Review

Zoon in de nor, man in de pub

Hanna de Heus

In 1979 lopen de spanningen in Noord-Ierland op. De Ira wordt gewelddadiger, katholieken in de gevangenis dreigen met hongerstaking en steeds meer gezinnen verliezen een zoon. Tegen dat decor schreef Louise Dean haar tweede roman, ’De menselijke seizoenen’.

Het boek vertelt twee verhalen, dat van Kathleen, een moeder van een negentienjarig Ira-lid dat onder erbarmelijke omstandigheden in de gevangenis zit, en dat van John, een Brit die net een baan als cipier in diezelfde gevangenis heeft aangenomen. Hoofdstukken over Kathleen wisselen hoofdstukken over John zo consequent af dat een rigide stramien ontstaat, alsof de parallellen in beide levens er door de auteur krampachtig zijn op gelegd. Dit wordt versterkt door het feit dat Kathleen en John ook nog eens allebei 39 jaar zijn en allebei een zoon van negentien hebben.

Dean is goed in het beschrijven van de privéwereld van haar hoofdpersonen. De uitzichtloosheid van Kathleens bestaan - zoon in gevangenis, man altijd in de pub, zijzelf voortdurend de wanhoop nabij - is schrijnend.

John is al even gedesillusioneerd. Zijn werk is zwaarder dan hij had verwacht. De Ira-gevangenen die hij bewaakt weigeren het gevangenisuniform te dragen, omdat ze zichzelf als politieke gevangenen in plaats van als misdadigers zien. De gevangenisleiding ontzegt hen daarop het gebruik van sanitaire voorzieningen, waardoor ze naakt in sterk bevuilde, stinkende cellen zitten. Het is winter. De ramen zijn kapot en worden niet vervangen omdat de gevangenen die zelf hebben ingegooid.

Vreemd in een boek over een land dat in zo’n bloedige burgeroorlog is verwikkeld, is dat de politieke en religieuze achtergronden van het conflict nergens worden beschreven. De lezers weten dat Kathleen in het katholieke getto van Belfast woont, en John in een protestantse buitenwijk van dezelfde stad, maar hoe die scheuring tussen verschillende groeperingen is ontstaan en wordt beleefd, blijft onbesproken.

Dean heeft duidelijk gekozen: ze beschrijft het persoonlijke, niet het politieke of religieuze. Maar in een strijd waarbij het persoonlijke zo met het religieuze vervlochten is, leidt dit tot vreemde hiaten in de tekst. Zo zegt Kathleen tegen haar kapelaan: ,,Wij zijn niet de enigen die naar de kerk gaan, de protestanten gaan naar hún kerk. U mag me vertellen waarom. Worden er verschillende verhalen verteld? Krijgen zij te horen dat ze hun buren verrot moeten schoppen?’’ Als lezer verwacht je nu een antwoord, een overpeinzing of discussie over het conflict, een bepaald inzicht of pleidooi, maar dat blijft uit.

Ook John kent momenten van verwarring: ,,Doden voor een zaak waar je heilig in gelooft heeft geen enkele zin. Je kunt iemand niet van mening doen veranderen door hem te vermoorden.’’ Ook hier verwacht de lezer een reactie, een vraag, een uitleg van wie dan precies waarin gelooft, maar er komt niets.

Hoe historisch moet een historische roman zijn? Dean, die geschiedenis studeerde, beschrijft 1979 als het tijdperk van Pink Floyds ’Another brick in the wall’, van walkmans met cassettebandjes en van bivakmutsen. Dat klopt allemaal, maar daarmee is alleen een maatschappelijk-historisch kader geschetst. In een roman van ruim 300 bladzijdes mag je een bredere historische visie verwachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden