Review

Zenuwlijder, luiwammes of lastig kind

Historische belangstelling voor de psychiatrie kreeg me twintig jaar geleden voor het eerst in haar greep toen ik als arts-assistent begon in het Deltaziekenhuis in Poortugaal. Met rode oren las ik wat de vroegere gestichtspsychiater Flohil had opgetekend in het dossier van de patiënte die ik nét had opgenomen. Blijvend geïnspireerd raakte ik echter in oktober 1990 door de sweeping statements van de Britse sociaalhistoricus Roy Porter (1946-2002) tijdens het eerste Europese congres over de geschiedenis van de psychiatrie in Den Bosch.

In zijn shabby outfit tetterde Porter, geinspireerd door de ideeën van Foucault, tegen de verzamelde historici waar het bij de geschiedenis van de psychiatrie in de allereerste plaats om ging: hearing the mad. Je moest nooit naar psychiaters luisteren, want die reduceerden de verhalen van gekken enkel tot symptomen. In zijn publicaties, zoals 'A Social History of Madness' (1987), sloeg Porter de plank soms lelijk mis. Zo beweerde Porter, naar mijn idee geheel ten onrechte, dat de zenuwbestraling die de rechter Daniel Paul Schreber (1842-1911) in diens boek beschreef, geen psychotische beleving was, maar op folteringen berustte die Schreber werkelijk in het gesticht had ondergaan. Porters ongeveinsde belangstelling voor de zin in de waanzin van psychotische patiënten en zijn fabelachtige talent egodocumenten om te toveren tot inspirerende verhalen hebben me ondanks Porters neiging tot overdrijven tot een absolute fan gemaakt.

Nu bekommert de psychiatrie zich niet alleen om mensen met psychosen of 'grote gekte', gekenmerkt door wanen en hallucinaties, maar ook om 'zenuwlijders', tobbend met 'klein zielsverdriet'. 'Madness. A Brief History', het nieuwste boek van Porter, door zijn recente dood achteraf tevens zwanenzang, gaat vooral over de geschiedenis van waanlijders. Het tweede boek, 'Cultures of Neurasthenia. From Beard to the First World War', met bijdragen van maar liefst zestien historici, onder wie opnieuw Porter, behandelt de opkomst en neergang van neurasthenie (zenuwzwakte). Veel wetenschappers zien in ME en het chronische-vermoeidheidsyndroom een reprise van deze neurasthenie. Het zijn allebei uitstekende boeken, al vrees ik dat het neurasthenieboek meer geschikt is voor de specialist.

In zijn nieuwste pennenvrucht schildert Porter nog één keer zijn visie op de geschiedenis van gekken, met aanstekelijk plezier, waarbij hij af en toe een lik verf uitdeelt aan ontdekkers van nieuwe ziektebeelden. Zo haalt hij Aretaeus van Cappadocië (150-200) aan, die als eerste manie en melancholie tot één ziektebeeld verklaarde, eind 19de eeuw manisch-depressieve ziekte en nu bipolaire stoornis genoemd. Schokkend is wat Aretaeus observeerde bij mannen die zichzelf in manische toestand castreerden en hun penis afsneden in de cultus gewijd aan de godin Juno. Verder ontmoeten we waanlijders die bekend zijn uit Porters eerdere werk, zoals Margery Kempe (geboren omstreeks 1373), een vrouw die dankzij haar godsdienstwaan aanzien genoot, en John Perceval (1803-1876), zoon van de Engelse minister-president, die op zijn 27ste voor het eerst voorspellende religieuze visioenen kreeg.

Ook bij George Trosse (1631-1713), later dominee, nam de godsdienstwaanzin een positieve wending, waardoor Porter diens opgetekende relaas vergelijkt met het bekeringsverhaal van John Bunyan, nog altijd bijzonder populair in bevindelijk gereformeerde kringen. Trosse hoorde in zijn psychose een stem die hem beschuldigde dat hij de 'Zonde tegen de Heilige Geest' had begaan. Dat klinkt misschien gedateerd, maar in mijn werk als psychiater op Goeree Overflakkee zie ik heel soms een patiënt die ervan overtuigd is deze zonde te hebben begaan, wat een groot gevaar voor suïcide betekent. Trosse, afkomstig uit een Anglicaanse advocatenfamilie in Exeter, kreeg begin twintig voor het eerst een psychose, waarvoor hij werd opgenomen in het huis van dr. Gollop in Glastonbury. Trosse dacht dat dit de hel was, waarin hem executie wachtte. Begin zestig schreef hij zijn angstwekkende belevingen op. Na een liederlijk bestaan, waarin hij zich had overgegeven aan vleselijke lust, drank en ontucht, werd hij wakker door een ruisend geluid, en ontwaarde hij een schaduw aan het voeteneinde. Hij werd gegrepen door vrees en beven en hoorde een stem: ,,Wie zijt Gij?'. Eerst dacht hij dat het de stem van God was, maar toen hij het bevel kreeg niet alleen zijn hoofd kaal te scheren, maar ook zijn keel door te snijden, wist hij dat hij bezeten was door de duivel. Na drie opnames was hij volledig genezen. Het was overigens Gollops vrouw die Trosse met bidden en bijbellezen beter maakte.

In het openingshoofdstuk van het neurasthenieboek legt Porter met gevoel voor humor uit dat de Engelsen deze nerveuze stoornis sceptisch bekeken. Ze vonden deze in 1880 door Beard gepropageerde 'Amerikaanse ziekte' helemaal niet nieuw. De aandoening was immers al in 1733 beschreven, ironisch genoeg, door de Schotse(!) arts George Cheyne, als 'Engelse ziekte'. Kwam de 'Engelse ziekte' voor bij de elite als gevolg van luxe en luiheid, schrijft Porter geestig, de 'Amerikaanse ziekte' kwam ook bij arbeiders voor door overbelasting en uitgeputte zenuwen. In beide gevallen kreeg de moderne beschaving de schuld.

Vooral in Duitsland werd neurasthenie populair, waar zij veel werd gezien bij mannen op grond van seksuele problemen. Toch was het niet typisch een herenaandoening. Interessant is dat de kwaal vanaf 1900 op grote schaal voorkwam in Japan en China. Het blijkt nog steeds een vaak gestelde diagnose in die landen. De aardigste bijdrage in 'Cultures of Neurasthenia' is van Nelleke Bakker over neurasthenie bij kinderen. Vanaf 1900 ontdekten pedagogen deze diagnose voor lastige kinderen op school met leerproblemen. Door het etiket neurasthenie kreeg niemand -de ouders, noch kind of school- de schuld. Iedereen was tevreden.

De naam bleef nog lang in zwang. In 1949 vroeg een Nederlandse moeder advies aan het maandblad Moeder over de gedragsproblemen op school van haar achtjarige dochter. Het meisje stoorde zich niet aan de regels en vertoonde een gebrek aan concentratie. De moeder noemde het meisje 'een neurastheen kind'. De redactie toonde zich sceptisch over haar conclusie: 'Neurasthene kinderen geven last, maar daarom zijn alle moeilijke kinderen nog niet direct neurastheen'. Als het een stout kind was, moest het met straffe hand worden aangepakt, maar als ze inderdaad leed aan neurasthenie moest hulp geboden worden. Hier dringt zich de vergelijking op met ADHD. Alleen is dat een stoornis die eerst 'ontdekt' werd bij kinderen en later bij volwassenen. Bij neurasthenie ging het net andersom.

Hoewel 'Madness. A Brief History' veel minder gedetailleerd is dan Porters boek uit 1987, kan ik het van harte aanbevelen. De Nederlandse uitgave 'De zin van de waanzin' (1991) is jammer genoeg niet meer verkrijgbaar. Porters nieuwste boek is up-to-date, de referenties volledig bijgewerkt. De uitsmijter mag er ook wezen. Moet je het als vooruitgang zien dat het aantal psychiatrische stoornissen in de nieuwste versie van de Amerikaanse classificatiebijbel zo sterk is gestegen?, vraagt Porter retorisch. Bovendien groeit het legioen lieden die een psychiatrische ziekte claimt evenzeer. Wie nog geen pillen slikt of psychotherapie volgt mag het zeggen. We zijn van een traumacultuur ongemerkt vervallen tot slachtoffercultuur. Ondertussen is het vertrouwen van de samenleving in psychiaters er niet op vooruitgegaan: Is Folly jingling its bells again? Met deze prikkelende vraag besluit het boek van deze fantastische kritische geest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden