Review

Zo briljant was Vondel niet

Generaties lang werd het er ingehamerd: Vondel, Cats, P.C. Hooft: dat zijn onze gróte schrijvers. Maar Rob Schouten komt tot een heel andere conclusie. De Gouden Eeuw bracht, wat de literatuur betreft, geen genieën voort. Geen Corneille, zeker geen Shakespeare. ünze zeventiende-eeuwers probeerden vooral de klassieken te imiteren.

Rob Schouten

De zeventiende eeuw staat in ons land bekend als de Gouden Eeuw, vanwege de verbluffende prestaties op cultureel en maatschappelijk gebied. Wereldvermaarde schilderkunst, grootse literatuur, handelsgeest die zich wereldwijd ontplooide, bloei van zo’n beetje alles. Het kon niet op, lijkt het. Een onvermijdelijk gevolg is ook dat deze eeuw aan een soort overexposure is gaan lijden, met de eraan voorafgaande zestiende eeuw als een opmaatje en de volgende achttiende eeuw als een armetierig aftreksel. Alsof onze cultuur een eenmalig, eigenlijk nooit meer geëvenaard hoogtepunt beleefde met Vondel, Hooft, Rembrandt en dergelijke coryfeeën.

Maar hoogtepunten kunnen ook bar vervelend zijn en ons doen hunkeren naar minder ’gouden’ momenten. Dat gevoel beving me tijdens het lezen van ’Een nieuw vaderland voor de muzen’, het derde deel in de jongste geschiedenis van de Nederlandse literatuur, van Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt, waarin de periode 1560-1700 wordt behandeld.

In de voorgaande delen, ’Stemmen op schrift’ door Frits van Oostrom, over de vroegste Nederlandse literatuur, en ’Het gevleugelde woord’, door Herman Pley, over onze literatuur van 1400-1560, waren gerenommeerde essayisten aan het woord. Zij spanden als het ware een grote vertelboog over hun geschiedenis heen, waarmee ze je door die toch nog wat duistere tijden van onze letterkunde heen loodsten. Hun eigen stem was daarbij duidelijk hoorbaar, zeg maar zoals je in een boek als ’Herfsttij der middeleeuwen’ voortdurend de ideeën van Huizinga hoort. Zij konden dat ook doen omdat het corpus te bespreken teksten relatief minder groot was en er als het ware meer gaten waren te interpreteren.

In ’Een nieuw vaderland voor de muzen’ is een ander soort geleerden aan het woord, kenners van de materie, specialisten die alle hoeken en gaten hebben uitgeplozen, maar die niet zozeer met een overheersende eigen visie op ’hun’ periode komen.

Het kan in dit geval ook haast niet anders; wie de literatuur van de Gouden Eeuw adequaat in kaart wil brengen, moet het welhaast duizelen van de honderden kleine en grote auteurs die aan bod komen, van kanonnen als Hooft en Vondel en Cats en Huygens tot minores als Hendrick van Bulderen en David Lindanus, van wie vermoedelijk geen sterveling ooit eerder heeft gehoord. Dit is eerst en vooral een boek dat al deze kleine, soms zelfs ondermaatse auteurs in beeld wil en moet brengen.

Van een idee over wat nu precies literatuur was en wat niet, was bovendien in deze tijd veel minder sprake dan in onze tijd. En zo komen hier naast de toneelstukken en de befaamde lyrische gedichten der groten ook bijvoorbeeld liedboekjes, religieuze geschriften en zelfs pornografische werken aan de orde. Dat alles behoorde tot wat men in algemene zin de ’literatuur’ van de Gouden Eeuw kan noemen.

Men krijgt trouwens de indruk dat de auteurs het ‘literaire’ en filosofische gehalte van al die werken en werkjes vooral ook niet willen overschatten. Zo proef ik enige reserve jegens de opvatting van Leemans, geopperd in haar studie ’Het woord is aan de onderkant’, dat heel wat pornografische werken uit de laat-zeventiende eeuw een bijproduct zouden zijn van het nieuwe, verlichte en liberale denken van Descartes en Spinoza. Je moet het ook niet mooier en dieper willen maken dan het is, lijken Porteman en Smits-Veldt te denken.

De centrale gedachte in het boek wordt door de titel uitgedrukt: men probeerde de muzen, voorheen woonachtig in de antieke culturen en later vooral in Italië en Frankrijk, een nieuw onderdak in de Nederlandse taal te bieden. De Nederlandse taal en literatuur moesten kunnen wedijveren met de grote Europese letteren. In hun nawoord geven de auteurs toe dat dat slechts gedeeltelijk is gelukt. Hoe trots we ook kunnen zijn op onze laat-zestiende-eeuwse en zeventiende-eeuwse literatuur, ze heeft buiten onze landsgrenzen eigenlijk vrij weinig teweeg gebracht. Vader Cats had een kleine Duitse gemeente, Vondel scoorde enig succes in de Scandinavische landen maar van een internationaal succes, zoals de schilderkunst die met het werk van Rembrandt en Frans Hals wel degelijk kende, is geen sprake. De Nederlandse literatuur in die tijd is toch voornamelijk een binnenlandse aangelegenheid.

Dat zal allicht aan ons kleine taalgebied hebben gelegen maar toch ook aan de aard van de letteren zelf, die zich aanvankelijk vooral met de klassieken wilden meten en zich later aan bijvoorbeeld de grote Fransen, als Racine en Corneille, spiegelden.

Het concept van de ’Imitatio’, navolging van grote schrijvers uit het buitenland, komt in een andere studie uitgebreid aan de orde.: ’Imitatio, literaire navolging in de Europese letterkunde van de renaissance (1500-1700)’ door Jeroen Jansen. Die navolging moest men overigens ook weer zien te versluieren, waarbij men de originelen bewerkte ‘nae ’s landts gelegentheyt’ zoals P.C. Hooft het formuleerde. Wie beide boeken naast elkaar legt, begrijpt iets van het beperkte internationale succes van de Nederlandse literatuur, men keek toch nog voortdurend naar het buitenland. Soms zozeer dat alle originaliteit ver weg lijkt. Dat is bijvoorbeeld het geval in de werken van de flamboyante zeventiende-eeuwer Theodore Rodenburgh, die buitenlands werk dat hij vertaalde, voor eigen makelij door liet gaan en daar goede sier mee maakte. Plagiaat dus.

Alledaagser waren de praktijken van Vondel die zich voor zijn beroemde toneelstuk ’Jeptha’ of offerbelofte baseerde op een ouder toneelstuk van de zestiende-eeuwse Frans-Schotse humanist George Buchanan, die zijn stuk weer op het klassieke ’Iphigeneia in Aulis’ had geënt. Oorspronkelijkheid had in die tijd nog een heel andere betekenis dan tegenwoordig. Je kunt je dan ook voorstellen dat ze in het buitenland niet erg opkeken van die Nederlandse letteren, waarin bijvoorbeeld de Gijsbrecht van Aemstel zo zichtbaar gebaseerd was op Vergilius’ verhaal over Aeneas en de val van Troje en waarin de Nederlandse Historiën van Hooft nadrukkelijk teruggrepen op de Annales van Tacitus. In zekere zin zat het gevoel dat de moedertaal een nieuw tehuis aan de oude muzen moest bieden de Nederlandse literatuur als exportartikel dwars.

Door dat kijken naar grote voorbeelden en die pretentie dat ook de Nederlandse literatuur universele waarheden moest bieden, en natuurlijk ook omdat we ze allang met de paplepel ingegoten hebben gekregen, doen soms juist de grootste schrijvers uit die tijd wat ouderwets aan. De schatten liggen dan verborgen bij de kleine auteurs, bij een innige schrijver als Heijmen Dullaert of een dissident als Focquenbroch. Soms veer je zelfs op van een versje van de allerkleinste schrijvers, zoals de Zuid-Nederlandse pater Jan de Leenheer die over dichterlijke inspiratie en drankgebruik opmerkte:

Vol van veersen is den kop

Als hy vol is van dit sop.

Niets nieuws onder de zon.

In de vorige algemene geschiedenis van de Nederlandse letterkunde van Knuvelder waren voor de alles overschaduwende figuur van Vondel nog honderdvijftig aparte pagina¿s ingeruimd (mede vanwege diens de auteur welgevallige bekering tot het katholicisme, krijg je de indruk), in ’Een nieuw vaderland voor de muzen’ is Vondel nog steeds de schrijver met de meeste ’hits’, maar hij krijgt geen apart hoofdstuk meer maar wordt geplaatst in de stromingen en tendensen van zijn tijd.

Ook is er in deze geschiedenis veel meer aandacht voor vrouwenliteratuur die, hoewel in de marge, toch wel degelijk geschreven werd, terwijl ook het boekenbedrijf als zodanig uitgebreid aan bod komt. Die meer sociologische aanpak karakteriseert ’Een nieuw vaderland voor de muzen’. Het schetst de Nederlandse literatuur in de breedte, niet alleen in haar hoogtepunten. Een Gouden Eeuw dus, met een heleboel zilver en brons.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden