Zin in muziek

Zin in muziek: hoe luister je naar lijflijke rituelen?

Beeld Jorgen Caris

Muziek en zingeving, zijn die te combineren? Zeker wel, als je luistert naar topmusici uit alle windstreken en het begrip zin behapbaar opdeelt. Vandaag: zinnelijk. Hoe luister je naar lijflijke rituelen? ‘Plotseling begint er in de menigte iemand te zingen, een klaagzang tot de Heilige.’

“Flamenco is”, zegt flamencogitarist Eric Vaarzon Morel, “net als blues en jazz een vrij jonge muzieksoort.” Althans in de huidige vorm. Flamenco is waarschijnlijk ontstaan uit de muziek en dans die werden meegebracht door een op de vlucht geslagen volk uit Noordwest-India zo’n 1200 jaar geleden. Via Perzië en Noord-Afrika belandde dit reizende volk (‘zigeuners’) in Andalusië. In hun muziek en dans vermengden zich oosterse en westerse elementen.

Over de serie ‘Zin in muziek: luisteren met andere oren’

Filosoof en Denker des Vaderlands René Gude (1957-2015) ontleedde het vage begrip ‘zin’ in vieren: zinnelijk (lichamelijk), zintuiglijk (mooi), zinrijk (rationeel) en zinvol (doelgericht). Gude over het zinnelijke: “Lust is de vitale bron; zonder trek gebeurt er niets. Als we planten waren zou ik zeggen: Lust is de stuwende kracht die vanuit de wortels de bloemenpracht van vitaliteit voorziet.”

Peter Henk Steenhuis en Anne­mie­ke Huls verkennen met die bagage op zak de muziek. Tijdens acht avonden in Tivoli Vredenburg treden topmusici op en gaan ze over de zin van hun muziek in gesprek.

Wie? Eric Vaarzon Morel, Calliope Tsoupaki. Mmv harpiste Gwyneth Wentink.
Wanneer? 11 februari, 20-21.30 uur (zaal open 19.30)
Waar? TivoliVredenburg, Vredenburgkade 11, Utrecht
Entree? € 17,50 (bestellen via www.tivolivredenburg.nl)

‘Zin in muziek’ wordt mede mogelijk gemaakt met steun van Stichting Dialoog. 
Beluister de Zin in muziek-podcast: www.nporadio4.nl/zininmuziek

Vaarzon Morel: “In de tweede helft van de negentiende eeuw komen daar de cantes bij, de zangvormen, de gitaar en de dans. Daarvoor was het eigenlijk een primitieve zang, zoals je die in een smidse kon horen, bij het hameren op een aambeeld. Flamenco bestaat uit talloze rituelen, ik herken ook religieuze rituelen.”

In de twintigste eeuw kwam de flamenco meer op het podium terecht, waardoor de cantes gestileerder en verfijnder werden, maar niet aan kracht inboetten. Het is aan de kunstenaar – de zanger, gitarist, danser, danseres om de oorspronkelijke duende op het podium op te roepen in samenspraak met het publiek. Als dat lukt, ontstaat het kippenvelgevoel. Daar is elke flamenco-artiest naar op zoek, ik ook.”

Wat is duende?

Duende ligt ten grondslag aan alles wat flamenco is. Een moeilijke term, omdat iedereen ermee op de loop gaat. Als ik probeer uit te leggen wat duende is, ga ik graag te rade bij Federico García Lorca, de dichter die in 1936, tijdens de Spaanse Burgeroorlog, op 38-jarige leeftijd werd vermoord. Volgens Lorca had duende alles te maken met dionysische bezieling, extase, roes.”

“Ik heb het even opgezocht: ‘Vreugde, pijn, leven, dood’, schrijft Lorca, ‘ze zijn via de duende in mij verstrengeld. De duende bemint de wonde en brengt ons tot oorden waar de vormen samensmelten in één verlangen dat verre boven hun zichtbare verschijning staat. Een verlangen dat zowel erotische extase als doodsdrift kan zijn.’”

Eric Vaarzon Morel

Wie met de Nederlandse flamencogitarist Eric Vaarzon Morel (1961) correspondeert, wordt steevast in het Spaans begroet. Vaarzon Morel trok op zijn negentiende naar Spanje, waar hij woonde en werkte. In de jaren tachtig toerde hij met de Zwitserse groep ‘Fla­men­cos en route’ door Europa. Vaarzon Morel vestigde met zijn eigen band ‘Chanela’ zijn naam als gitarist en werkte onder anderen met trompettist Eric Vloeimans, gitarist Harry Sacksioni en acteur Gijs Scholten van Aschat.

“Duende is een raadselachtige macht die iedereen voelt en die geen enkele filosoof kan verklaren. Het is geen kwestie van gave, maar van ware levendige stijl; van bloed dus; van aloude cultuur, en, tegelijk, van daadwerkelijke schepping.”

“De roes wordt vaak in een adem met alcohol genoemd. De roes, de extase kun je ook bereiken dankzij de kunst, of het geloof in God, zoals ik lees in de gedichten van middeleeuwse mystici als Johannes van het Kruis en Theresia van Avila, van wie ik teksten gebruikt heb in mijn opera ‘El Greco de Toledo’.”

U noemt nu religieuze dichters die getuigen van hun geloofservaring. Deelt u hun geloof?

“Nee. Maar tijdens het schrijven van die opera kwam ik wel telkens bij religie uit, terwijl ik niet religieus ben opgevoed. Ik zal mezelf nooit atheïst noemen, dat vind ik zo’n boude term. Ik herken de ervaring van Johannes van het Kruis ook wel. Neem de tweede strofe van zijn gedicht ‘Una noche oscura’, ‘Donkere nacht’:

A oscuras y segura,
por la secreta escala, disfrazada,
¡oh dichosa ventura!
A oscuras y en celada,
Estando ya mi casa sosegada.

In het donker, geheel veilig,
Langs de geheime trap en in vermomming,
– en hoe had ik geluk! –
In ’t donker, ongezien ook,
Want alles in mijn huis lag reeds te slapen.

Eric Vaarzon MorelBeeld Jörgen Caris

Ik werk vaak ’s nachts. Op een keer ging ik om een uur of vier naar bed. Ik beklom de trap, alsof ik opsteeg op een ladder naar de hemel. En ik werd overvallen door liefde. Voor mijn gezin, natuurlijk, ze lagen te slapen, het huis was in rust. Maar die liefde zou je ook spiritueel kunnen zien, het was alsof ik per ongeluk zomaar ineens religieus werd.”

Dat religieuze, dat spirituele, wat heeft dat met flamenco te maken?

“Op het eerste gezicht weinig. Flamenco is aards, tierra, harde grond. De tapdanser is lichtvoetig, blijft boven de grond; de flamencodans stampt, de dans moet de grond in. Een flamencogitarist leerde mij ooit: ‘Je moet niet boven de snaren spelen, je moet het gat in.’ Hij bedoelde: het gat van de gitaar, die ‘zwarte houten waterput’, zoals Lorca dichtte.”

Wat is dan het verband tussen religieuze rituelen en flamenco?

“Flamenco verbindt: volk en musici, dansers en musici, volkse elementen en religieuze rituelen. Spanje is eeuwenlang overheerst door de Moren, dat zie je nu nog terug in de gebouwen als het Alhambra, de Mezquita – de kathedraal van Córdoba – en in de taal, in het woord flamenco, een samentrekking van twee Arabische woorden: felah mengu, vluchtende boer. Of in een uitroep als olé, een aanmoediging die je in flamenco hoort, maar ook bij het stierenvechten. Olé bevestigt de extase, de roes. Bij de flamenco hoor je het vooral als aanmoediging tijdens de cante, het lied, en bij de dans. Daarop antwoordt een ander deel van het publiek eso es!, zo is het!”

“Olé is waarschijnlijk afkomstig van Allah. Ik noem flamenco ‘de Oriënt in de Occident’; het Oosten in het Westen. De flamenco, de zang, dans en de muziek zitten vol oosterse, Moorse invloeden. Je hoort dat aan de melismen, het zingen van meer tonen op één lettergreep, en het gebruik van chromatiek en kwarttonen die gebaseerd zijn op Makamtoonladders uit het Midden-Oosten. De flamencogitarist imiteert de laud, de Arabische luit, waar net als bij een viool geen frets op zitten.”

“Maar flamenco zit ook vol invloeden uit het christendom. De flamencozangers zingen vaak over El Nazareno – Jezus – of een van hun vele heilige maagden, van María tot Esperanza en Macarena. Bijvoorbeeld bij de processies tijdens Pasen. Er is ook een ritueel voor de Kerst. Met de hele familie rondom een vuurpot kerstliederen zingen en dansen, thuis en bij bijeenkomsten in de barrios, de buurten. Zambomba noemen ze dat. De zambomba is ook een oud instrumentje dat bij het ritueel niet mag ontbreken. Bij ons heet het de foekepot, of de rommelpot, je komt de foekepot al tegen op schilderijen van Jan Steen.”

“En dan kennen we allemaal de beroemde processies tijdens de Goede Week. Nergens raken ritueel, religie en extase elkaar zo als tijdens het zingen van een saeta. De beelden van die processies zijn bekend: mannen met van die puntkappen op, die er luguber uitzien. En natuurlijk allerlei beelden van Maria, die kristallen tranen huilt. De paar keer dat ik de processie meemaakte, ontroerde dat me zeer.”

“Er staan dan duizenden mensen op elkaar gepakt in smalle stegen en op pleinen. Ze zijn muisstil. Ineens begint er dan vanaf een balkon iemand te zingen, a capella. Het zijn klaagliederen, het is lamenteren tot de Heilige. Dit kerkelijke gezang wordt meestal op een flamenco-achtige manier gezongen, waarvoor de stoet ook stopt. Omdat je niet weet wanneer het tijdens de processie ontstaat, is het zo bijzonder om mee te maken. Je probeert wel altijd op een plek te gaan staan, waarvan je vermoedt dat er een saeta zou kunnen klinken. Maar garanties zijn er nooit.”

Calliope TsoupakiBeeld Jörgen Caris

‘Lijflijk.’ Zo typeert Calliope Tsoupaki muziek. Ja, ook religieuze muziek. Tsoupaki brak in Nederland door met haar ‘Lucas Passie’ (2008). Vorig jaar componeerde ze ‘Lik­non’, in opdracht van November Music, een festival voor nieuwe muziek in Den Bosch, dat jaarlijks een componist de opdracht geeft een requiem te schrijven.

De dodenmis van Calliope Tsoupaki kent niet het gebruikelijke Kyrie, Sanctus en Agnus Dei. ‘Lik­non’ is een muzikaal gebed tot moeder Maria. Tsoupaki: “Het past binnen onze traditie van de Grieks-Byzantijnse dodenmis, waarin vaak gebeden zitten die voor Maria gecomponeerd zijn, als een schreeuw: help ons sterven, hoe kunnen wij waardevol sterven? De dag komt dat ik zal sterven, en ik ben nog niet klaar, ik heb mijn hele leven in duisternis doorgebracht en niets waardevols voor elkaar gekregen. Hoe kan ik licht worden? In ’Liknon’ druk ik de lichtheid van het sterven uit.”

Calliope Tsoupaki

Componiste des Vaderlands Calliope Tsoupaki (1963) komt uit Griekenland. Ze studeerde piano en muziektheorie aan het Atheense Hellinikon Conservatorium, maar kwam naar Nederland voor de muziek van de Nederlandse componist Louis Andriessen, bij wie ze in 1982 afstudeer­de aan het Koninklijk Conserva­torium in Den Haag. De Lucas Passie is haar bekendste werk. Hierin com­bi­neert en contrasteert ze moderne West-Europese klassieke muziek en de Byzantijnse muziek van Oost-Europa.

De vragen die u net stelde, lijken me alles­­behalve licht.

“Tijdens het stervensproces van mijn vader had ik het gevoel te zweven; de gebeurtenis kreeg iets psychedelisch. Ik zat naast zijn bed, het gevoel van tijd vervaagde, één minuut kon tien minuten duren en andersom. Ik wist dat ik de verwachtingen die ik van mijn vader had, moest loslaten. Mijn compositie is misschien wel een hallucinerend gebed, waarin ik Maria voor me zie, als een engel. Ik zie de hemel, de nacht, het zwart van de nacht.”

Tsoupakis liet zich inspireren door het icoon van Panagia Myrtidiotissa, de Madonna van Mirte op het Griekse eiland Kythira. Het opmerkelijke van het icoon is dat het gezicht van Maria volledig zwart is. “Het is schoonheid in de duisternis. Bij een stervensproces kijken wij allemaal naar het gezicht van een onbekende.”

Schoonheid in de duisternis – is dat ‘licht’?

“Ik zag bij mijn vader hoe gemakkelijk zijn sterven ging, bijna luchtig. Luchtig, én tegelijkertijd zwaar – voor mij was het zwaar natuurlijk.

“Licht vind ik ook het besef dat alles eindig is. We zwoegen, ploeteren; ik ben verantwoordelijk voor alles wat ik doe. Maar er komt een moment dat we het mogen loslaten, dat gevoel geeft iets lichts aan de tragiek van ons dagelijkse bestaan.”

Hangen geloof en gevoel samen?

“Voor mij zijn ze één: als ik de dingen niet voel, kan ik er ook niet in geloven. Geloof kun je niet uitleggen, dat komt van binnenuit. Geloof is voor mij geen intellectuele kwestie.”

“De Griekse kerkdienst is heel lichamelijk: de kleuren, de iconen, de wierook, het geroezemoes, de onrust tijdens de viering – bij ons zijn de rituelen van de religie tastbaar. Je zintuigen worden geprikkeld, ze leiden je naar dat specifieke gevoel dat je in de kerk krijgt. In mijn requiem druk ik primaire gevoelens uit die van binnenuit komen.

“Aan de reacties op ‘Liknon’ merk ik dat die gevoelens ook bij het publiek worden opgeroepen. Nederlanders hoesten veel tijdens concerten, maar tijdens deze uitvoering werd het stil. Vaak hebben bezoekers van een concert het idee dat muziek ook een beetje vermakelijk moet zijn. Na zeventig minuten durfde nu niemand te klappen, men was te veel onder de indruk om de gebruikelijke afsluitende handeling van het concert te verrichten.”

Waardoor kwam dat?

“Misschien doordat ‘Liknon’ niet gaat over de dood als herfststorm, maar eerder over het besef dat de dood ook een avontuur zou kunnen zijn, een mooie reis: je zit in een boot en vaart onder een blauwe hemel de zee op.”

Uw muziek is zo’n rituele reis?

“Ja. Rituelen brengen ons weer samen. We hebben doordeweeks allemaal onze eigen gedachtes, gevoelens, zorgen. We zitten vast aan onze dagelijkse handelingen. En dan, tijdens dat religieuze ritueel, kunnen we dat allemaal loslaten en samen opgaan in de viering. Dat geeft het ritueel zo’n diep, verbindend gevoel, in de kerk, maar net zo goed in de concertzaal.” 

Dit verhaal is deel vijf van de serie ‘Zin in muziek’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden