Review

Ziehier de schrijver zonder ballast

Vijfenzeventig Nederlandse schrijvers richten zich in de CPNB-uitgave ’Titaantjes waren we’ tot hun jongere ik. Een heel charmant boek.

Echt aardige jongens waren de Titaantjes niet, schreef Rob Schouten vorige week in deze krant, al beweerde Nescio het tegenovergestelde. Wat een Titaantje dan wel is, zou je moeten kunnen opmaken uit het jubileumbrievenboek dat de CPNB publiceerde ter gelegenheid van de 75ste boekenweek.

Vijfenzeventig reuzen kijken terug op de tijd dat ze alleen nog maar een reus in hun gedachten waren. Als ze dat al waren, want als je iets kunt afleiden uit deze verzameling brieven is het dat de meeste schrijvers hun ‘ik’ in angst en aarzeling beginnen. Schrijvers zijn buitenstaanders. Maria Goos beschrijft heel mooi hoe ze haar jongste jaren onopgemerkt maar veilig slijt, tussen heel veel oudere broers en zussen, ouders. „Je kon overal bij zijn, alles horen en alles zien, want ze vergaten je dikwijls, kortom je hebt het leven van een hond geleid.” Jan Blokker laat het oudere ik een gat in de lucht springen als er op woensdagmiddag bij de vijfjarige Jan een jongetje aanbelt met de vraag of hij buiten komt spelen. „En jij kijkt met de kippige ogen de hele lange trap af, en roept naar beneden: ‘Nee ik heb geen zin.’”

Het observatievermogen is zowel een vloek als een geschenk. „Schrijven begint met de verbijstering een ik te bezitten dat zich onderscheidt van alle andere” schrijft Connie Palmen. „De afstand die de schrijver wil overbruggen is er een die hij, tegen wil en dank maar met de onontkoombaarheid van een lot, juist door het schrijven in stand zal houden,” besluit ze. „Toen waren jouw hersens nog volledig onbedorven” verzucht Charlotte Mutsaers, die met weemoed terugdenkt aan de overgave van voor het schrijven. „Ze vielen je niet aan.”

Andere brieven blikken meer prozaïsch terug op de jongere jaren. Er worden wat excuses rondgestrooid naar ‘achtergelaten kleine blondines’ (A.F.Th.) en naar ‘je-weet-wel die je die rotstreek hebt geleverd’ (Allard Schröder). Er worden ook wat verwijten gemaakt: „Slappe hap, krakersbink! Werk eens door!” (Atte Jongstra) maar liever stelt men het jongere ik gerust. Aaf Brandt Cortius geeft antwoord op zeven prangende vragen die haar kwelden („Word ik ooit ontmaagd?”), en Guus Kuijer belooft zichzelf dat hoe klein en laf zijn jonger ik zich ook voelt ‘schrijvers gegarandeerd het allermooiste meisje krijgen’.

Geen wonder dat deze charmante verzameling in een week tijd bovenaan de bestsellerslijst is beland, want wie doorleest vindt zijn eigen jongere ‘ik’ er ook in terug: van de nieuw, blauwe, ribfluwelen broek die met kleding worstelende Esther Gerritsen vanuit haar bed ligt te bekijken tot aan de gekoesterde jeugdboeken (’Blijf lachen, Irmgard!’, W.G. van der Hulst, ’Marischka het circuskind’). Terughoudend is men in de wijze adviezen. Volgens Joost Zwagerman kun je je jongere ’ik’ maar beter met rust laten „eerlijk is eerlijk: jij, mijn jonger ik, maalde niet om mijn huidige Zelf. (..) Wat ik nu een inzicht noem, had jij weggezet als ballast en aanstellerij.”

En inderdaad, die ballast voel je ook in deze brieven („veel van wat je nu uitspookt blijft tot aan je dood in je kop zoemen, wist je dat?” verzucht Adriaan van Dis). Het maakt de verzameling jeugdfoto’s die in het midden van het boek zijn opgenomen extra prachtig, van de zwierige, lui in het gras liggende A.F.Th. tot aan jongensmeisje-met-katapult Wanda Reisel. Zie hier de schrijver zonder ballast, toen hij alleen nog maar dromer was, met – om met Mutsaers te spreken – nog onbedorven hersens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden