Review

ZBIGNIEW HERBERT, 'DE BITTERE GEUR VAN TULPEN - HOLLAND IN DE GOUDEN EEUW' Een onbekende brief van Johannes Vermeer

Zbigniew Herbert, 'De bittere geur van tulpen - Holland in de Gouden Eeuw', vertaald (uit het Engels) en bewerkt door Gerlof Janzen. Amsterdam, Antwerpen, Uitg Contact, 1993, 183 blz. - F 34,90.

Wie echt getroffen is door een kunstwerk kan het praten erover niet laten. Toen Herbert voor het eerst het Rijksmuseum in Amsterdam bezocht, zag hij natuurlijk veel dat hij mooi en prachtig vond, maar een schilderij sprong er voor hem uit. Het was van een hem onbekende schilder en de confrontatie ermee bezorgde hem “de bijna fysieke gewaarwording alsof iemand me riep, ontbood”. Sindsdien heeft hij zich verdiept in Torrentius' 'Stilleven met breidel', een mysterieus en toch helder schilderij, dat hij als een allegorie van de ingetogenheid opvat, “een werk van grote beheersing, zelfkennis en orde”. De levenswandel van de schilder is daarmee in tegenspraak, maar uiteindelijk gaat het daar niet om (al vertelt Herbert wel wat er van Torrentius' leven bekend is), het gaat om het schilderij.

Het verhaal over Torrentius en diens stilleven is geen kunsthistorische verhandeling, maar een essay waarin met veel kennis van zaken een dialoog met het verleden wordt aangegaan. Schilderijen vormen voor Herbert, die overigens behalve rechten en filosofie ook kunstgeschiedenis heeft gestudeerd, een onuitputtelijke bron, zo blijkt uit zijn boek 'De bittere geur van tulpen. Holland in de Gouden Eeuw'. Hij zal overal waar hij komt allereerst het museum bezoeken. Op zijn reizen door Nederland - dat hij als buitenlander natuurlijk 'Holland' noemt - zijn het zelfs voornamelijk monumenten en musea geweest waar hij oog voor had. De Hollandse werkelijkheid zelf sloeg hij over. In het eerste essay, 'Delta', confronteert hij de zeventiende-eeuwse kunst met de werkelijkheid van nu.

Hij wil doordringen “tot in het inwendige, het binnenste van Holland (...), onberoerd door mensenhand en nog identiek aan datgene waar ook mijn collectieve held, de Hollandse burgerij van de zeventiende eeuw, al naar keek. Alleen dan kunnen we in een en dezelfde lijst bestaan, tegen de achtergrond van een eeuwig landschap.”

In Herberts boek worden vele schilderijen beschreven, met de bedoeling erin door te dringen, in de lijst te stappen en deel te hebben aan het leven dat zich daarbinnen afspeelt. In laatste instantie verraadt deze omgang met beeldende kunst Herberts behoefte om meer over de werkelijkheid en het menselijk bestaan te weten te komen. Het is vergelijkbaar met zijn belangstelling voor het verleden, die ook in het geheel geen vlucht betekent uit het heden, maar juist in dienst wil staan van een beter inzicht in de actualiteit.

In het essay 'Het non-heroisch motief' stelt Herbert vast dat de Hollandse schilderkunst geen uitbeeldingen geeft van heldhaftige of smadelijke momenten uit de eigen historie. Een waarlijk patriottische kunst zou bij ons ontbreken. Niet tot Herberts verdriet overigens, want met schilderijen als het Franse 'Vrijheid, het volk naar de barricades voerend' heeft hij weinig op. Alle behoefte aan pathetiek is hem vreemd, het is al aan zijn gedichten te zien die met hun weinige hoofdletters ingetogen aandoen. De Hollandse schilderkunst gaf een heel andere visie op vrijheid: “voor de Hollanders was het gewoonweg zoiets als ademhalen, kijken en het aanraken van dingen. Het hoefde niet gedefinieerd te worden, of verfraaid. Dat is waarom er in hun kunst geen scheidslijn is tussen wat groot is en wat klein, tussen wat belangrijk is en wat onbelangrijk, verheven en platvloers. Zij schilderden appels en portretten van stoffenhandelaars, tinnen borden en tulpen, met zoveel geduld en liefde dat de beelden van andere werelden en de luidruchtige verhalen over aardse triomfen ernaast verbleken.”

Dat er aan zoiets esthetisch als een tulp ook een materialistische kant kan zitten (aansluitend bij de Hollandse handelsgeest) maakt Herbert duidelijk in het titelessay 'De bittere geur van tulpen'. Het beschrijft de angstaanjagende geschiedenis van de tulpomanie, de windhandel in tulpebollen, die van 1634 - 1637 zijn hoogtepunt bereikte en daarna in een klap instortte. Het is een krankzinnig verhaal, waarin voor een bol van een begerenswaardige soort absurde bedragen werden neergeteld. Niemand had beter deze collectieve gekte, die de economie en de samenleving volledig dreigde te ontwrichten, beter kunnen beschrijven dan Herbert. Hij begint met het spookachtige bloemstilleven 'Vaas met bloemen in een nis' van Ambrosius Bosschaert de Oudere in het Mauritshuis, dat hij al als een aankondiging interpreteert van de tulpewaanzin. Vervolgens beschrijft hij het verloop van de massahysterische windhandel. De korte episode, in de marge van de Grote Geschiedenis, krijgt dan de trekken van een totalitaire onderneming: “doet de affaire die we beschreven hebben ons niet denken aan andere, gevaarlijker gektes van de mensheid, die bestaan uit het op onberedeneerde wijze hechten aan een enkel idee, een enkel symbool of een enkele formule tot het geluk?”

In de laatste vijftig bladzijden van zijn boek verlaat Herbert het terrein van de beeldende kunst en de essayistiek. De tien 'Apocriefe verhalen' die dan volgen stoelen op historische gebeurtenissen, maar zijn overigens produkten van Herberts verbeelding. Het zijn superieure verhalen, elegant van stijl, bondig, laconiek, maar met een duidelijke ondertoon van medeleven. Ze gaan over het leven, en vooral de dood, van Johan van Oldenbarneveldt, Jan Swammerdam, Jan Pietersz. Coen, Cornelis Drebbel, Spinoza en nog enkele anderen.

Het meest apocriefe verhaal is ongetwijfeld 'Brief'. Daarin wordt gesuggereerd dat er van Johannes Vermeer een brief is ontdekt die hij geschreven heeft aan de ook in Delft woonachtige Antonie van Leeuwenhoek.

De natuurvorser had Vermeer een kijkje door zijn miscroscoop gegund op de wereld van een waterdruppel en daar was de kunstenaar volkomen van slag van geraakt. “Dat is water, mijn beste, dat en niet anders” had Van Leeuwenhoek hem nog toegevoegd. In zijn brief schrijft Vermeer: “Ik begreep wat u bedoelde, dat wij, kunstenaars, verschijningsvormen vastleggen, het leven van schaduwen en de bedrieglijke buitenkant van de wereld; wij hebben de moed niet, of het vermogen om het wezen van de dingen te doorgronden. Wij zijn, om het zo eens te zeggen, ambachtslieden die werken met het materiaal illusie, terwijl u en uw gelijken heer en meester over de waarheid zijn.”

Maar daar wil Vermeer niet aan, hij is vervuld van een angstig voorgevoel dat het een wereld waarin uitsluitend waarde gehecht wordt aan wetenschap slecht zal vergaan. Al die nieuwe ontdekkingen openen evenzovele nieuwe afgronden, en het oorspronkelijk verband waarin de mensen zich geborgen voelden gaat onherstelbaar verloren. Van Leeuwenhoek zal tegenwerpen dat de kunst niet in de staat is de raadselen van de natuur op te lossen, maar daar stelt Vermeer tegenover dat de kunst die taak ook niet heeft, en ons alleen rekenschap moet geven van die raadselen. “Als u echter absoluut ontdekkingen verlangt, dan zal ik u vertellen dat ik trots ben, erin geslaagd te zijn zowel een bepaald, heel bijzonder intens kobalt te combineren met een lichtgevend, citroenachtig geel, alsook de weerschijn van het zuiderlicht vast te leggen dat door dik glas op een grijze muur valt.”

Dat is de uitspraak die beeldende kunst over de werkelijkheid kan doen.

Het lijkt erop dat Herbert voor de literaire kunst iets vergelijkbaars voor ogen staat. Niet alleen in zijn gedichten (die al eerder vertaald zijn), ook in zijn essays en prozaschetsen is hij op zoek naar nieuwe formuleringen, die het raadsel van de werkelijkheid weliswaar niet oplossen, maar er toch enig inzicht in geven.

Het is te hopen dat na deze bundel ook andere prozabundels van Herbert vertaald zullen worden, zoals zijn Griekse Dagboek (in het Duits: 'Im Vaterland der Mythen') waarin overigens ook poezie is opgenomen, of zijn essays over niet-Hollandse kunst. Maar ook van zijn gedichten zijn alleen nog maar die welke betrekking hebben op 'Meneer Cogito' vertaald en liggen er nog heel wat andere te wachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden