Review

ZAPPEN VAN HOMERUS NAAR KOPLAND

Nieuwe literatuurgeschiedenis: Overzicht van de Europese letteren van Homerus tot heden. Meulenhoff/Icarus, Amsterdam; drie delen, geb., 1355 blz. - ¿ 149,90.

Ook moest dit alles natuurlijk in het kader gezet worden van de Europese eenwording en van de moeilijke positie van kleine landen in het algemeen en van die aan het water gelegen in het bijzonder. Er werden nog veel meer hier aan vast te knopen gespreksonderwerpen gesuggereerd, zoals de vraag of er een nationale literatuur bestaat en of er gesproken kan worden van een duidelijk Europese literatuur.

Het duizelde me en ik wist dan ook zeker dat deze conferentie niets voor mij was, dat ik daar niets van belang had te zeggen over dit oceanische thema. Ik moest hieraan denken toen ik de drie zware delen in handen nam van de 'Nieuwe literatuurgeschiedenis - Overzicht van de Europese letteren van Homerus tot heden'. De uitgave is een bewerking van een Frans boek uit 1992 en is zwaar gesubsidieerd door de Europese Commissie, de Franse en Belgische overheid, en een Portugees fonds. Voor de Nederlandstalige editie vormen Siem Bakker, Hugo Bousset en Martine de Clercq de hoofdredactie.

Het idee om, in teamverband, een samenhangende literatuurgeschiedenis van Europa te schrijven is zonder twijfel ingegeven door de Europese gedachte. In het boek ligt een kaartje dat de volgende vraag stelt: 'Ooit gehoord van de Vereniging Europese Letteren?' Nee, nooit van gehoord. Het blijkt een 'jonge dynamische Nederlands-Vlaamse' vereniging te zijn die zich ten doel stelt “het literatuuronderwijs te europeaniseren en het aan het nauwe nationale kader te onttrekken”.

Het curieuze van het hele geval is nu dat juist in de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving de laatste decennia het idee heeft postgevat dat zelfs een nationale literatuurgeschiedenis, zoals die voor het laatst door Knuvelder is geschreven, niet meer tot de mogelijkheden of wenselijkheden behoort. Ton Anbeek perkte zijn handboek in zowel wat tijd (vanaf 1880) als wat plaats betreft (alleen Nederland). Het recente 'Nederlandse literatuur - Een geschiedenis', onder redactie van M. A. Schenkeveld-van der Dussen, doet zelfs geen poging meer om een samenhangend verhaal te vertellen en deelt de literatuurgeschiedenis op in vele losse hoofdstukjes, aanstekelijk geschreven door talloze specialisten. Een boek met scherven dus, in de wetenschap dat de accolade niet meer kan en dat eenheid en samenhang een illusoir zijn geworden.

De Nederlandse bewerkers van 'Nieuwe literatuurgeschiedenis' zijn zich blijkens hun woorden vooraf van deze problematiek bewust. Deze Europese literatuurgeschiedenis, vinden zij, “wordt het best gezien als een patchwork, een lappendeken van visies op tekst en contekst, komende van meer dan 150 medewerkers, onder leiding van coördinatoren per hoofdstuk en verantwoordelijken per land. Het boek wordt bovendien gelardeerd door tweetalige literaire fragmenten, essays over nieuw ontstane genres en over een aantal belangrijke auteurs. Een uitgebreid register maakt het mogelijk in dit boek te 'zappen', om het wat oneerbiedig te formuleren. Wie in het labyrintisch verhaal over de Europese literatuur speels ronddwaalt, hoeft niet te zoeken naar een definitieve periodisering, een ultieme canonisering, een encyclopedische volledigheid - voor alle duidelijkheid: ook niet in de stukken over de Nederlandstalige literatuur.”

Deze redenering maakt duidelijk dat dit boek weliswaar iets wil, de literatuurgeschiedenis van Europa geven, maar daarin maar zeer ten dele slaagt. Het grootste gevaar, waaraan het dan ook niet is ontsnapt, schuilt in het globale karakter van de informatie, in de opsomming van namen en titels en in de schijnbaar aangebrachte samenhang in de ontwikkelingen (ook in Duitsland . . . In Spanje vond iets dergelijks plaats . . . Daarnaast werd in Griekenland ook . . .).

Deze literatuurgeschiedenis is van alles wat: encyclopedie, literair lexicon, cultuurgeschiedenis, bloemlezing, naslagwerk. Men kan er een historische beschouwing in aantreffen over de schelmenroman, een lemma over Dante, een hoofdstuk over surrealisme en nieuwe zakelijkheid of over het literaire verzet tegen het totalitarisme in de jaren dertig.

Zonder enige twijfel kan het als informatiebron nuttige diensten verlenen. Ook wat de Nederlandstalige literatuur betreft, want ook die is in dit grote Europese verband opgenomen, al moet men zich daar niet al te veel bij voorstellen en blijft het beeld van onze literatuur zeer globaal.

Aan de manier waarop wij erin zijn verwerkt, welke namen er vallen en hoe ze gekarakteriseerd worden, is goed de aard van een literatuurgeschiedenis als deze af te lezen. De enige twee schrijvers die in aanmerking zijn gekomen voor een afzonderlijk profiel, zijn Vondel en Claus. Zij staan in de rij van Petrarca, Rabelais, Cervantes, Swift, Poesjkin, Kafka, Seféris, Beckett en nog enkele tientallen anderen wie deze eer te beurt viel. Tot de 'Gestalten van deze tijd', de huidige dus, aan wie apart een korte beschouwing is gewijd, behoren Faverey en Monica van Paemel, naast Eco, Frisch, Kadare, Kundera, Christa Wolf en anderen.

Noch Boon, noch Vestdijk, noch Couperus, noch Multatuli worden er uit gelicht, ze figureren ergens in de tekst als schrijvende mede-Europeanen. Laat eens kijken, dacht ik, hoe de dichter Leopold in dit verhaal voorkomt. Men verwacht hem opgevoerd te zullen zien als een van onze belangrijkste dichters in de symbolistische traditie, een dichter bovendien toch van minstens Europees formaat. Maar neen, Leopold komt maar één keer ter sprake en wel in de zin: “In 1912 verzamelde Boutens de tot dan toe alleen in tijdschriftafleveringen verschenen gedichten van de classicus Jan Hendrik Leopold (1865 - 1925) in de bundel Verzen”. De vermelding van dit feit ressorteert onder het hoofdje 'Naar een modern classicisme', dus Leopold heeft zijn nipte aanwezigheid in dit boek uitsluitend te danken aan het feit dat hij van beroep classicus was.

Vestdijk, ook met foto aanwezig, komt in twee alinea's aan bod. In de eerste, die over de schrijvers rond het tijdschfrift Forum handelt, wordt alleen gesproken over 'de veelzijdige auteur Simon Vestdijk'. In de tweede, daar direct op volgende alinea moet Vestdijk de ruimte delen met Multatuli, Nescio en Karel van het Reve en worden er voornamelijk wat titels opgesomd. Merkwaardig genoeg zijn daar ook titels bij van na de oorlog - merkwaardig, omdat het hoofdstuk gaat over 'Maatschappijkritiek en sociale satire' in de jaren dertig. De Anton-Wachter-reeks heeft daar niets, maar dan ook niets mee uitstaande (wel het ook genoemde 'Else Böhler, Duits dienstmeisje'), en hoe dan ook is het raar om Vestdijk onder deze chapeau op te willen voeren.

Het wordt natuurlijk een gedrang van jewelste als niet meer alleen de nationale, maar de gehele Europese literatuur moet aantreden. Niet iedereen kan binnengelaten worden en elk land stelt eigen prioriteiten. De Engelse poet laureate Larkin krijgt een hele alinea. Kopland daarentegen moet zich tevreden stellen met één zin: “Deze behoudende visie op de wereld” - van tijdschriften als Tirade - “is terug te vinden in bij voorbeeld de titel van het gedicht 'Laat het zo blijven' van Rutger Kopland (1934), uit Onder het vee (1966)”.

Een dergelijke typering is natuurlijk volkomen bezijden de waarheid, maar dat krijg je bij een onderneming als deze, waar in kort bestek veel op één hoop moet worden geveegd. Nooteboom, zelfs hij, wordt alleen even genoemd bij de schrijvers van Revisor-achtig proza en bij die van reisverhalen, dat is alles.

Zo vergaat het niet alleen onze schrijvers, ook die uit andere landen krijgen, op enkele bevoorrechten na zoals Shakespeare, Kaváfis en Joyce, een minimale ruimte. Stel dat Goethe nog eens op zijn wenken bediend wordt (of misschien is hij het al wel ergens) en de geschiedenis van de wereldliteratuur wordt geschreven, waar zouden onze schrijvers dan blijven? Misschien zouden ze er alleen nog in voor mogen komen voorzover ze in creatieve connectie staan met grote buitenlandse voorbeelden, uit hun eigen tijd of uit het verleden. Het valt nu al bij deze Europese literatuurgeschiedenis op, dat schrijvers die een internationale belangstelling aan de dag leggen (bij voorbeeld Du Perron, die bevriend was met Malraux, of Tone Brulin, die de Poolse toneelschrijver Jerzy Grotowski leert kennen) een streepje voor hebben.

'Nieuwe literatuurgeschiedenis', dertienhonderdvijftig bladzijden in totaal, ziet er uit als een schoolboek, met zo'n geplastificeerde harde band. Er valt, laat ik dat herhalen, heel veel uit op te maken en te leren ook, over stromingen, genres, onderwerpen als de rol van tijdschriften, de journalistiek, de vrouw in de literatuur, literaire kritiek, er staat van alles in over humanisme, verlichting, décadence, postmodernisme, over allerlei belangrijke auteurs, en, ten slotte, over de historie van de Europese literatuur. Maar doordat er zoveel in ter sprake komt, en zoveel wisselends, is het boek ook de onvermijdelijke lappendeken geworden, waarop in detail nogal wat valt aan te merken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden