Ziener Theo van Doesburg was vooral inspirator

De schilderijen voor de tentoonstelling 'Theo van Doesburg, architect, schilder, dichter' komen overal vandaan, tot aan prominente verzamelingen in de Verenigde Staten aan toe. Dat is verrassend, want van Mondriaan, die andere grootheid van De Stijl, wisten we wel dat hij internationaal vermaard was (hij woonde in de oorlog tot aan zijn dood ook in New York), maar Theo van Doesburg leek op zijn minst slechts een Europees fenomeen, als het niet slechts een Nederlands fenomeen was. De dubbelexpositie in het Centraal Museum in Utrecht en het Kröller-Müller Museum in Otterlo loochenstraft dit beperkte zicht op het oeuvre van Van Doesburg.

Het beeld dat van Van Doesburg wordt geschetst in Utrecht en Otterlo, is dat van een ziener, een denker, een spil in het web van modernisten die Parijs als clubhuis hadden, maar bovenal dat van een artistieke uitvinder die ieder nieuw werk als een opstap naar een nog nieuwer werk zag.

Van Doesburg is alom aanwezig in de tentoonstelling. En zo wilden de samenstellers het ook. Zijn werk hangt aan de muren en ligt in vitrines (een kleine 500 nummers uit een oeuvre van 3000 werken), de wanden zijn beplakt met reusachtig opgeblazen zwartwitfoto's van Theo en zijn vrouw Nelly, en deels over die foto's staan in koeienletters uitspraken van de kunstenaar. Vooral die uitspraken maken Van Doesburg erg aanwezig, het is alsof je de kunstenaar de teksten op besliste toon hoort declameren. Hun inhoud is bijna zonder uitzondering verkondigend en ponerend.

Van Doesburg had sterke opvattingen over kunst en ventileerde die waar hij maar kon. In het mede door hem opgerichte tijdschrift 'De Stijl', in zijn kunstwerken, in lezingen met lichtbeelden via een toverlantaarn door heel Europa en in gesprekken met vrienden en collega's. Gesprekken, het kunstdiscours, waren bij Van Doesburg een onlosmakelijk onderdeel van het kunstmaken. Ze waren feitelijk kunstwerk op zich. In de atelierwoning in Meudon, die Van Doesburg eind jaren twintig ontwierp, staat in het atelier een pronte betonnen tafel pontificaal in de ruimte. Niet zomaar een schilderstafel, maar overduidelijk een plek om aan te discussiëren. Er zaten grote namen aan: Mondriaan, Maholy Nagy, Max Ernst, Tsara, Arp, Schwitters.

Discussiëren met Van Doesburg was een feest. Evert van Straaten, directeur van Kröller-Müller, is afgestudeerd op de kunstenaar. Hij sprak begin jaren tachtig met 'ooggetuigen' uit die tijd en hoorde onder meer dat Van Doesburg te vuur en te zwaard een stelling kon verdedigen om een uur later precies het tegenovergestelde te verkondigen. Over Van Doesburg zegt Van Straaten: ,,Hij was heel sterk procesgericht, niet productgericht. Daarmee verschilde hij van een meer klassieke kunstenaar als Mondriaan, die wel bewust bezig was met het opbouwen van een schildersoeuvre. Van Doesburg zei: Kunst is niet een 'zijn', maar een 'worden'. Hij was heel bewust actief en zelden of nooit reactief. Daarmee was hij een pionier van de avant-garde.''

Enig melodrama was Van Doesburg niet vreemd in het verkondigen van zijn ideeën. ,,De kleur. Als ik plat lig, met mijn buik tegen de Aarde, of ik sta lang uit, dan voel ik mij omringd, omschaterd door u, dan voel ik mij in U O! kleur'', schreef hij ooit. Maar hij was ook stellig: ,,Het kunstwerk is het gevolg van onze actieve geestelijkheid, de natuur ligt onder.'' Waarbij de laatste drie woorden onderstreept werden door de kunstenaar.

Het is een typisch citaat voor iemand die eerst schetsjes maakt naar model, om die voorstellingen vervolgens te vertalen naar composities die louter zijn opgebouwd uit rechthoeken en kubussen. Deze 'wetenschappelijke' reductie van de natuur naar een culturele uitdrukkingsvorm, was een sleutel om tot een nieuw wereldbeeld te komen. Een heilzaam nieuw wereldbeeld.

Als echt modernist, zag Van Doesburg kunst als een middel om de maatschappij te leiden en een betere wereld te scheppen. Hij was interdisciplinair, waardoor hij in alle lagen van het dagelijks leven infiltreerde. Hij maakte kunst, was architect, ontwierp briefpapier, schreef, maakte muziek, ontwierp posters, gaf lezingen, deed een tournee met dadaïstische performances. Zo bouwde hij aan een complex oeuvre, waarin inspireren vrijwel even belangrijk was als zelf scheppen.

Dat het zelf scheppen niet een bijproduct was van Van Doesburgs rol als animator, wordt met de twee tentoonstellingen goed duidelijk. Een belangrijk doel van het expositieproject was het corrigeren van het meewarige beeld dat onder kunsthistorici bestaat over Van Doesburgs schildersoeuvre. Hij zou louter leunen op vindingen van anderen. Misschien ligt dit in het feit dat de kunstwerken overduidelijk zo'n laboratorium-functie hadden. Werken zijn niet af, of ogen schetsmatig, of zijn een tussenstap in een denkproces.

Maar het doet geen recht aan de topstukken die óók in het oeuvre zitten. Zoals het schilderij 'De Kaartspelers' uit 1916-'17. Het werk is een overduidelijke referentie aan 'De Kaartspelers' van Cézanne, maar is meer dan simpelweg een ode aan de geestesvader van het kubisme. Van Doesburg probeerde het onderzoek dat bij Cézanne begon en een vervolg kreeg in het kubisme, weer een stap verder te brengen: het opbouwen van de beeldelementen uit duidelijk omlijnde geometrische figuren, waar kubistische schilderijen meer een veld van lijnen en fragmenten van geometrische figuren zijn. De voorstelling lost in het kubisme vaak op in die wirwar. Bij Van Doesburg worden de contouren en bewegingen buitengewoon helder afgebakend.

En dan is er nog de vinding van de diagonaal, die de abstracte composities van Van Doesburg een dynamiek geven, die bij de meer statische Mondriaan ontbreekt. Hoe dit uit kan pakken blijkt in de decoraties die Van Doesburg maakte voor de Aubette in Straatsburg en in talloze andere architectonische interventies (of al dan niet zijn eigen gebouwen).

Interessant is om te zien hoe Van Doesburg feitelijk dezelfde ontwikkeling doormaakte als Mondriaan: van sferische naturalistische figuratie (onder meer een serie zelfportretten in een losse expressieve toets) via een korte sferisch, symbolistische periode naar de eerste schreden op pad naar het schematiseren van de figuratie om uiteindelijk uit te komen bij de neo-plastische composities van De Stijl. In iedere periode zijn werken te vinden met een volwaardige en autonome kwaliteit, die niet voor Mondriaan onderdoet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden