Zoeken naar Zeeuwse stinzenplanten

Waarom is het toch altijd koud, als ik naar stinzenplanten ga zoeken? Dat heb ik al meegemaakt in Friesland en nu dan in Zeeland. Het antwoord ligt voor de hand: de mooiste tijd voor stinzenplanten is april, een maand toch met veel gure dagen.

We zijn dit jaar vroeg. Dat komt omdat de natuur in dit kille voorjaar minstens veertien dagen achterloopt bij vorig jaar en je toch onwillekeurig bij het plannen maken naar dat vorige jaar kijkt.

Pas in de middag komt de zon door, eerst schraal, later guller, maar de noordenwind maakt het onaangenaam. Gelukkig lopen we in de luwte van de duinen tussen Oranjezon en Domburg: de Manteling van Walcheren. De smalle duinstrook is al eeuwen geleden met hakhout beplant om overstuiven van velden en dorpen achter deze zeewering te voorkomen.

Daar liggen nog landgoederen met een stinzenflora, die tamelijk veel overeenkomst vertoont met die in en bij Haarlem. Toch hebben de Zeeuwse landgoederen ook hun specialiteiten. Die zagen we al in boerentuintjes, die we 's morgens gepasseerd waren. In Vrouwenpolder was zo'n tuintje lichtgeel van de stengelloze sleutelbloemen. Die waren zelfs doorgedrongen in de grasberm, waar ze de eerste bloeiende knolboterbloemen gezelschap hielden.

Stengelloze sleutelbloemen zien we veel op deze dag. Elders in het land zijn ze inheems, maar in Zeeland zijn ze ooit als sierplant uitgezet en hebben ze als zogenaamde regionale stinzenplant standgehouden. De bloemen zijn gewoonlijk lichtgeel met een donkerder hart, maar in de boerentuintjes op Walcheren zagen we ook lilaroze en bijna wit bloeiende exemplaren.

Afgesloten

We moesten onze plannen aanpassen, omdat veel delen van landgoederen vanwege de dreiging van mond- en klauwzeer voor wandelaars waren afgesloten.

Van het landgoed Overduin bij Oranjezon krijg je voornamelijk iets te zien vanaf de Koningin Emmaweg. Ten zuiden van dit pad ligt het huis met het park, aan de overzijde het overbos, voornamelijk hakhout van es, iep, zwarte els en esdoorn, nu strubbenbos dat te ver is doorgeschoten. Het onderhout bestaat vooral uit aal- en kruisbessen struiken, waarschijnlijk uitgezaaid door vogels.

Van de hofstede Overduin is al sprake in 1705. Het tegenwoordige huis werd in 1840 gebouwd in neo-klassieke stijl en samen met het park tot een buitenplaats ingericht. Het park bij het huis is aangelegd in de Engelse landschapsstijl met een meanderende vijver, verrassende doorkijkjes en verdwijnpunten.

Zichtlijn

Opmerkelijk is het vele dode hout, dat in het park is blijven liggen, wat sommigen rommelig zal lijken, maar wel bijdraagt tot de romantische sfeer van zo'n oude buitenplaats. Taxussen, linden, beuken, paardekastanjes en vleugelnoten zijn de voornaamste bomen, rododendrons, thuja's en forsythia's de belangrijkste heesters in het park. De zichtlijn vanuit het huis naar het duingebied aan de overzijde van de Emmaweg wordt met name door flankerende zomereiken geaccentueerd.

Bosanemonen in volle bloei vormen een witte vlek in het bos voor het huis. Er staan ook stengelloze sleutelbloemen op natte plekken, die voor het overige een dicht kleed dragen van speenkruid tot op de steile oevers van een sloot naast de weg. Overal lopen wissels van reeën dwars over de weg, het duidelijkst op de modderige plekken, waar ze tegen de slootoever moesten opklauteren. Die uittreeplaatsen zijn omgewoeld door de puntige hoefjes. Tussen de reeënprenten op het pad ontdekken we ook het spoor van een vos.

Stinzenmilieu

Kool- en pimpelmezen roepen dichtbij. Van ver klinkt het melancholieke lied van een grote lijster, meteen gevolgd door de honende lach van een groene specht. Zwermen kauwen kakelen in de bomen en een holenduif laat een eentonig 'hoe... hoe... hoe...' horen.

In de berm staan pollen gewone vogelmelk. De bladsprieten zijn door de reeën afgeschoren. Speenkruid, kraailook, look-zonder-look, fluitenkruid, geel nagelkruid, dagkoekoeksbloem, robertskruid, zevenblad en grote brandnetel groeien overal in het bos. Die soortencombinatie vind je vaak samen met stinzenplanten. Het reuzenzwenkgras, dat we op een enkele plek in het bos tegenkomen, is ook zo'n wilde soort van het stinzenmilieu.

Tussen de brandnetels bloeit het gevlekt longkruid met voornamelijk blauwe en een paar roze bloemen. Hein Koningen, beheerder van de Amstelveense heemparken en stinzenplantenkenner, die dit Walcherense landgoed al eerder heeft bezocht, denkt dat het verschil in kleur te maken heeft met de bodemvochtigheid. Wijzend op de lichtgroene vlekken op de bladeren zegt hij: ,,Dat is hét kenmerk van de wilde soort. De gekweekte vormen hebben zilverwitte vlekken.'

Aronskelken

Italiaanse en gevlekte aronskelk vormen dichte groepen pijlbladeren in het bos. De Italiaanse zijn te herkennen aan de witte nerven. Van de gevlekte aronskelk vinden we alleen ongevlekte planten. Volgens Hein is het blad donkerder groen, kleiner en smaller dan van de gevlekte aronskelken in het Amstelveense Thijssepark.

Een paardekastanje aan de Emmaweg 'maakt handjes'. Sleedoorns in het door klimop overwoekerde bos hebben zich gehuld in een sluier van witte bloesems. Een door de echte vuurzwam geheel verteerde stam van een grauwe populier ligt in het dichte struikgewas. We vinden een paar bloeiende maartse en bosviooltjes en zoeken naar de handjeshelmbloem, die nu is uitgebloeid en daardoor moeilijk te vinden. Ook de sneeuwklokjes bloeien niet meer, maar de pollen grijsgroene bladeren zijn onmiskenbaar.

In mei moeten delen van het parkbos blauw zien van de wilde hyacinten, nu alleen te herkennen aan het gladde groene blad. We komen dan graag nog eens terug. Dan bloeien ook de aronskelken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden