Essay

Zestig jaar na Camus’ dood is zijn werk nog springlevend

Laat schrijvers kiezen tussen Camus en Houellebecq en velen verkiezen de eerste. Zo ook Yolanda Entius: ‘Zwemmen, zonnen, eten, vrijen. Meer heb je niet nodig.’ Zestig jaar nadat Camus tegen een boom verongelukte is zijn werk nog springlevend. 

16 was ik toen ik in mijn eerste Camus speelde, 23 toen ik mijn eerste lás, en 25 toen ik op de Amsterdamse Toneelschool mijn afstudeerscriptie aan hem wijdde. ‘Een acteur in opstand’ heet het. Het bestaat uit 27, dicht op elkaar getypte, pagina’s waarin ik aan de hand van zijn werk onderzoek of ik op het toneel wil staan of op de barricade – tsja.

Het werkje is zo zwaarmoedig dat de dramaturgiejuf zich jaren later nog zorgen om mij maakte, en ik het, decennia later, niet meer durf terug te lezen. En dat terwijl Camus helemaal niet zwaarmoedig is, integendeel: zijn werk is zo vitaal als een jonge minnaar, het zindert van leven, waardoor hij overigens aan de ‘goede kant van de geschiedenis’ is komen te staan.

Geboren en getogen in Algerije, begreep hij al snel dat het land onafhankelijk moest worden, en dat, wanneer een revolte uitgroeit tot een revolutie die menselijke offers eist voor een toekomstig ideaal – zoals in Rusland geschiedde – die zijn legitimiteit verliest. Het betekende een breuk met Sartre. Hij, Camus, verloor de mens en zijn tekort nooit uit het oog en dat zie je terug in zijn leven en zijn werk.

Hij werd grootgebracht door zijn moeder (zijn vader sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog) in een arme volkswijk in Algiers, maar zand en zee waren nooit ver weg. “Het licht heeft altijd zijn schatten over mijn armoede uitgestort”, zal hij bij een heruitgave van zijn debuut ‘Keer en tegenkeer’ schrijven. “Door de ellende verleerde ik te geloven dat alles in het leven en in de geschiedenis altijd even goed en heerlijk is; de zon leerde mij in te zien dat de geschiedenis niet altijd het laatste woord heeft. Als tegenwicht tegen mijn aangeboren onverschilligheid was ik genoodzaakt op de grens tussen ellende en zonlicht te leven.”

Onverschilligheid

Het is die onverschilligheid die hij in ‘De vreemdeling’ heeft uitvergroot. Hij begint er op 26-jarige leeftijd in zijn geboorteland aan te schrijven. Een jaar later, hij is vanwege zijn werk voor de krant Alger républicain het land uitgezet en woont in Parijs, voltooit hij het. In 1942, midden in de oorlog, komt het uit.

Het werd mijn lievelingsboek. Niet in de laatste plaats omdat ik er mijn vinger niet achter kreeg. Ik vereenzelvigde mijzelf enerzijds met Meursault, die aan het begin van de novelle te horen krijgt dat zijn moeder in het bejaardenhuis is overleden en niet lang daarna min of meer per ongeluk – en over dat ‘min of meer’ gaat het – op het strand onder de brandende zon een Algerijn neerschiet, en anderzijds met Marie die hij daags nadat hij terug is van de begrafenis ontmoet in de ‘badhaven’ van Algiers.

Ze zwemmen, ze liggen in de zon, hij legt zijn hoofd op haar buik en ’s avonds gaan ze naar een film van Fernandel, een komedie – later, bij zijn veroordeling, zal dat hem worden aangerekend. Als Marie aan zijn kleding ziet dat hij ‘in de rouw is’ legt hij uit dat zijn moeder is overleden. Wanneer, wil zij weten. Gisteren. “Het lag op mijn tong te zeggen dat het mijn schuld niet was, maar ik hield mij in. Het had niets te betekenen. In ieder geval is men altijd een beetje schuldig.”

Beeld AFP

Daarover gaat het ook. Dat men altijd wel een beetje schuldig is maar dat we, zonder hogere instantie, niet in staat zijn om te oordelen. Hij is ‘erg verliefd’ op Marie, ‘omdat zij een mooie rood en wit gestreepte jurk en leren sandalen aanhad’. Ze wil weten of hij van haar houdt. “Ik antwoordde haar dat zoiets niets betekende, maar dat ik dacht van niet.”

Helemaal volgen, kon ik dat niet, navoelen wél. Zwemmen, zonnen, eten, vrijen. Meer heb je niet nodig – welk meer zou er moeten zijn? “Toen we ons op het strand weer aankleedden, zag Marie mij met schitterende ogen aan. Ik kuste haar. Van dat ogenblik af zeiden wij niets meer. Ik hield haar tegen mij aan en wij hadden haast een autobus te vinden om naar mijn huis terug te keren en op het bed te gaan liggen. Ik had mijn raam open laten staan en het was heerlijk de zomernacht over onze bruine lichamen te voelen stromen.”

‘Maar...’

Het is Camus ten voeten uit. “Wie kan zeggen: ik heb acht volmaakte dagen gekend?”, ­memoreert hij in zijn dagboek die dagen. “Die vreugden waren alle lichamelijk en ze hadden alle de instemming van de geest. (…) Dat is de volmaaktheid, de tevredenheid met het eigen lot. Een feest van water, in de morgen zo zwart, ’s middags zo helder, en ’s avonds lauw en ­verguld. Lange morgens op een duin en te ­midden van naakte lichamen. (…) Dat was de jeugd. Dat is de jeugd, en op mijn dertigste verlang ik niet anders dan de voortzetting van die jeugd. Maar …”

Zo eindigt dit citaat. Met een maar. Er is altijd een maar. Die tevredenheid met het lot duurt niet eeuwig, en wie acht volmaakte ­dagen heeft gekend, mag van geluk spreken. Geluk of pech; aan het eind het leven wacht ons allen de dood. De zee waar Meursault en Camus van genieten is nu een massagraf van ‘gelukzoekers’ zoals ze cynisch genoeg worden genoemd. En hoewel Camus, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Houellebecq, wars is van cynisme, kent hij de verleiding ervan, waaraan ‘ik constant blootsta en waartegen ik een nooit aflatende, uitputtende strijd heb gevoerd’. Toen ‘De vreemdeling’ uitkwam, werd hem ‘de onaandoenlijkheid’ verweten. “Het woord is slecht gekozen”, schrijft hij in zijn dagboek, “welwillendheid zou beter zijn”.

Hij is welwillend, ja, Meursault, hij reageert op wat zich aandient, het leven gaat van dag tot dag. Marie wil met hem trouwen, het is hem om het even, maar als zij dat wil, zal hij met haar trouwen. Er is geen God, geen wel­omschreven ideaal, niet in een verloren, noch in een toekomstig paradijs. Verleden noch toekomst spelen een rol in zijn leven. Herinneringen aan zijn moeder komen, ondanks dat zij net is overleden, niet bij hem bovendrijven. En als zijn baas aan een mogelijke toekomst in (een nieuw kantoor in) Parijs refereert, wijst hij dat van de hand. Vond hij het dan niet fijn een ander leven te leiden? “Ik antwoordde dat men zijn leven toch niet kon veranderen, dat alle levens op hetzelfde neerkwamen en dat mijn leven hier mij helemaal niet tegenstond.” En trouwens, Parijs: “Het is er smerig, er zijn duiven en donkere binnenplaatsen. De mensen hebben een witte huidskleur.”

Die duiven en dat gebrek aan zonlicht keren terug in ‘De val’ dat in 1956 verscheen, een jaar voor Camus de Nobelprijs kreeg. Plaats van handeling: café Mexico-City op de Amsterdamse Zeedijk, later de gracht, Marken, een boot, waarboven de hemel openbreekt ‘in trappen van lucht’, en ‘poorten van wolken’ worden dichtgegooid. “Dat zijn de duiven.” Aan het woord is Jean-Baptiste Clamence, ‘rechter-in-penitentie’. Wat dat betekent zal hij in deze 125 pagina’s tellende monoloog of biecht uitleggen. Clamence is geen gewone (en uitzonderlijke) sterveling, zoals Meursault die veroordeeld wordt, maar een rechter: iemand die oordeelt: een supermens (God? Een engel?) die daar, na zijn val, niet meer toe in staat is, althans niet zoals hij dat gewoon was.

Houellebecq

In meerdere opzichten is ‘De val’ het negatief van ‘De vreemdeling’. Zo zinnelijk als Meursault is, zo theoretisch is Clamence. Camus lijkt in ‘De val’ het cynisme ternauwernood de baas. Aan het einde sneeuwt het. “O, ik moet naar buiten!” verzucht Clamence. “Amsterdam ingesluimerd in de witte nacht (…), de straten leeg, mijn stappen gedempt: één en al zuiverheid, even, voor de modder van morgen. Moet u zien, de enorme vlokken, uiteengepiekt op het raam. Het zijn de duiven, beslist. Eindelijk komen ze ertoe neer te dalen, de schatten, ze dekken daken en grachten toe met een dikke laag veren, ze twinkelen tegen alle ramen. Een ware invasie! Hopelijk brengen ze de goede boodschap. Iedereen wordt verlost, hè, en niet alleen de uitverkorenen: rijkdom en zwoegen wordt verdeeld, en u bijvoorbeeld, met ingang van vandaag slaapt u elke nacht op de grond, omwille van mij.”

Of wij over zestig jaar een cynisch schrijver als Houellebecq nog zullen lezen? Ik zou er mijn geld niet op inzetten. En Camus? Over Clamence heb ik zo mijn twijfels, maar de terdoodveroordeelde Meursault die de priester die hem wil bekeren zijn cel uitzet – ‘want geen van zijn zekerheden woog op tegen één vrouwenhaar’ – is onsterfelijk.

En na die ‘geweldige uitbarsting van woede’ is deze mens bevrijd van alle hoop en geeft hij zich ‘tegenover deze nacht vol tekens en sterren voor het eerst over aan de tedere onverschilligheid van de wereld’.

Yolanda Entius (58) is literatuurrecensent van Trouw en schrijver. Haar jongste boek is ‘Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny’Beeld Bart Grietens

Lees ook: 

Camus als kompas 

Albert Camus overleed in januari precies 60 jaar geleden, maar is nog steeds veelgelezen. Voor de Franse intellectueel Jean-Pierre Le Goff was het werk van Camus een openbaring. ‘Helaas is ­begrijpelijkheid vaak verdacht.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden