Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

'Asclepius' zingt de lof der lust

Cultuur

COKKY VAN LIMPT

Review

Een van de beroemdste geschriften uit de hermetische traditie - de Asclepius - is pas nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. De Bibliotheca philosophia hermetica gaf de opdracht voor de vertaling van deze tekst uit de eerste of tweede eeuw na Christus aan gnosis-kenner dr. Gilles Quispel (80). Het boek is een soort catechismus, waarbij door vragen en antwoorden de weg naar Godservaring wordt aangegeven. G. Quispel: Asclepius. De volkomen openbaring van Hermes Trismegistus, In de Pelikaan (Bibliotheca Philosophica Hermetica), Amsterdam, 306 blz. -¿ 55.-.

De auteur van de Asclepius zou de mythische Hermes Trismegistus zijn, de 'driewerf grote Hermes' - de Griekse naam voor de Egyptische god Thoth. Daarmee is meteen de achtergrond van het werk aangegeven. De originele tekst - Teleios Logos, 'De volkomen openbaring' - was in het Grieks. Quispel, autoriteit op het gebied van gnosis, vermoedt daarbij ook sterke Egyptische invloeden. De tekst die hij nu in opdracht van de Bibliotheca philosophia hermetica te Amsterdam vertaald en becommentarieerd heeft is een Laat-latijnse vertaling van het verloren gegane origineel.

Het boek is een soort catechismus: door middel van vragen en antwoorden wordt geopenbaarde kennis overgedragen. De Asclepius is daarmee volgens Quispel een typisch gnostisch werk. Ook in werken als de Openbaring van Johannes en het evangelie van Maria Magdalena gaat het om het overdragen van geopenbaarde kennis. Anders dan het Corpus Hermeticum, een bundeling van ander werk van de niet-bestaande 'Hermes Trismegistus' is de Asclepius geen esoterisch geschrift. Het gaat in de Asclepius om de weg naar Godservaring en zelfervaring, niet om het weergeven van die ervaring zelf, aldus Quispel in de inleiding.

De gnosis, waar de hermetische traditie onder gerekend kan worden, is een levensbeschouwing op zichzelf, die in wisselwerking was met de omringende religies, zoals de Egyptische zonnegodsdienst, het jodendom, het Griekse denken en het christendom. Zo is al vroeg ook een christelijke gnosis ontstaan, maar de gevestigde christelijke traditie stond hier doorgaans wantrouwend tegenover.

Met deze vertaling wil Quispel in ieder geval één vooroordeel van christelijke theologen wegnemen: dat gnostici strenge wereldmijders zouden zijn die vanuit hun dualistische visie het lichaam zien als een hinderlijk omhulsel dat de geest beknelt. Tezeer zingt de Asclepius de schoonheid van de natuur en de 'Lof der lust' om in de hoek van de vergeestelijkte ascese gezet te worden. Het hoofdstuk over de lust geeft een vrijmoedige en natuurgetrouwe beschrijving van de geslachtsdaad tussen man en vrouw.

De auteur van de Asclepius gaat wel uit van de polen vrouwelijk en mannelijk, ziel of geest en lichaam, God en mens, maar plaatst ze niet tegenover elkaar of boven elkaar. Uiteindelijk gaat het in het werk om de harmonische verhouding tussen mens, God en kosmos, tussen lichaam en ziel.

De hermetici zagen God als een androgyn wezen (mannelijk en vrouwelijk tegelijk), en als zodanig als de vruchtbare oorsprong van alles wat is. Naar analogie van de goddelijke paring en baring beschouwden zij de geslachtsgemeenschap van man en vrouw als een mysterie dat Gods wezen afbeeldt. In de beschrijving van de Asclepius 'deelt het lichaam in de waardigheid van de mens', die dat lichaam nodig heeft om zijn cultuuropdracht op aarde te vervullen. Met zijn lichaam moet de mens 'het aardrijk bebouwen en beheren' - dat is geen mijding van aardse aangelegenheden, maar veeleer milieubescherming avant-la-lettre.

De mythische figuur Hermes Trismegistus werd in de oudheid geïdentificeerd met de Egyptische god van schrijfkunst en wijsheid Thoth (Hermes was de Griekse 'schuilnaam' voor Thoth). Tot in de zeventiende eeuw is zelfs gedacht dat Hermes Trismegistus de leraar is geweest van Plato en Mozes. Sindsdien wordt algemeen aangenomen dat de hermetische geschriften aanzienlijk jonger zijn (eerste of tweede eeuw na Chr.), wat volgens Quispel overigens niet wegneemt dat de oorsprong ervan wel degelijk ouder kan zijn dan het christendom. Quispel neemt aan dat de werkelijke schrijver van de Asclepius een Egyptische priester is geweest.

De Asclepius is geschreven als het verslag van een gesprek tussen vier mannen die samenkomen in het meeste heilige vertrek van een Egyptische tempel. De deelnemers aan het gesprek zijn Hermes-Thoth, diens zoon Tat, Ammon (de Egyptische zonnegod Ammon-Re) en Asclepius - de Egyptische arts en uitvinder van de geneeskunde Imhotep, die na zijn dood vergoddelijkt werd. Deze vier goden worden als mensen voorgesteld, zoals gebruikelijk in de Egyptische mythologie.

Asclepius stelt vragen en Hermes Trismegistus laat de anderen delen in wat hem geopenbaard is. Quispel vermoedt dat het fictieve gesprek overeenkomsten vertoont met de inwijdingsrite in de hogere graden van de Hermetische loge in Alexandrië. Ook daarbij leidde een 'meester' een 'gezel' in tot de geheime openbaringen, die de leerling niet verder mocht vertellen aan niet-ingewijden.

Het hoofdthema van hun gesprek klinkt al direct in het eerste hoofdstuk van de Asclepius door en laat zich in één spreuk samenvatten: 'Een is het Al, het Al is uit de Ene'.

In de zeer vlotte, vrije vertaling van Quispel begint het geschrift met een 'Proloog in de tempel':

'Goede morgen, Asclepius. Het heeft blijkbaar zo moeten wezen, dat jij net nu naar mij toekomt. De bedoeling is kennelijk dat wij samen een geestelijk gesprek gaan voeren. Wij zijn beiden op het ogenblik afgestemd op het hogere. En daarom zou het wel eens kunnen zijn, dat dit dan de belangrijkste wordt van alle dialogen, die wij ooit gevoerd hebben of liever gezegd, die ons ingegeven zijn. Als op het eind blijkt dat je mijn vertoog goed hebt kunnen volgen, zal je geest verrijkt zijn met alle goede gedachten, die zich laten denken. Daarbij neem ik maar aan, dat je over het Goede in meervoud kunt spreken - ofschoon het veeleer zo is dat er maar Eén goed is, die alle goede ideeën in zich vervat. Die twee polen hangen met elkaar samen en moeten toch duidelijk onderscheiden worden: alles is uit de Ene en de Ene is alles. Ze zijn zo met elkaar verbonden, dat de Ene van het andere niet te scheiden is.' Daarna komen Tat en Ammon erbij.

De dialoog in de Asclepius behandelt een keur aan onderwerpen. Zo vertelt Hermes dat er verschillende soorten mensen bestaan, sommigen met geest, anderen zonder. En dat er ook andere wezens zijn, zoals goden en demonen. De mensen kunnen met hen allen communiceren.

'En de mens schiep de goden' is het meest bekende en meest aanstootgevende hoofdstuk uit de Asclepius. Kerkvader Augustinus (354-430) heeft in zijn De Civitate Dei (Over de Stad Gods) zijn veroordeling erover uitgesproken, waardoor de christelijk wantrouwen tegen de Asclepius groeide.

In de bewuste passage wordt de mens als schepper en bezieler van godenbeelden beschreven, een opvatting die in de tijd dat de tekst van de Asclepius ontstond was al als reactionair gold. Omdat de christelijke traditie de afkeer van het maken van godenbeelden van de joodse godsdienst had overgenomen maakte dit hoofdstuk de Asclepius onder christenen des te meer verdacht.

Samen met andere boeken die ook aan de mythische Hermes Trismegistus werden toegeschreven, leverde de Asclepius bouwstenen voor een holistisch wereldbeeld dat, zo stelt Quispel in zijn inleiding, sindsdien in West-Europa enige eeuwen in zwang bleef. De hermetische invloed op schrijvers en kunstenaars van de Renaissance was groot. Ook het occulte, magische, volgens Quispel veel miskende element van de Renaissance, werd door de Asclepius gevoed.

Pas met de mechanisering van het wereldbeeld, waarbij alles door oorzaak en gevolg verklaard werd (Huygens, Newton) en de overheersing van rationalisme en Verlichting in de achttiende eeuw raakte de Asclepius enigszins in vergetelheid. Maar in de huidige eeuw, vooral na de tweede wereldoorlog, is de belangstelling voor dit soort geschriften weer opgeleefd.

De invloed van de gnosis is overigens nooit helemaal weggeweest. Quispel: “Als de gnosis wordt onderdrukt, vlucht ze in de kunst. Goethe is daar een sprekend voorbeeld van en ook de schrijver Isaac Basjevisj Singer, de beeldend kunstenaar Chagall, de psycholoog Carl Gustav Jung met zijn alchemie en niet te vergeten Harry Mulisch, die zelf zijn magnum opus 'De ontdekking van de hemel' een hermetisch werk noemt.”

De Asclepius eindigt met een eucharistisch gebed. Quispel: “De onvervalste vroomheid die daaruit spreekt vind ik zoiets geweldigs dat ik dat dankgebed heb vertaald in bevindelijke termen: 'Wij kennen U, o Leven van ons leven; wij kennen U, Baarmoeder der genade, bezwangerd door zaad; wij kennen U, Baarmoeder der genade, bevrucht door het geslacht van de Vader; wij kennen U, verwekkende Vader, die blijft tot in eeuwigheid'.

Deel dit artikel