Review

ZO DE OUDEN ZONGEN, PIJPEN DE JONGENPadvinders roken niet en ook Kuifje steekt nooit een sigaret op

Jean Nicot, de Franse ambassadeur in Lissabon, stuurde in het midden van de zestiende eeuw wat zaadjes van de tabaksplant naar zijn werkgeefster Catharina de Medici, koningin van Frankrijk, vandaar de naam: nicotine. En of het woord 'tabak' nu van het West-Indische eiland Tobago komt, de Mexicaanse provincie Tabasco of van het Spaanse woord 'tabacos' voor de rieten pijpjes waarmee de Indianen bij aankomst van Columbus in Amerika door de neus bleken te roken, weten we niet maar wel dat de naamgevers weinig eer meer in hun vernoeming kunnen leggen.

ROB SCHOUTEN

Tabak is sinds de jaren vijftig van deze eeuw het meest gestigmatiseerde genotsmiddel van de mens. Dat is wel eens anders geweest. Zo leest men in een oude encyclopedie van rond de eeuwwisseling met verbijstering de volgende woorden: “Tabak heeft bij matig gebruik een kalmerende en stimulerende werking en is een van de minst schadelijke genotmiddelen, dat zich makkelijk aanpast aan de individuele behoeften en krachtige mensen ook bij decennialang gebruik niet schaadt.”

Alsof je er beter van werd en dat dacht men aanvankelijk ook. Toen de Spanjaarden het spul vanuit Centraal-Amerika in Europa introduceerden, schreef men er algemeen medische werking aan toe. De Indianen, bij wie ze het gebruik ontdekt hadden, gebruikten het ook al als zodanig. De sjamanen rookten de tabak vanwege de hallucinerende werking, die kort maar krachtig optrad en waardoor ze even in contact met de wereld der geesten traden en vandaar hun genezende instructies ontvingen. Het was in dit geval dus niet de patiënt maar de arts die het medicijn nam.

Pas sinds in de jaren vijftig Amerikaanse artsen het verband tussen tabaksgebruik en longkanker ontdekten, raakte tabak en vooral de sigaret, medisch gesproken in het slechtst mogelijk blaadje.

In de negentiende eeuw stond het daarentegen nog zeer aristocratisch om sigaretten te roken en wie de Amerikaanse films uit de jaren veertig en vijftig bekijkt moet wel tot de conclusie komen dat het roken van een sigaret een kwestie van glamour, onafhankelijkheid en erotische aantrekkingskracht was. Een mooie opbloeiende relatie zonder begeleidende tabakswolk is nauwelijks denkbaar en wat is er mooier dan je liefde uitdrukken door je sigaretten met elkaar te delen?

Natuurlijk vernam men in de loop van de tabaksgeschiedenis in de beschaafde wereld ook bezwaren, soms van medische maar vooral van morele en religieuze aard. In het negentiende-eeuwse Engeland raakten de anti-rookcampagnes in handen van religieuze non-conformisten. Iemand als Lord Baden-Powell verklaarde met trots dat padvinders niet rookten. Ook de voorbeeldige reporter Kuifje steekt er nooit een op. Maar veel hielp het niet. De sigaret ontwikkelde zich in onze eeuw tot een democratisch, laagdrempelig genotsmiddel van de eerste orde.

Kunst en literatuur boekstaven het aanzien van het roken en de roker door de eeuwen heen. In het calvinistische Nederland van de zeventiende eeuw (overigens zelf een van de grote tabaksverhandelende naties) werd het roken vooral in verband gebracht met ijdel tijdverdrijf. De pijpen die op diverse vanitas-stukken uit die tijd werden afgebeeld moesten de toeschouwer confronteren met de vergankelijkheid van het bestaan: de tijd ging in rook op.

Vanuit de stillevenkunst belandde het embleem ook in de genre-kunst. Op heel wat schilderijen van bijvoorbeeld Adriaen Brouwer, Adriaen van Ostade en Jan Steen wordt stevig gesmookt. De gedachte dat die schilderijen slechts waardevrije realistische afbeeldingen van bestaande praktijken waren, is allang verlaten. Jan Steen bijvoorbeeld wordt tegenwoordig vooral als een moralistisch schilder geïnterpreteerd. Op zijn schilderij 'Zo de ouden zongen, pijpen de jongen' is het dan al heel ondubbelzinnig. De vader geeft zijn zoon een pijp te roken, ter illustratie van de morele neergang van een familie.

Overal komt men rokende lieden tegen, maar wie even oplet ziet dat het altijd boeren, soldaten of handwerkslieden zijn. De hogere heren keken wel uit om zich met rookwaar en al te laten vereeuwigen. Roken stond immers voor zorgeloze dwaasheid. Het werd vervolgens ook geassocieerd met morele bandeloosheid. De vele gebroken pijpen die je op zeventiende-eeuwse afbeeldingen tegenkomt dienen als symbool voor een onwettige relatie. Vrouwen die op die schilderijen roken zijn steevast hoeren of koppelaarsters.

Op een van Steens schilderijen ligt de man al in bed terwijl hij de jurk van de vrouw optilt. Links onder ligt een pijp op een pot. De pijp uitkloppen betekende ook: een bordeel bezoeken.

De zeventiende-eeuwse burleske dichter Godschalck van Focquenbroch schreef een 'Sonnet op een pijp, die hy niet aen kon houwen'. Het begint erg hoogdravend met veel gouden zon, hemels vuur en goddelijk licht, maar eindigt verrassend vulgair: 'Ick sal tot uwer eer een Hoog Altaer doen bouwen / Soo ghy maeckt dat dees Pijp die schier geen vuur wil houwen / Mee even eens als ghy, altijdt ontfonckt mach syn.' De seksuele toespeling is haast onmiskenbaar.

Tabaksgebruik is overigens nooit aan rangen en standen gebonden geweest. Van hoog tot laag rookte, snoof of pruimde men. Dat wil zeggen de mannen. Een vrouw die rookte deugde niet of baarde er minstens opzien mee - George Sand is bekender geworden vanwege haar sigaren dan om de romans die ze schreef.

Bij Charles Dickens, in wiens boeken op uitgebreide schaal tabak wordt gerookt door goed en slecht, treedt slechts één vrouw op die een klein zwart pijpje rookt, Mrs Brown uit 'Dombey and Son'. Zij kidnapt de kleine Florence Dombey en steelt haar kleren. Boodschap: hoed u voor rokende vrouwen.

Een van de grootste rokers in de literatuur is natuurlijk Sherlock Holmes, die zich van pijproker langzamerhand tot sigarettenroker ontwikkelt. Voor hem is roken vooral een kwestie van inspiratie opdoen. De oplossing van een probleem vergt bijvoorbeeld 'drie pijpen'.

Hij is niet alleen grootgebruiker maar ook specialist. Menige misdaad wordt door hem opgelost doordat hij achtergebleven sigareneindjes weet te determineren of aan een achtergelaten pijp ziet of iemand linkshandig is of buitengewoon gespierd. In 'The Red Circle' stuit Holmes op een sigaretteneindje dat helemaal is opgerookt. Dat moet dan door iemand zijn gebeurd die geen gezichtsbeharing heeft, concludeert hij. En inderdaad: het blijkt een vrouw te zijn.

Dat Holmes van de pijp overstapt op de sigaret illustreert iets. In de twintigste eeuw neemt het roken van sigaretten, na de uitvinding van de Bonsack-machines die een eind maakte aan het tijd- en geldverslindende rollen met de hand, een hoge vlucht.

Ook vrouwen mogen nu. Op schilderijen van bijvoorbeeld de Duitse 'Neue Sachlichkeit' verschijnen ze: nonchalante vrouwen met een sigaret tussen de vingers. In Amerika wordt de rokende vrouw het symbool van onafhankelijkheid en vandaar arriveert het via het witte doek in Europa.

In het verhaal 'Tussen vuur en water' van Paul van Ostaijen zit de hoofdpersoon in een treincoupé en fantaseert over avonturen met een vrouw in diezelfde coupé. De droom wordt natuurlijk geen werkelijkheid en de geschiedenis eindigt als volgt:

“De dame wil een sigaret roken. Zij vraagt of ik vuur heb.

Wat is vuur?

Ik strijk een lucifer tot een vlammetje.'

Roken als het icoon voor seksuele spanning tussen mensen.

Maar er worden in de twintigste-eeuwse literatuur vooral ook zonder symbolische bijbedoelingen talloze sigaretten opgestoken. Bijvoorbeeld omdat men iets af moet reageren, zoals de hoofdpersoon in Frida Vogels 'De harde kern': “Ik nam nog een sigaret en luisterde. Maar ik moest me telkens verbijten om mijn gepraat van niets. De sigaret kreeg het te ontgelden, daar werd hard aan getrokken en onnodig mee door het asbakje gewreven.”

Of omdat men het niet kan laten. Zo vergaat het Homme uit W. F. Hermans' verhaal 'Homme's hoest':

“Met het peukje van zijn sigaret stak hij een andere aan. Hij gooide het peukje weg en barstte in hoesten uit.

“Zo'n mooie auto, herhaalde ze. Je bent mal.”

“De motor loopt slecht, omdat de benzine hier zo slecht is.”

Weer hoestte hij.

“Hoest jij altijd zo vreselijk?”

“Anders nooit. Het zal van de Bulgaarse sigaretten komen.”

“Rook ze dan niet. Wil je een slokje slivovitz?”

Geheel rookvrije zones zijn er vermoedelijk niet veel in de literatuur. Ik zou me kunnen voorstellen dat dat mede zijn oorzaak vindt in het feit dat heel wat schrijvers, om te schrijven, zelf een beroep op de stimulerende werking van tabak hebben gedaan. Hoe zou de literatuur van Sartre, Vestdijk en Hermans eruit hebben gezien als er geen sigaretten waren geweest?

De beroemdste roker in de literatuur is wel Italo Svevo, die zijn verslaving tot een van de voornaamste onderwerpen maakte in 'Bekentenissen van Zeno'. Steeds weer probeert de hoofdpersoon zijn laatste sigaret op te steken, vervuld van goede voornemens. Om zijn manie van de laatste sigaret een filosofische inhoud te geven verzint hij er wat op: “Je zegt met een prachtige vastberadenheid: 'nooit meer!' Maar wat blijft er van die vastberadenheid over als de belofte wordt nagekomen? Deze houding is alleen mogelijk wanneer het besluit hernieuwd moet worden.”

Dus is het zaak zoveel mogelijk laatste sigaretten op te steken: “Ik vind dat een sigaret een intensere smaak heeft als het de laatste is. Ook de andere hebben hun speciale smaak, maar die is minder intens. De laatste sigaret ontleent zijn aroma aan het gevoel van zelfoverwinning en de hoop op een naaste toekomst vol kracht en gezondheid. De andere hebben hun waarde omdat het opsteken ervan een soort demonstratie van eigen vrijheid is, terwijl de toekomst van kracht en gezondheid blijft bestaan, alleen wat wordt uitgesteld.”

De definitieve geschiedenis van de rol van tabak in kunst en literatuur is nog lang niet geschreven. Misschien moeten we daarop wachten tot sigaret, sigaar en pijp geheel en al uit het straatbeeld zijn verdwenen en een paffende hoofdpersoon een curiosum is geworden.

In het boek 'Ashes to ashes', dat zich ietwat pretentieus aandient als een geschiedenis van 'smoking and health' maar dat eigenlijk weinig meer is dan een verzameling lezingen voor een medisch congres, worden twee hoofdstukjes gewijd aan de rol van tabak in de beeldende kunst en de literatuur. Meer dan een aanzetje is dat niet. Er ligt nog een overweldigende hoop materiaal te wachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden