Review

Zonder huis, thuis of dak boven het hoofd

Nederland kent veel trouwe Austerfans. Die worden door ’Sunset Park’ weer goed bediend: het spel met de taal is briljant, de ontknoping spannend. Maar Austers filmische stijl houdt je wel op afstand.

’Wij zijn allemaal alleen in onze kamers, onze hoofden”, vertelde de Amerikaanse schrijver Paul Auster begin 1990 aan Rudi Wester in deze krant. „Dat probeer ik in mijn boeken tot uitdrukking te brengen.” Auster was nog niet zo heel bekend in ons land en voelde nog geen schroom zijn grootste drijfveer prijs te geven.

Hij vervolgde met de opmerking dat ook de taal tekortschiet om de menselijke eenzaamheid op te lossen. De liefde misschien niet, mijmerde hij. Twintig jaar en zestien romans later weet de lezer dat ook die geen zekerheid biedt. Uiteindelijk zijn wij eenzame, op onszelf aangewezen zielen. Door toeval gedreven dwalen we rond, gevangen in de door Austers altijd zorgvuldig opgeroepen geestelijke en sociale labyrinten.

Dit leidmotief, eerder Europees-pessimistisch dan Amerikaans- hoopvol, typeert Austers werk. De vervreemding wordt nog eens geaccentueerd door zijn koele stijl. Anders dan bij John Updike of Philip Roth lijken zijn personages nauwelijks door emoties of sentimenten te worden gedreven. Maatschappelijk mislukt of in elk geval nooit goed uit de verf gekomen zijn ze niettemin op zoek naar zichzelf, naar een vader, een geliefde of iets anders dat ze ooit zijn kwijtgeraakt. Zo speurt de ik-figuur uit ’Het spinsel van de eenzaamheid’ als een detective naar zijn vader en probeert de gescheiden en teruggetrokken A. in het tweede deel van Austers New York-trilogie te achterhalen waarom het mis ging tussen hem en zijn vrouw. En dan is er het onovertroffen personage meneer Blanco uit ’Op reis in het scriptorium’. Op een dag wordt hij (kafkaesk!) wakker in een onbekende kamer, waarin hij min of meer verpleegd wordt. Hij zit op de rand van zijn bed, ontwaart een onbekend manuscript, ’Nimmerland’ geheten, en ontdekt een microfoon en een camera die al zijn geluiden en bewegingen registreren. Wanhopig probeert hij wat losse eindjes aan elkaar knopen in de hoop vat te krijgen op zijn bestaan. Zo eindigt de dag bij meneer Blanco zoals-ie op de eerste bladzij begon en gaat het licht (letterlijk) uit.

Ook in Austers nieuwste, aanvankelijk wat stroef, maar gaandeweg soepeler vertaalde roman ’Sunset Park’, gaat het licht aan het eind uit, in zoverre dat alle hoop verloren lijkt. En net als meneer Blanco leeft de hoofdpersoon, Miles Heller, in een vacuüm. Hij verkeert in toekomst noch verleden, uitsluitend in het hier en nu. „Hij is achtentwintig, en voor zover hij weet heeft hij geen ambities. In ieder geval geen vurige ambities en geen helder beeld van wat het bouwen aan een mogelijke toekomst voor hem zou kunnen betekenen Als er één ding is wat hij heeft bereikt in de zevenenhalf jaar sinds hij de universiteit heeft verlaten, dan is het wel het talent om in het heden te leven, om zich te beperken tot het hier en nu Geen plannen hebben, dat wil zeggen geen verlangens en geen hoop, tevreden zijn met je lot, accepteren wat de wereld je iedere dag weer toebedeelt.”

Aanvankelijk zijn er nog twee dingen die Hellers vacuüm vullen: zijn baantje als fotograaf voor een projectontwikkelaar in Florida en zijn liefde voor een minderjarig meisje van Cubaanse afkomst, Pilar Sanchez. Vooral dat baantje heeft symbolische betekenis. Miles’ opdracht behelst het fotograferen van de interieurs en inboedel van meestal in grote haast verlaten woningen: gevolg van de recente hypotheekcrisis. Over ontheemding gesproken. Deze foto’s, en zijn liefde voor Pilar vormen Miles’ enige vastigheid, tenzij je zijn lichte obsessie voor bizarre honkbalfeitjes daar ook toe rekent.

Zo begint het boek typisch austeriaans. Maar Auster zou Auster niet zijn als hij het tijdelijk gevulde vacuüm ook niet spoedig weer zou leegzuigen. Juist als de jonge fotograaf begint te geloven in een toekomst met Pilar, wordt hij gechanteerd door haar zus en moet hij vluchten. Hij reist terug naar zijn geboortestad New York, waar hij dankzij zijn oude schoolvriend Nathan Bingham een kamer vindt in een kraakpand in Sunset Park, in het oude deel van Brooklyn. Het vormt de opmaat tot een vrij onverwachte en zeer meeslepende ontknoping, waarbij het kraakpand ontruimd wordt en Miles alles uit handen wordt geslagen. Het grote thuiskomen dat in de lucht hing, wordt in één klap weggevaagd.

Vooral de manier waarop Auster dan speelt met alle mogelijke klanken en betekenissen van de woorden huis en thuis- of dakloos, is indrukwekkend. Maar zijn briljante, in de loop der jaren ook steeds verder vervolmaakte spel met de taal heeft een keerzijde. Want zijn hoofdfiguren krijgen minder aandacht, en door de afstandelijke manier waarop Auster hen neerzet, is het vrijwel onmogelijk je met hen te identificeren. Ook in het geval van Miles Heller lukt dat niet. Als in een film zie je wat hem overkomt, maar nooit voel je wat hij doormaakt. Zelfs als blijkt dat hij zijn halfbroer heeft vermoord door hem een fataal zetje te geven, zo, de autoweg op, wint de kille onvermijdelijkheid het van de ongetwijfeld niet minder hoog opgelopen bloeddruk.

Nu weet ik wel dat de meester het zo en niet anders bedoeld heeft, maar toch, na twintig jaar krijgt Austers methode iets voorspelbaars en gekunstelds, die je doet verlangen naar een schrijver als Updike, of naar Philip Roth, zoals die in ’Alleman’ het uitzichtloze en vinnige gevecht met onttakeling, weemoed en jaloezie neerzet. Minder filmisch, maar wel zo dat je werkelijk in het hoofd van een ander binnenstapt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden