Review

Zendeling in het oude en nieuwe Zuid-Afrika

Tjeerd de Boer is een van de weinige Nederlanders die nog als zendeling in Zuid-Afrika actief zijn. „Vergeleken met Nederland swingt onze kerk hier enorm.”

De dominee komt er eerlijk voor uit. Door aids bloeien kerken in Zuid-Afrika als nooit tevoren. „Mensen komen vaak tot bekering op begrafenissen, of aan een sterfbed. Ze worden er met hun neus op hun eigen vergankelijkheid gedrukt”, zegt Tjeerd de Boer, die als zendeling in de townships rond Pretoria bijna wekelijks aids-begrafenissen meemaakt.

De groei van de Afrikaanse kerken kan nauwelijks beter worden geïllustreerd dan in het schoolgebouw waar hij deze zondagochtend preekt: de Vukauzenzele-school in Mamelodi, een modern okergeel bakstenen gebouw. Vier klaslokalen zijn tegelijkertijd verhuurd aan kerkgenootschappen. Luidkeels proberen ze elkaar te overstemmen, het galmende gezang van de ene groep tegenover de elektrische gitaren en keyboards van een andere.

Met zijn vriendelijke, zachte stem komt de 55-jarige Tjeerd de Boer met zijn preek nauwelijks uit boven de decibellen van de concurrerende kerken. „Gelukkig beginnen wij altijd het vroegst, om acht uur ’s ochtends, want anders had ik een probleem. Al die swingende diensten, daar kunnen wij niet tegenop met onze saaie kerk”, zegt hij met een brede glimlach.

Zijn preek is streng: Lucas 18, vers 1 tot en met 8. Mensen bidden niet hard genoeg meer, omdat ze vinden dat het te lang duurt voordat Jezus terugkomt op aarde. Maar, verzekert De Boer zijn volgelingen in hun Suthu-taal: Hij zal echt komen, onverwacht. „Misschien dat we dan nog druk zijn met dagelijkse zaken, als seks en huwelijk, familie en geld, maar dan ineens is daar de Dag des Oordeels. Ik zeg u: op die nacht liggen twee mensen in een bed, de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten. Wie van de twee bent u?”

„Een dreigpreek?”, reageert de dominee naderhand verbaasd, als we onder de brandende zon op het schoolplein napraten. Hij glimlacht. „Het is vooral een troost. Maar zorg dat je gelooft in Zijn terugkeer, leef niet in zonde.”

De Boer ziet in Zuid-Afrika genoeg voorbeelden van zondig leven: de Zuid-Afrikanen hebben tienduizenden Zimbabwanen, Angolezen en Somaliërs met grof geweld uit de townships verdreven. En aids. „Aids bewijst dat we er maar op los leven. Het is niet dat wij de ziekte als een straf zien”, haast De Boer zich te zeggen. „Maar wel: kijk wat er gebeurt als je Gods geboden los laat.”

De tijden zijn veranderd, maar de boodschap van zendelingen is dezelfde als in de negentiende eeuw, toen Zuid-Afrika voor hen een geliefde bestemming was. De Boer is een van de zeldzame zendelingen die er nu nog werken. Hij is voor de tweede keer door de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt Noord-Nederland uitgezonden naar de township Mamelodi. De eerste keer was in de hoogtijdagen van de apartheid.

„De kerk in Drachten vroeg ons in 1983 te gaan”, vertelt De Boer in zijn tuin in Pretoria, terwijl zijn vrouw Mieke koffie met citroenwafeltjes brengt. „We moesten aanvankelijk vreselijk lachen”, zegt Mieke. „De mensen in het dorp zeiden dat ook tegen Tjeerd: ’Daar ben jij veel te Hollands en te stijf voor’.”

Maar toen ze zich op de Groningse klei verdiepten in de mogelijkheid om Gods woord te gaan verkondigen onder de hete Afrikaanse zon, trok de zending hen toch wel. De Boer: „Niet dat het een roeping was of zo, daar geloof ik niet zo in. Roeping en avontuur lopen door elkaar.”

De Boer merkte al gauw dat hij in de kerk in Zuid-Afrika creatiever kon zijn dan hij gewend was. „In Nederland is de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt een gevestigde kerk, met eeuwenoude tradities en conventies. Het voordeel van de zending is dat je gaat nadenken over wat je mensen echt wil meegeven. Ik heb veel starre regels geschrapt, over hoe je vergadert of hoe je je diensten invult. Nederlandse gereformeerden zijn vooral bezig met de ratio, hier gaat het meer om de emotie.”

De jaren tachtig vormden een heftige tijd, met gewelddadige acties van de blanke regering en de zwarte verzetsbeweging ANC. „Toen we hier net waren, ontplofte er een bom in de Kerkstraat”, vertelt Mieke de Boer. „Er vielen 22 doden, midden in de stad, op een plek waar wij ook met onze kinderen hadden kunnen lopen.”

Met de blanken in Pretoria onderhouden ze een ingewikkelde relatie, zeggen Tjeerd en Mieke. De Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk Suid-Afrika is in de jaren vijftig opgericht door Hollandse emigranten. „Die moesten niks hebben van zending en sociaal werk in townships. Als wij in die tijd zwarten meenamen naar onze kerk, waren er altijd wel een paar blanken die opstonden en weggingen.”

Achteraf zien ze scherper dan toen hoe erg de apartheid eigenlijk was. „Zwarten waren geen mensen in die tijd”, zegt Tjeerd. „Ze waren een functie. Een zwarte was iemand die je tuin deed, je huis schoonmaakte, of benzine in je auto stopte.” Toch blijft onduidelijk hoe hij en Mieke zelf precies over de apartheid denken. „Wij waren gewoon niet zo politiek bewust, we hadden geen echt standpunt. In mijn preken was ik meer bezig met heidense zaken als voorouderverering dan met de apartheid.”

De Boer heeft wel grote moeite met de rol die de Nederduits Gereformeerde Kerk heeft gespeeld bij de oprichting van het apartheidsysteem. „Ik vind het erg dat je met het evangelie in de hand racisme kunt bevorderen en een hele samenleving kapot kunt maken. In die zin voel ik me schuldig. Maar ik snap het wel. Mensen zijn egoïstisch, en kunnen de Bijbel naar hun hand zetten. Er zitten eigenlijk twee lijnen in de Bijbel: God heeft eenheid gemaakt, maar ook verscheidenheid. Kijk naar alle verschillende schitterende diersoorten op de wereld. Maar het griezelige is dat dit ook misbruikt kan worden.”

„Langzaam zagen we eind jaren tachtig dat de kerk veranderde. Als je de koppige Afrikaner cultuur kent, is dat eigenlijk een wonder”, zegt De Boer. „Het is een wonder dat blanken en zwarten nu samen in één kerk zitten, samen uit één beker drinken, samen het avondmaal gebruiken. Dat het evangelie mensen bij elkaar heeft gebracht die zo sterk van elkaar gescheiden waren.”

Voor het domineesechtpaar eindigde hun eerste zending in een verwarrende tijd. Mandela was net vrijgelaten, maar de stemming was somber. De blanke regering wilde eigenlijk de macht niet afstaan, en er was extreem veel geweld. De Boer en zijn vrouw dreven uit elkaar. „Ik leefde met hart en ziel voor de mensen in Mamelodi. Mieke zag me eigenlijk nooit meer.” Intussen hadden ze er een drieling bij gekregen en zat Mieke met de zes kinderen meestal thuis. „Het was niet goed voor ons huwelijk. Daarom zijn we in 1991 teruggegaan.”

De Boer werd weer predikant in Nederland, in Meppel, en daarna in Amersfoort. Vijftien jaar later kwam er een onverwacht verzoek van de kerk: of ze voor een tweede keer naar Zuid-Afrika wilden.

De verhuizing was al geregeld toen het noodlot toesloeg. Een week nadat De Boer afscheid had genomen als predikant in Amersfoort werd bij hem een hersentumor ontdekt. „Op 10 augustus 2007 – zal ik nooit vergeten. Het was de dag dat we naar Zuid-Afrika zouden vliegen. In plaats daarvan lag ik op de operatietafel. We dachten: wat wil God toch met ons? Wil hij niet dat we gaan?”

De operatie verliep goed. En ze besloten alsnog terug te gaan. „Vanuit de kerk in Pretoria kwam zo’n dringend verzoek: ’We hebben je zo hard nodig. Al kun je je maar voor dertig procent inzetten, alsjeblieft, kom!’ We hebben er tot nu toe geen spijt van.” In vijftien jaar bleek er veel veranderd in Zuid-Afrika. De Boer noemt het een ’verademing’ dat Zuid-Afrika nu een Afrikaans land is. Maar de armoede is ook duidelijk toegenomen. „Er zijn mensen die geen twee maaltijden per dag hebben.”

Aids, armoede en frustratie over politici drijven in heel Afrika mensen naar de kerk, vooral van de evangelische en pinksterkerken. Zuid-Afrika telt drieduizend van deze kerken, die spectaculaire diensten houden, in grote tenten met duizenden gelovigen. Swingende muziek en een opzwepende dominee zorgen voor een koortsachtige, extatische stemming.

De Boer is soms jaloers op de spectaculaire groeicijfers van de evangelische kerken. „Zij staan dichter bij de traditionele Afrikaanse cultuur dan wij. De profeet kan je bijvoorbeeld medicijnen meegeven voor je kind, of je het advies geven een geit te offeren.”

De Boer is vooral fel tegen de verering van voorouders, die hij ook in zijn eigen kerk tegenkomt. „Mensen worden christelijk, maar in tijden van crisis gaan ze ook naar de sangoma, de wonderdokter of de waarzegger. Ze staan onder grote druk van hun familie om aan het bijgeloof mee te doen. Bijvoorbeeld bij begrafenissen, Dan wikkelen ze een deken rond de kist, zodat de overledene het niet koud krijgt onderweg. Wij vinden dat verkeerd, want een dode is niet onderweg, die is al bij God. Bovendien komt het voort uit de traditie van het offeren, want vroeger deden ze een koeienhuid om de kist. Heidense resten noemen wij dat.”

Soms vragen zijn kerkleden hem of ze er wel aan mee moeten doen. „Ik zeg nooit: dit of dat mag niet. Ik zeg alleen: Je hoeft niets te doen voor de doden in je leven. Er is maar één dode die weer levend werd, en dat is Jezus. Zonder opgeheven vingertje probeer ik ze op andere gedachten te brengen.”

Maar ook De Boers eigen kerk groeit. „Eigenlijk zijn we verdubbeld. Toen we in 1991 weggingen, waren we met drie zendelingen, nu zijn er al zes: twee Nederlanders en vier Zuid-Afrikanen.”

Volgens De Boer houdt het geloof veel Afrikanen op de been. De kerk biedt hun troost en gezelschap, en de moed om hun problemen aan te kunnen. „Ik sta altijd weer verbaasd van hun veerkracht. En ik hoop dat God mij dit werk tot mijn pensioen hier laat doen. Want naar de maatstaven van hier zijn we misschien wat saai, maar vergeleken met de gereformeerde kerk in Nederland swingt die van ons hier enorm.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden