Review

'Zonder taal ben ik een steen'

Vijf was Aharon Appelfeld toen de jodenvervolging begon. Hij verloor zijn ouders, zijn land, zijn taal. In Palestina veroverde hij na jaren van spraakverwarring een nieuw idioom, het Hebreeuws. Carl Friedman las zijn memoires: ,,Appelfeld worstelt met de taal zoals Jakob met de engel.''

In 1937, op de leeftijd van vijf jaar, wordt Aharon Appelfeld overvallen door een voorgevoel van de ondergang van zijn familie. Met zijn ouders brengt hij, zoals gebruikelijk, de zomermaanden door op het platteland. Zonder enige aanleiding, terwijl er moerbeien met slagroom worden gegeten, raakt hij 'in de greep van een schrijnende smart en angst'. Hij barst in snikken uit. Zijn moeder neemt hem in haar armen, maar hij blijft huilen. ,,Ik weet dat dit de laatste zomer in het dorp zal zijn; van nu af aan wordt het licht donker'', aldus zijn zojuist in het Nederlands verschenen autobiografie 'Het verhaal van een leven'. De ontroostbare kleuter krijgt gelijk. Niet lang nadat de Appelfelds naar hun huis in de stad Tsjernovitsj zijn teruggekeerd, zal hun leven onherkenbaar veranderen.

Tsjernovitsj, tegenwoordig in Oekraïne, maakte destijds deel uit van Roemenië, waar een antisemitische regime in december 1937 een groot aantal joodse inwoners van hun staatsburgerschap beroofde. Later, toen Roemenië zich had aangesloten bij Hitler-Duitsland, maakte het zijn joodse bevolking rechteloos.

Buiten Duitsland is Roemenië het enige land geweest dat joden niet alleen heeft vervolgd, maar ook vernietigd. Daartoe richtte het, in de oostelijke provincie Transnistrië, zijn eigen doodsfabrieken in. Het is geen overbodige luxe om het levensverhaal van Appelfeld te lezen met deze kennis van zaken. De schrijver zelf geeft er geen uitleg over, en niet voor niets. Wie tijdens de oorlog volwassen was, aldus Appelfeld, regi streerde gebeurtenissen, plaatsen en personen in overzichtelijke orde. Maar kinderen waren daartoe niet in staat. Bij kinderen is de herinnering een vergaarbak van beelden en andere zintuigelijke waarnemingen: ,,Soms is de geur van een gerecht, vocht in mijn schoenen of plotseling lawaai voldoende om me tot diep in de oorlog terug te voeren''.

In 1940 wordt zijn moeder in Tsjernovitsj vermoord. ,,Haar dood heb ik niet gezien, maar haar ene en enige schreeuw heb ik gehoord.'' Aharon en zijn vader worden gedeporteerd. Waarheen? Appelfeld noemt nergens de naam van het concentratiekamp. Volgens een onlangs in Die Zeit verschenen artikel is het Auschwitz geweest.

Maar het Duitse weekblad is, ironisch genoeg, aan het verkeerde adres. Het zijn nu eens geen Duitsers, door wie moeder Appelfeld de dood wordt ingejaagd en door wie vader en zoon op transport worden gesteld. Aharon en zijn vader strompelen, tijdens een maandenlange tocht over bemodderde wegen, met Roeméénse geweren in de rug naar een der Roeméénse dodenkampen, misschien naar Edineti, naar Bar, of het verder gelegen Bogdanovka.

Deze kampen hebben zich ongunstig onderscheiden van de door Duitsers beheerde vernietigingskampen, omdat er in het geheel geen voedsel aan de ingezetenen werd verstrekt. Gevangenen, zolang die over geld of sieraden beschikten, konden van hun Roemeense bewakers tegen hemeltergende woekerprijzen brood kopen, maar het merendeel van hen verhongerde.

Korte tijd na aankomst in het kamp weet de inmiddels achtjarige Aharon te ontsnappen. Hij vertelt niet hoe zijn vlucht in het werk gaat, maar hij beschrijft wel de jaren die volgen. Op zichzelf aangewezen zwerft hij door de bossen van Transnistrië. ,,Dat ik het bos inging herinner ik me niet, maar ik herinner me wel het moment dat ik voor een boom vol rode appels stond. Ik was zo verbijsterd dat ik naar achteren stapte. De stappen naar achteren herinnert mijn lichaam zich beter dan ik.''

Telkens weer blijkt dat hij zich zijn jeugdjaren niet geestelijk, maar vooral lichamelijk herinnert. Nu eens zetelt het geheugen in zijn voeten, dan weer in zijn vingers of zijn ogen. Het is deze kinderlijke beleving, die het verhaal betoverend maakt als een sprookje van Grimm. ,,Ik had het hardnekkige idee dat als ik maar het juiste pad zou vinden, dat pad me rechtstreeks naar mijn ouders zou voeren. De gedachte dat mijn ouders op me wachtten beschermde me de hele oorlog door.'' En: ,,Soms bleef ik urenlang staan in afwachting van mijn ouders. In de loop der tijd sprak ik bij mezelf voortekenen af die op hun terugkomst moesten duiden: als de wind krachtig zou zijn, als ik een wit paard zou zien, als de zonsondergang zonder vuur zou zijn.''

Drie jaar zwerft hij rond. In de winters vindt hij onderdak bij dorpelingen: vijandige vreemden tegenover wie hij zijn ware identiteit moet verhullen. Zwijgen wordt niet zozeer zijn tweede natuur, maar zijn éérste: de enige manier om zijn huid te redden.

Na zijn bevrijding, als 13-jarige, trekt hij met andere joodse overlevenden naar Italië, waar hij zich inscheept voor Palestina. Hier opent zich voor hem een nieuwe wereld, maar uitsluitend ten koste van de oude. Want het motto aan migranten uit Europa is: ,,Vergeet! Pas je aan! Wees zoals wij!''

Vooral de eerste jaren in het land zijn voor Aharon een kwelling. Hij leert Hebreeuws, maar spreekt de woorden met tegenzin. ,,Er lag geen enkele warmte in. Ernstiger nog: ze klonken als bevelen.''

Terwijl deze 'taal van soldaten' hem met geweld wordt opgelegd, kan hij zich nauwelijks meer uitdrukken in zijn moedertaal, het Duits.

Ook het Jiddisch, de taal van zijn grootouders, kent hij gebrekkig, net als het Roetheens dat in zijn geboortestad Tsjernovitsj werd gebezigd. Hij heeft slechts één jaar lager onderwijs gehad. De tijd erna heeft hij hoofdzakelijk zwijgend doorgebracht. Daardoor krijgt hij in Palestina niet alleen moeilijk aansluiting bij anderen, hij is ook afgesneden van zichzelf. ,,Wat zal ik doen zonder taal? Zonder taal lijk ik op een steen.''¹

Zonder taal voelt hij zich uit zijn eigen herinneringen verbannen. Het is of Appelfeld, met de woorden van Nabokov, wanhopig roept: ,,Geheugen, spreek!'' Het verhaal van zijn leven is vooral het verhaal van een worsteling met de taal.

Die strijd lijkt hij te hebben gewonnen: tientallen boeken zijn er inmiddels van hem verschenen. Maar de schijn bedriegt. In werkelijkheid is hij ook in de taal een vreemde gebleven, een kind verdwaald in het bos: Klein Duimpje in Transnistrië. Op elke bladzijde zien wij hem zoeken, stamelend, als het ware op de tast. En nooit slaagt hij erin de weg naar huis terug te vinden. Dat is nu juist het uitzonderlijke van zijn proza.

En dat maakt ook de tekst op de boekomslag zo misplaatst. 'Hij is een waardig opvolger van Kafka', staat daar, een onnozele kreet uit The New York Times Book Review. Het werk van Appelfeld heeft niets gemeen met dat van Kafka of om het even welke andere schrijver. Aharon Appelfeld is in de literatuur een eenzame verschijning. Zijn stemgeluid, haperend en soms kinderlijk onbeholpen, is onvergelijkelijk. Hij heeft met de taal geworsteld als Jakob met de engel, en is er merkbaar kreupel door geworden.

Overigens duurt het gevecht nog steeds voort. ,,Ik heb al meer dan twintig boeken geschreven'', heet het. ,,Soms heb ik het idee dat ik nog niet begonnen ben. Soms heb ik het idee dat de volledige, gedetailleerde herinnering nog in me opgeborgen zit en dat die wanneer hij uit zijn schuilplaats opduikt, krachtig en onstuimig dagenlang zal vloeien.'' Misschien moeten wij als lezers hopen dat dat ogenblik nooit aanbreekt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden