Review

Wie trok aan de bel over Dennendal? Zelfopoffering maakte plaats voor zelfontplooiing

Als je dienstweigeraar was en wat wilde beleven moest je in het begin van de jaren zeventig in de zwakzinnigeninrichting Dennendal gaan werken. Dennendal had het aureool van vrijheid en democratisering. Je kreeg daar geen bevelen die je uit had te voeren, maar men vroeg naar je mening en nam die serieus. Zo was het echter nog lang niet in 1965, toen psychologiestudent Carel Muller er stage kwam lopen.

Muller had zelf tweeënhalf jaar als dienstweigeraar gewerkt in de Rijks Psychiatrische Inrichting in Eindhoven, maar tijdens zijn studie had hij zich niet met zwakzinnigheid beziggehouden. Voor de zwakzinnigenafdeling van psychiatrische inrichting Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder bestond amper belangstelling. Net als andere vergelijkbare afdelingen in de psychiatrie leidde deze afdeling een kwijnend bestaan.

Door de komst van Muller naar deze afdeling (in 1969 omgedoopt tot Dennendal) en de buitensporige aandacht van de media en de politiek veranderde dit. Heel Nederland leek zelf wel een beetje Dennendal geworden. Dat in Dennendal geschiedenis werd geschreven stond vast.

De geschiedenis van Dennendal is al vaker geboekstaafd, in 1984 bijvoorbeeld in 'Het Dennendal-conflict 1973 - 1974: een prominenten-crisis' door U. Rosenthal en in 1994 in 'Om het geluk van de zwakzinnige. De geschiedenis van Dennendal 1969 - 1994' door J. J. Dankers en A. A. M. van der Linden.

In haar proefschrift presenteert Evelien Tonkens (1961), geschoold in politieke en sociaal-culturele wetenschappen, niet zozeer nieuwe feiten, maar zij rangschikt ze zo dat ze steevast tot dezelfde slotsom komt, zelfs al ligt een andere verklaring net iets meer voor de hand. Dat laatste geeft haar betoog iets krampachtigs.

Haar centrale these luidt dat al het gedoe in Dennendal achteraf uitstekend past in het kader van zelfontplooiing. Niet alleen in de zwakzinnigenzorg, maar in de gehele samenleving in de jaren zestig draaide het hier om. Dennendal was volgens Tonkens het brandpunt van het zelfontplooiingsstreven in de zwakzinnigenzorg, de geestelijke gezondheidszorg en de tegencultuur van de jaren zestig. In die stormachtige ontwikkelingen fungeerde de Dennendal-affaire als katalysator en omslagpunt.

Pers en politiek roerden zich, verdeeld in twee kampen, ongekend fel, waarbij links Dennendal koesterde en rechts de vernieuwingen daar vurig bestreed. Zowel in 1971, zij het korter en heftig, als in 1974, langdurig en bijna dagelijks, spitste het conflict zich toe op de persoon van de vernieuwingsgezinde directeur Carel Muller.

Op 22 maart 1971 berichtte De Telegraaf dat 'Den Dolder' dol draaide door drugsgebruikende, langharige en exotisch geklede kabouters en dienstweigeraars. Zij hadden volgens die krant de dood van een patiënt op hun geweten.

Enkele dagen later meldde de krant zelfs drie doden. Vanaf dat moment werd Dennendal een begrip. Al snel werd vastgesteld dat de doden niet het gevolg waren van Mullers beleid, maar de belangstelling was gewekt.

Het tweede, eindeloos voortslepende conflict leidde uiteindelijk tot de ontruiming van Dennendal op 3 juli 1974. Minister-president Den Uyl lichtte die avond de ontruiming, die hij als een nederlaag ervoer, persoonlijk op het NOS-journaal toe: ,,Maar we stonden met de rug tegen de muur, het kabinet heeft op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve een verziekte situatie aangetroffen', zo citeert Rosenthal hem over het Dennendal-conflict.

Tonkens nuanceert de visie van Dankers en Van der Linden dat Mullers beleid democratisch was. Muller moest van een formele democratie met regels en inspraakorganen niets hebben. Je kon alles met praten en het bereiken van consensus oplossen. Zijn democratie was informeel en berustte in wezen op de macht van het woord. Anti-autoritair en antihiërarchisch, dat wel, maar liefst in de door hem gewenste richting. Al balanceert Muller in Tonkens' proefschrift soms op het randje van de anarchie, hij wordt nergens tot karikatuur, laat staan een Nederlandse 'Raspoetin' die De Telegraaf graag van hem maakte.

Tonkens' beeld van Muller is duidelijk sympathieker. Haar opzet is echter nogal schools. En zij tast weinig door in haar onderzoek als het bijvoorbeeld de vermeende seks van de groepsleiding met pupillen betreft. Dan schiet haar speurzin tekort.

In haar boek heeft zij geprobeerd minder de officiële geschiedenis en meer de vernieuwers in beeld te brengen, maar wat de mening van de ouders van de pupillen was over de vernieuwers bekeek ze niet actief.

Volgens Muller gaven de ouders van de pupillen hun gehandicapte kind vaak te weinig ruimte. Ook vond hij hen vaak betuttelend. In Tonkens' boek zijn de ouders er al evenzeer bekaaid van afgekomen. Van de veertig interviews is er welgeteld één met een moeder. Een enkele klacht van ouders komen we te weten, maar wat er nu precies gebeurd is, niet.

In Dennendal waren de grenzen in de tijd van Muller vaak ver te zoeken, zoals medewerkers die in kleding van pupillen liepen. Met de orde, netheid en hygiëne was het droevig gesteld, zo blijkt uit het rapport van hoofdverpleegkundigen in februari 1970. Ze vonden dat hun positie werd uitgehold door de groepsleiders. Er was een tekort aan medisch-verpleegkundige zorg met als gevolg: ,,schubben in de liesstreek, vervuilde nagels, ondergoed dat naar de wasmand kon lopen, overhemden die niet op tijd verwisseld werden, voeten als kachelpijpen en ongewassen haren'.

Een maand eerder hadden de ouders van een pupil geklaagd over de ordeloosheid van de vernieuwers en de deplorabele toestand waarin zij hun dochter aantroffen. Er verdween speelgoed van hun dochter, schrijft de maatschappelijk werker die de klacht onderzocht, de sfeer op de afdeling was rommelig en er waren telkens nieuwe gezichten die niet op de afdeling hoorden. Tijdelijke overplaatsing van het kind naar de ziekenafdeling werd hun niet gemeld, terugplaatsing evenmin.

Op een avond troffen zij hun dochter in een volledig donkere kamer met het gezicht naar de muur. Ze bleek kletsnat, ook haar haren. De vloer in de kamer bleek nat. Ze had alleen een jasje aan. Er was een kleedje in de kamer en in de hoek van de kamer was een vreemdgeklede hippie-achtige man die zij niet kenden en die volgens de vader een dienst leek te houden. In het vertrek was tevens een leeg beslapen bed. De ouders kregen de indruk dat hun dochter gestraft was. Ze hebben het kind zelf droge kleren aangetrokken en vertrokken vol wroeging. Ze twijfelden of ze hun dochter van Dennendal moesten halen.

Was de figuur in de kamer niet gewoon stoned? We komen het niet te weten en de schrijfster oppert ook geen ander idee. Waarom zij de ouders een veeg uit de pan geeft, valt moeilijk in te zien. Een nader gesprek van de auteur met de ouders of familie zou wellicht helderheid hebben verschaft. Nu moeten we het doen met haar commentaar, dat ,,de ouders het kleedje, het water op de vloer, het beslapen bed en de man in de kamer expliciet noemen, alsof het vreemde voorwerpen zijn die niet in de inrichting thuishoren, en waar ouders dus ook niets mee te maken willen hebben'.

Haar conclusie luidt ,,dat ouders en hippie elkaar niet hebben gesproken, hetgeen de maatschappelijk werker niet verbaast'. Hoe weet ze dat zo zeker, en: wat doet het er toe? Ook na het herhaaldelijk doornemen van deze passage blijf je met een groot vraagteken zitten.

Minder oppervlakkig is Tonkens' analyse dat zelfopoffering (door verpleegsters) in Dennendal plaatsmaakte voor zelfontplooiing (geïnspireerd door vooral mannelijke groepsleiders) en dat het conflict begin 1970 tussen de verpleegkundig directeur Willem André en de psychologisch directeur Carel Muller draaide om het ondemocratisch functioneren van Dennendal met ordeloos gedrag en egoïsme van de groepsleiding. Alleen begreep het publiek dat in de omstreden symbolen van de tegencultuur: seks, drugs en lang haar. De hoofdverpleegkundigen vonden seks bij de vrijages in de groepsleiding minder erg dan hun egoïsme in dat opzicht. Wat voor de betrokkenen in feite marginaal was (seks, drugs en lang haar), werd door buitenstaanders tot de kern van het probleem gemaakt.

Ten slotte maakt Tonkens het zich nodeloos moeilijk door de organisatiebrede splitsing in Dennendal in twee kampen tussen Muller en het formeel ingestelde schoolhoofd Hendrik van Nek in januari 1974 te zien als gevolg van de interne logica van het zelfontplooiingsregime. Volgens mij speelt de inhoud bij conflicten als regel minder een rol dan de factor macht en charisma van de leider. Je ziet dit bij elke scheuring door geloof of ideologie.

Sommigen beschouwen Dennendal slechts als een beschamende weeffout van de tijd, maar op zich 'gewoon samen mens zijn' van Muller en de zijnen als een prachtig idee. Maar door de dilemma's van het zelfontplooiingsregime was dit mooie idee volgens de schrijfster tot mislukken gedoemd. Overigens heeft het begrip zelfontplooiing inmiddels plaatsgemaakt voor zelfbeschikking of autonomie.

Onopgelost blijft de vraag welke medewerker De Telegraaf nu inseinde in 1971. Was het inderdaad B. van Heegen, de schrijver van het anti-Muller-boek 'Dennendal, mand vol eieren' (1974)? Tonkens oppert die naam, met verwijzing naar A. J. Heerma van Voss, maar zonder uitsluitsel te geven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden