Poëzie

Zijn het niet de terloopse opmerkingen die juist het meest bijblijven?

Beeld Trouw

Zijn het niet vaak de terloopse opmerkingen die je het meest bijblijven? Zijn het niet de achteloos uitgesproken zinnetjes, die als een flikkerend verkeerslicht in je hoofd blijven knipperen? Dit gedicht van Kira Wuck komt, sinds ik het een tijdje terug voor het eerst las, zo nu en dan spoken. Laatst was het weer even indringend aanwezig. Drie woorden uit dit gedicht maakten dat ik mijn capuchon opzette. Drie tamelijk onopvallende woorden: ‘ergens zag iemand’.

Ik stond in de rij voor een geldautomaat, eentje met cameratoezicht. Ergens zou iemand straks zien dat ik vijftig euro nodig had. Ergens zou iemand een kijkje krijgen in mijn leven. Ik vond het een onbehaaglijk idee, vandaar die capuchon. De fietser in dit gedicht daarentegen, lijkt die camera’s juist op te zoeken, lijkt het prettig te vinden om op beeld vastgelegd te worden. Dat iemand het onnutte gepruts met de banden gadeslaat, het getreuzel bij het verkeerslicht, het wegfietsen. Is dat omdat er niemand ­anders is die dat doet? Dat zien?

Ergens zullen de blik van een anonieme beveiliger, die camerabeelden bekijkt terwijl hij zijn appeltje eet, en het leven van de fietser elkaar kruisen. Even maar, en dan is de fietser alweer voorbij: ‘tot ik de stad uit was’. Is het niet vooral een heel eenzaam gedicht?

De troost dat iemand je ziet

“Je kunt elke dag / precies dezelfde route lopen (…) / zonder dat iemand doorheeft wie je bent’, is elders in de bundel te lezen. Een mens kan op een dag tal van doodgewone of buitenissige handelingen verrichten, maar die krijgen iets zinloos als er niemand is die het allemaal ziet: “jezelf in kleine ruimtes proppen / dicht bij iemand gaan staan om zijn geur op te vangen”. Zien en niet gezien worden, daar draait het om in deze regels. Of zoals Wuck het pregnanter zegt: “er zijn plekken waar de zon nooit komt / ook daar wonen mensen”. 

Mensen die in het donker leven, uit vrije wil of eigenlijk niet, ze bevolken ook Wucks verhalen. Neem de aan vette snacks verslingerde taxichauffeuse, die zelfs als mensen haar aankijken het gevoel heeft alsof ze niet bestaat: “Alsof ik nooit op de plek ben waar ik denk dat ik me bevind, maar altijd veertig centimeter daarnaast”. Je zou er een pleidooi voor minder onverschilligheid in kunnen lezen. Waarom niet even iemand aankijken, waarom geen praatje maken?'

 Of biedt het idee dat ergens iemand ziet wat die camera zoal vastlegde, ook een vorm van troost? Dat geld dat je gepind hebt, de route die je fietste, dat ‘dansen tot je spierpijn krijgt’, het is niet onopgemerkt gebleven.

Er was een tijd dat ik
op weg naar jouw huis
alle camera’s telde
die mijn beweegredenen vastlegden

ergens zag iemand hoe ik
te lang op een kruispunt bleef staan
de banden van mijn fiets controleerde
wachtte tot het stoplicht meerdere keren versprong
voordat ik naar je toe reed
in bogen die steeds groter werden
tot ik de stad uit was

Kira Wuck

Kira Wuck
De zee heeft honger
Podium; 56 blz. € 18

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden