Review

Wie, ik? Ja, jij!

Ger Groot neemt zijn eigen leesgeschiedenis onder de loep en stuit daarbij op Maria. „In de boekgeschiedenis is Maria het symbool van iedere lezer die ontdekt dat het boek dat hij in handen heeft over hém gaat, zijn leven verandert, zijn bestemming aankondigt en hem roept.”

Ger Groot

Lezen is een van de minst opvallende dingen die een mens kan doen. Er komt geen geluid en nauwelijks beweging bij te pas. Alleen de hand beschrijft af en toe een kleine boog om de bladzijde om te slaan. Verder niets, of het zou de lichte schommeling moeten zijn waarmee mensen zoals ik tijdens het lezen hun bovenlichaam heen en weer laten wiegen. Beschouw het als de tegenhanger van de voor- en achterwaartse buiging van orthodoxe Joden bij het reciteren van hun heilige geschriften.

Dat is ongetwijfeld irritant voor wie het mee moet maken. In openbare gelegenheden moet ik bij het lezen mijn lichaam voortdurend tot stilstand dwingen. Vreemd genoeg komt dan juist de rust mijn concentratie verstoren. De lezende geest splitst een klein deel van zichzelf af om zijn eigen uitwendige verschijning te observeren: houdt de romp zich nog wel stil? Het allerlaatste wat deze lezer geven wil is openbare aanstoot.

Of is het de angst me belachelijk te maken? Dat risico loopt een lezer in de publieke ruimte hoe dan ook. Zijn wereldvreemdheid wekt licht de spot op. Het boek isoleert en dat krijgt snel iets hooghartigs. Helemaal ongelijk heeft de publieke aanstootnemer dus niet. Het lezen kán een een zwijgende vorm van agressie zijn, van hetzelfde soort als waarmee gebelgde echtelieden zich in bed slapende houden.

De gekromde rug is de frontlijn van die agressie. In foetushouding weert de gesimuleerde lezer de wereld af, in een bijna roerloos uitgevochten oorlog van wederzijdse antipathie, waarin er voor lezen steeds minder ruimte blijft. Zoals er nog nooit een filosoof is geweest die dacht zoals Rodin meende dat het moest, zo straalt ook de lezer die krampachtig voorgeeft lezer te zijn in werkelijkheid het tegenovergestelde uit.

Wat geldt voor een vijandige omgeving, geldt evenzeer voor de bewondering. Ook de behaagzucht die de blik van de omstanders wil vangen, bedient zich graag van het boek.

Over zijn bovenrand heen laten zich goed zwoele blikken werpen. Het meesterstuk van het gesimuleerde lezen is het boek dat – al dan niet met opzet – ondersteboven in de handen ligt.

Heb ik ooit zó een boek gelezen? Dat moet dan lang geleden zijn geweest. Lezen in publiek doe ik bijna nooit meer. Het is een aangelegenheid geworden voor de binnenkamer: het werkvertrek waar het bureau en de leesfauteuil staan. In kasten houden de boeken de wacht als het gezelschap dat ook Montaigne al zo graag in zijn toren opzocht.

Híj kleedde zich er speciaal voor in zijn zondagse kleren; zelf vrees ik daarvoor te zeer een kind te zijn geworden van de informalisering. Ik verkeer met de boeken in een intimiteit die mij zelfs het schommelen van mijn bovenlichaam niet kwalijk neemt, zoals ik hun hun statigheid niet verwijt.

Iedere opgeruimde boekenkast krijgt vanzelf iets eerbiedwaardigs. Hier staan ze toch maar, de vruchten van de menselijke geest, in ordelijke rijen te wachten op het moment waarop ze de lezer mogen verrijken. Hier passen ontzag en stilte, de klassieke attributen van de bibliotheek – hét symbool van geleerdheid en hoge cultuur. Ze vormt het ideale decor van praatprogramma’s met een pretentie en deskundigen die zich graag in de rug gedekt weten.

Zo keert de intimiderende aanmatiging van het boek opnieuw terug: nu niet in de handen van de lezer maar als de achtergrond van zijn verschijning. In beide gevallen zijn zij het teken van wat niemand op het eerste oog kan zien: een rijke binnenwereld. In de onvermijdelijke vraag van de bezoeker of de bezitter al die boeken ook werkelijk gelezen heeft, strijdt de verplichte ironie met de onwillekeurige bewondering, die meestal het pleit wint.

Want hoe alarmerend de kranteberichten over ontlezing en de neergang van het boek ook mogen zijn, aan het aanzien van dit allerhoogste cultuurgoed dragen zij alleen maar bij. Het ontzag waarop de lezer bij voorbaat al kan rekenen, verdient hij nu eens temeer. Hij is de standvastige cultuurverdediger die op zijn post blijft tegen alle beschavingsverval in. Hij staat voor civilisatie, wanneer hij – letterlijk – voor zijn boekenkast staat.

Daarom is het boek zo’n machtig wapen in de prestigestrijd. Wie geletterd is mag dan soms uitgescholden worden om zijn ’boekenwijsheid’, meestal heeft hij toch het laatste woord – al was het maar omdat hij over zo véél woorden beschikt. Onverlet de vraag of dat hem per se wijzer maakt, kan hij zijn wijsheid in ieder geval breder stofferen.

Wat geschreven staat, heeft nog altijd een bijzondere autoriteit – ook al wordt het boek daarin steeds meer beconcurreerd door de A4’tjes van het McKinsey-rapport, het sociologisch onderzoek en de aanbevelingen van het IMF. Gezag heeft wat van papier is – en het papier is op zijn beurt geduldig.

Dat laatste meent en hoopt althans de boekenlezer. Want het geduldige papier, dat rustig het moment afwacht waarop zijn gelijk zal blijken, is bij uitstek dat van het boek. Gaan kranten al op de dag na verschijning de kattebak of de recycling in, A4’tjes worden op zijn duurzaamst jaarlijks geruimd uit de administraties en archieven. Als ze geluk hebben worden ze op microfilm gezet of digitaal bewaard. Tot in het extreme verkleind gaan zij vervolgens een virtuele maar ook tamelijk onzichtbare oneindigheid tegemoet.

Pas de handzamere formaten van het in quarto, in octavo en in duodecimo lenen zich werkelijk voor de toonbare duurzaamheid van het boek. Daar staan ze op mijn boekenplanken de eeuwigheid uit te stralen die mij via hen met Montaigne verbindt.

Op de jezuïetenschool van mijn jeugd was er nog één pater die met regelmaat brevierde. Langzaam liep hij de binnenplaats op en neer, verdiept in de religieuze oefening van zijn gebedenboek. Aan verstand en eruditie ontbrak het hem zeker niet. Onderwijzers waren in die tijd nog halve geleerden en zijn koppige verzet tegen de vernieuwingsdrift van die dagen pleitte misschien des te meer voor zijn intellectuele onafhankelijkheid. Zijn breviergewoonten waren daarvan het zichtbare teken. Ze staken schril en misschien zelfs enigszins militant af tegen de verlichte moderniteit die zich in die jaren nogal rumoerig baan brak.

Want die honger naar vernieuwing vroeg om een ánder soort lezen. Het moest een avontuur zijn, nieuwe werelden openen en waarheden blootleggen van een steeds verder voortschrijdende wetenschap. Nooit heeft die zich in die jaren zo indrukwekkend aan mij getoond als toen de biologielerares een eerder gegeven les bleek te moeten herroepen. Onderzoek had nieuwe feiten aan het licht gebracht, naar ik meen over het uitsterven der dinosauriërs. Dát was kennis, dát was wetenschap. Met bijna fysieke opwinding voelden we ons ooggetuigen van het oprukkende wetenschapsfront.

Zo ontvouwde zich in mijn middelbareschooltijd gaandeweg een universum waarvan het boek de schatkamer was. De natuurkennis vormde daar – in die jaren van studietwijfel: fysica of toch filosofie? – maar één kant van. De literatuur kwam er al snel bij, als een minstens zo uitgestrekt continent van boeken die ik ooit allemaal zou lezen. Ik kocht mijn eerste roman van Hugo Claus, door Kees Fens in de Volkskrant de hemel in geprezen. En ik wendde me, na teleurgestelde ruggespraak met mijn leraar Nederlands, naar Hella Haasse: ’De scharlaken stad’, ’De tuinen van Bomarzo’ en vooral ’Een nieuwer testament’ – de nogal onbekend gebleven roman waarvan ik pas jaren later zou ontdekken dat die ook háár favoriet was.

Deze gretige ontdekkingstocht had geen geduld met de langzaam lachwekkend geworden leesoefening die slechts obsolete waarheden herhaalde. Hij moest en zou resoluut modern zijn en hij had haast. Pas veel later zou ik ontdekken dat juist deze botsing met de wegdeemsterende premoderniteit een van de fascinerendste denkopgaven voor diezelfde moderne geest vormde.

Het verlichte lezen heeft immers méér van doen met het overlezen van het bekende dan het veelal wil onderkennen. Het draagt nog altijd iets met zich mee van het bidden waarmee het in de Europese geschiedenis zo hecht verbonden is geweest. Zoals het brevier wacht op goddelijke verlichting, zo staat ook dit lezen in afwachting van iets wat nog niet aanwezig is maar wel al rondwaart, en zich zal tonen wanneer de geest het licht ervan ziet. Daarom is ook het moderne lezen tot herlezen bereid, minstens zolang het inzicht uitblijft en in afwachting daarvan. Of – omgekeerd – om de opgetogenheid van de doorbraak opnieuw te beleven.

Ook dit lezen keert de blik naar binnen om voor dat licht de ruimte vrij te maken, in de stilte van het studeervertrek dat ik eerder de ’binnenkamer’ noemde. Dan zoekt de moderne lezer op zijn beurt in het bekende het nieuwe, dat als een onverwacht strijklicht over de letters valt en daarin een verrassende betekenis zichtbaar maakt. Het is een meditatief soort lezen, dat maar wat rondrommelt in en door en over de tekst waarmee het bijna vervloeit. Het wíl niets meer en precies daarom valt alles het toe.

Dit soort lezen is wellicht het best verbeeld in de klassieke scène van de Annunciatie. De maagd Maria zit er half verrast, half ingetogen bij terwijl voor haar een engel verschijnt – en in haar handen heeft de schilderstraditie een boek gelegd dat daaruit bijna wegglipt. Zover was de evangelist zelf niet gekomen. Bij Lucas is van een boek geen sprake, maar vanaf de Middeleeuwen wordt de maagd Maria een lezeres.

Wat zij in haar hand houdt zou een gebedenboek zijn, zo willen de commentaren: een boek waarvan God de centrale figuur is in een geschiedenis waarin ook zij een cruciale rol te spelen zal krijgen. In haar gebedenboek leest Maria in zekere zin de aankondiging van haar eigen drama. Het is alsof de hemelse bode die zij tegenover zich ziet niet van God is neergedaald maar als figurant uit het boek zelf tevoorschijn is gekomen. Zo wordt de Annunciatie de eerste mise-en-abîme in de boekgeschiedenis en Maria het symbool van iedere lezer die ontdekt dat het boek dat hij in handen heeft over hém gaat, zijn leven verandert, zijn bestemming aankondigt en hem roept.

Wie, ik? Ja, jij.

In die hoop neemt de lezer steeds weer opnieuw het boek ter hand dat hij gaat lezen, al is het het tienduizendste. Altijd vormt het een belofte, en wanneer deze onverhoopt in dít boek blijkt te worden ingelost, is het alsof hij thuiskomt. Ieder woord verrukt, plotseling of soms in een zwellend crescendo, omdat het speciaal voor hém geschreven lijkt. Daarom laat zo’n boek zich eindeloos herlezen. Of de lezer allang weet wat er staat, doet er niet meer toe: al bij eerste lezing viel iedere syllabe immers precies op de goede plaats, was het alsof de lezer al precies wist wat er komen zou.

Daarom herlees ik jaar na jaar sommige hoofdstukken, verzen, dialogen of passages uit de boeken die mij dierbaar zijn. Ik ken ze grotendeels al uit het hoofd, maar ik wil ze zien omdat ik weet dat ik mij de tekst ondanks alles nooit helemaal tot de mijne zal maken. In het herlezen speel ik een vreemd verstoppertje met de woorden en met mijzelf. Zij zijn van míj geworden, maar om tot mij te kunnen blijven spreken, moeten ze ook buiten mijn geest toonbaar blijven, als iets dat nog steeds niet helemaal is uitgeput door mijn geheugen en begrip.

En dus komt er vanzelf een derde speler bij die die uitwendigheid nog eens versterkt: mijn stem. Ongemerkt wordt het herlezen een hardop lezen. Niet alleen de ogen volgen de tekst, maar ook de oren eisen hun aandeel. Het lezen zoemt rond in de woorden die het koestert en streelt in een verliefd soort obsessie.

Dat gebeurt alleen met de schaarse boeken die net zo speciaal voor ons geschreven lijken als onze hartsgeliefde uitsluitend voor ons geschapen heet. De toevalsrekening weet wel beter, want alles in de wereld is lukraak. Maar van dat realisme trekt de liefde zich niets aan, bij het boek al evenmin als bij de geliefde. Zij zijn van hem, voor hem bestemd, in een band die niets of niemand zal verbreken – of het moest de tijd zijn die alles ontbindt.

Meestal gaat het er niet zo verliefd aan toe. De verwachting waarmee het nieuwe boek wordt opengeslagen, is al even ongewis als die van de blind date. In de meeste gevallen zal ze snel uitdoven en op de laatste bladzijde hoogstens wat zwakjes flakkeren. Teleurstelling is voor de lezer wat acedia voor de mysticus was. Het boek dat beklijft, is zo zeldzaam als een boekloze Annunciatie.

Gewoonlijk verloopt het lezen dan ook in een nogal sloffende alledaagsheid die van het bidden vooral de raffelende achteloosheid heeft overgehouden. De ogen volgen nog wel de regels maar van een gestaag grotere afstand. Niet omdat zij de inhoud al letterlijk zouden kunnen dromen, maar omdat die hen gaandeweg doet indommelen. Lezen is de bevoorrechte en vaak kortste weg naar de slaap, met het nachtkastje als stille getuige.

Alleen puritanisten kunnen daar bezwaar tegen hebben. Als het boek leeft met ons, dan zal het ons ook overal begeleiden. Het wordt de vanzelfsprekende compagnon wiens aanwezigheid wij nauwelijks nog opmerken, maar wiens afwezigheid we des te pijnlijker missen. In de trein zoeken we vergeefs naar de roman die we vergeten zijn bij ons te steken, in een ergernis die groeit terwijl de vertraging langer duurt.

Zo worden wij ondankbaarder jegens het boek naarmate het in ons leven een belangrijker plaats inneemt. Zoals lezen tot de onopvallendste bezigheden van het mensenbestaan behoort, zo wordt het boek een van de onopvallendste attributen. Het is altijd wel binnen handbereik; achteloos bladeren we erin omdat we niets beters te doen hebben. In de horror vacui die onze dagindeling tot op de laatste seconde volstouwt met nuttige bezigheden, is het gedrukte woord de stopverf dat de laatste naden dicht.

Vermoedelijk neemt het percentage hartsboeken van een lezer recht evenredig af met de omvang van zijn boekenkast – eenvoudigweg omdat daaraan een numerieke grens gesteld is, ergens tussen de vijftig en honderd. Wanneer die inwendige boekerij vol is, kan er alleen maar iets bijkomen als er tegelijk iets afvalt. Ik ken mensen die volgens dat criterium ook paal en perk stellen aan hun fysieke boekenkast, die daarmee langzamerhand de exacte replica wordt van hun literaire bewustzijn.

Mij is een dergelijke soberheid vreemd. Bittere herinneringen heb ik aan het enkele boek dat ik ooit van de hand deed en daarna altijd heb gemist. Sindsdien heb ik nooit meer afstand gedaan van enig werk, hoe onbenullig of overbodig het ook mocht lijken. Het resultaat was een almaar uitdijende boekenkast. Alles moest gelezen, was gelezen of zou ooit wórden gelezen: dat werd de geheime drijfveer van mijn leven.

Rond mijn twintigste begon ik boeken te lezen in het bewustzijn dat ik er achteraf iets over schrijven moest. Nog geen tien jaar later las ik alléén nog om er iets over te schrijven – zo niet direct dan toch later. Het schrijven werd de echo van het lezen en mijn boekenkast het stille water waarin ik mij als Narcissus steeds meer weerspiegeld zag.

Wie vormde wie? De eerste de laatste, denk ik. Het toeval heeft grotendeels mijn leeswereld bepaald, en die bepaalde míj weer. Mijn boekenkasten vulden zich zonder enig vertoon van Intelligent Design en werden zo het bewijs van een literaire vraatzucht die al snel moest ontdekken dat boeken zijn als drakekoppen. Voor alles wat verslonden werd diende zich het tienvoudige als nieuw weer aan.

Meer dan zo’n tweehonderd boeken jaarlijks kan zelfs een veellezer in alle fatsoen niet aan. Met enig geluk kan ik voor mijn dood nog nét datgene de baas wat in mijn kasten nu al op lezing wacht. Maar de roep om een grotere discipline heeft weinig zin meer en zou de tweede helft van mijn lezend leven alleen maar vergallen. Tegenover een onuitputtelijke boekenwereld capituleer ik liever niet voor mijn eigen eindigheid. De dood komt, hoe dan ook, te vroeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden