Review

Zaden gaan op reis

Planten zitten vast aan de plek waar ze groeien. Ze kunnen zich niet zoals dieren vrij verplaatsen. Toch moeten ze kunnen ontsnappen aan verslechterende milieuomstandigheden en de mogelijkheid hebben nieuwe gebieden te koloniseren. Daar hebben ze vruchten voor. Hun zaden kunnen vele kilometers ver reizen.

Om op reis te gaan maken planten een handig gebruik van wind, water en dieren. Soms liften hun zaden ook mee met voertuigen. Een recent voorbeeld is het Zuid-Afrikaanse bezemkruiskruid, dat in Europa overal langs spoorwegen opduikt. Deze week vond ik het nog volop bloeiend onder de Rozenoordbrug aan de Amstel, waaroverheen de trein van Schiphol naar Noord- en Oost-Nederland raast.

Talrijk zijn de plantenzaden die uit Zuid-Europa meeliften in de vloermatten van caravans, die bij het schoonmaken worden uitgeklopt tegen huismuren.

Natuurlijk is dat geen aanpassing van de planten aan onze uitvindingen. Ze worden verspreid door de wind of door dieren, maar kunnen evengoed blijven kleven aan de wielen van een trein of aan de zolen van een vakantieganger. Of terechtkomen in een tent, die thuis wordt leeggeschud.

Met wind en water mee

Ontelbaar zijn de planten die hun zaden door de wind laten verspreiden. Iedereen kent de grijze pruikenbollen van paardebloemen en andere composieten. Op een gezamenlijke bloembodem heeft een bloemhoofdje een groot aantal bloempjes, die veranderen in zaadjes met een parachuutje. Wie heeft nooit paardebloemzaden op reis gestuurd door ze weg te blazen? Orchideeën hebben stoffijn zaad dat door de wind kilometers ver kan worden weggevoerd.

Soms laten planten hun zaden eenvoudigweg door de wind uit hun bekervormige vruchten schudden. De kiemplanten komen dan hoogstens een meter van de moederplant op. Net als bij springzaad en klaverzuring, die zelf hun zaden wegschieten.

Verspreiding door stromend water brengt het zaad verder. Een bekend voorbeeld is de lis. Als de vruchten verdrogen en openbarsten, vallen de platte zaden in het water. In de zaadhuid zitten luchtcellen, waardoor de zaden minstens drie maanden kunnen blijven drijven. Ze ontkiemen waar ze aanspoelen. Het aardigst zag ik dat deze zomer in de Texelse Horspolders. In de winter staat het water daar zo hoog in de duinvalleien dat alleen de lage duintjes erbovenuit steken. Om de voet van die 'bollen' groeien gordels van jonge lisplanten, alsof ze er zijn uitgeplant. De plantjes markeren hoe hoog het water in de winter heeft gestaan, want daar spoelden de zaden aan.

Komvormige vruchten laten hun zaden op een speciale manier door water verspreiden. Als daar een grote regendruppel in valt en uiteenspat, neemt die spat meteen het fijne zaad uit die vrucht mee. Zulke 'regenballisten' zijn bijvoorbeeld dotterbloem en goudveil.

Dieren als zaadverspreiders

Vruchten met venijnige weerhaken liften mee in de vacht van zoogdieren en aan de kleding van mensen. Zulke haakvruchten hebben de klitten, kleefkruid, duinhondstong en agrimonie. Tandzaad heeft zelfs geweerhaakte lanspunten in miniatuur, die bijna niet uit je sokken zijn te verwijderen.

Eekhoorns en bosmuizen verstoppen boomvruchten als wintervoorraad, verliezen die bij het transport of vergeten er een paar. Echte eikenplanters zijn de gaaien: ze poten eikels om in het voorjaar de zachte kiemlobben van de zaailingen te kunnen afpikken.

Sappige bessen worden door vogels en zoogdieren gegeten, die de harde pitten uitpoepen. De meeste zoogdieren zijn kleurenblind, omdat ze veelal actief zijn in de schemer en de nacht, waarbij de reuk een belangrijkere rol speelt dan het zien van kleuren. Vogels kunnen kleuren wel uitstekend onderscheiden, vooral rood. Daarom zijn de meeste vruchten die door vogels verspreid moeten worden, rood.

Veel vaker dan men gewoonlijk denkt, worden mieren ingeschakeld bij de verspreiding van plantenzaden. Dankzij de mieren komen na twintig jaar overal in de tuin sneeuwklokjes en blauwe scillaatjes op. Die insecten worden ertoe verleid de zaden mee te slepen naar hun nest door een bijzonder vetrijk aanhangsel van het zaad, het zogenaamde mierenbroodje. Een snoepje als beloning voor de mieren, die de zaden wegdragen.

Voor wie meer wil weten

De planten waar het om gaat, zijn het meest te vinden op mierenbulten, aan mierenpaadjes of aan de voet van muren, waar mieren langs lopen. Dat is niet alleen het geval bij sneeuwklokjes en sterhyacintjes, maar ook bij viooltjes, gaspeldoorn, zenegroen, helmbloemen, duivekervel, bernagie, stinkende gouwe, hondsdraf, dovenetel, speerdistel, winterpostelein, brem, tandjes- en parelgras, hengel, glaskruid, bingelkruid, wolfsmelk, herfsttijloos, geelster, vogelmelk, narcis, lente- en zomerklokje, nieskruid en drienerfmuur.

Hoe ik aan die lange lijst kom? Een paar maanden geleden verscheen een boek dat een overzicht geeft van alle in Nederland voorkomende vormen van zaadverspreiding van de wilde flora. Per beschreven plantensoort krijgt de lezer informatie over eigenschappen van zaden en vruchten, de verspreiding en de kieming. Ook hebben de auteurs een complete tabel voor alle Nederlandse plantengeslachten opgenomen met daarin de aanpassing, verspreidingswijze (zoals door mieren) en verspreidingsperiode.

Meer dan tachtig zaden van wilde planten zijn afgebeeld op elektronenmicroscopische foto's, die prachtige, voor het blote oog en zelfs door de loep onzichtbare details verraden. Kleurenfoto's geven een duidelijk beeld van de plant zelf, zodat ook niet-botanici kunnen zien over welke soort het gaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden