels overwonnen lijkt. In het tweede deel van de roman zoekt hij niettemin een arts op, bij wie hij in een grandioze lange monoloog zijn hart uitstort.

Omslag 'De rover' © RV

Veel van wat de rover hier ter sprake brengt, is typisch voor het Walser-personage: zijn onzekere seksuele identiteit alsmede de behoefte om zich ondergeschikt te maken, zijn plezier in de rol van bediende en huisknecht. Overigens is het wel een begrijpende huisarts die de rover opzoekt, iemand met een buitengewone empathie; hij raadt de rover aan om zijn leven maar niet te veranderen (‘u kunt uitstekend met uzelf overweg’ ). Een verwijsbriefje geeft hij hem liever niet mee, daarentegen leidt hij hem naar de bibliotheek en laat hem een boek uitzoeken.

Niet zelden krijg je het gevoel dat Walser met ‘De rover’ een parodie op de roman heeft willen schrijven. Associaties en terzijdes zijn belangrijker dan de handeling, die bewust wordt onderbroken of (koket) becommentarieerd. Frequent wisselt hij tussen de eerste en derde persoon, tussen identificatie en distantie. Omgangstaal wordt afgewisseld met plechtige, verouderde taal. Spontaniteit is Walsers credo, ergens formuleert hij terloops zijn poëtica: “Misschien is dit een van de geheimen van het betere schrijven: er moet iets impulsiefs in het schrijven terechtkomen.”

Oordeel: Parodie op de roman, geniaal en knotsgek.

Robert Walser
De rover
Vertaling en nawoord Machteld Bokhove
Koppernik; 200 blz. €19,50

Recensenten van Trouw bespreken pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers. Meer recensies leest u hier.

Deel dit artikel