Review

'WHO THE HELL IS GROEN?' Antirevolutionair, oranjeklant, tuchtiger der rijken

Dr J. W. Kirpestein, 'Groen van Prinsterer als belijder van Kerk en Staat in de 19de eeuw', uitg. Groen, 243 blz. - F 39,95.

In wezen was Groen mild, warm, vriendelijk en van een zeldzame zuiverheid handel en wandel. Nimmer heeft men hem op enig persoonlijk of politiek opportunisme of op conventionele leugens om bestwil kunnen betrappen. Hij achtte zich dan ook geen staatsman maar een Evangeliebelijder. De Drie Formulieren, Dordt, de calvinistische grondslagen van het in de Nederland historisch gewordene, waren zijn schild ende betrouwen. Hij is waarschijnlijk met Abraham Kuyper, van wiens luidruchtig inhaken bij het spel op de politieke barricade hij zich distantieerde, ongetwijfeld de grootste protestant van onze negentiende eeuw. Hij protesteerde in de ouderwetse zin van het latijnse protestari: “om openlijk en met nadruk te verklaren dat de onverdragelijkheid van een dwaalbegrip ontwijfelbaar was.”

Groen valt met zijn gedurende vele tientallen jaren zeer invloedrijke hoofdwerk 'Ongeloof en revolutie' te plaatsen naast de christelijk-conservatieve denkers Haller en Stahl en naast de anti-revolutionair Burke, die tegenover de uit de Franse revolutie voortgekomen ideologie een nieuw geestelijk, sociaal en cultureel bastion voor een hergegroepeerde contra-revolutie wilden neerzetten. Want DE revolutie, aldus Groen, “is immers de stelselmatige omkeering van begrippen waardoor, in plaats van ordeningen Gods, de eigenwijsheid en willekeur van den mensch ten grondslage van Staat en Maatschappij van regt en waarheid, gelegd wordt.”

In het - zich in de omarming bovendien van steeds grotere religieuze en zedelijke vrijzinnigheid - breed maken van de volkssoevereiniteit zag Groen de essentiele dreiging van de dictatuur. Telkens weer onderstreepte hij het: de koning was de eerste, bij uitstek, om de rechten van minderheden te verdedigen, terwijl de volkssoevereiniteit die rechten wilden verdrukken, maar daarentegen de rechten van een immers vaak opportunistische of demagogische meerderheid wilde verabsoluteren. Indien de liberaal-revolutionaire en daarmee verbonden vrijzinnige religieuze krachten verder veld wonnen, past daar tegenover een christelijk-historische trouw aan de eigen beginselen, in het isolement waarvan ook de kracht kon liggen.

In zijn monografie over de ontwikkeling van Groens ideeen: 'Groen van Prinsterer als belijder van Kerk en Staat in de negentiende eeuw', stelt dr J. W. Kirpestein - die hiermee de doctorshoed haalde - dat de in 1801 geboren Groen pas rond 1829, toen hij in Brussel het monsterverbond van liberale en katholieken zag complotteren tegen de Oranje-monarchie, tot zijn beslissende anti-revolutionaire inzichten kwam.

Een zwaar ziekbed oefende rond 1833 voorts invloed op Groens persoonlijke bekering - door de auteur diens toeeigenen van het heil genoemd - tot orthodox bevindelijk christendom. De schilderachtige figuur Merle d'Aubigne, Oranjehofprediker maar vooral de calvinistische Michelet van de protestantse kerkgeschiedenis, beinvloedde Groen ten diepste, evenals diens uiterst toegewijde en zich prijzenswaardig aan de christelijke charitas wijdende echtgenote. Deze viel overigens bijna flauw en barstte in tranen uit toen Merle, gelijk hij bij elke kennis deed die hij een tijdje terugzag, de zware vraag stelde: “Zijt gij wel bereid te sterven?” Groen gaf hem gelijk, daar ging het nu precies om, een echte christen moest altijd elk moment zonder angst bereid zijn te sterven.

Voor Groen vormde 1813 het gouden vertrekpunt tot de herorientatie op een christelijk nationale eenheid rond de koning. Dat juist die koning, Willem I, een reglement voorschreef aan de hervormde kerk en een ontwikkeling in de richting van vrijzinnigheid binnen die kerk toestond - die Groen verre van moesten bevallen - was een van de grote tegenslagen in Groens leven. Hij zag in het nieuwe Nederland de geest van de Verlichting, die het nihilisme van de revolutie had veroorzaakt, rustig doorwerken. Hij ontwikkelde zich tot halve theoloog en felle kerkelijke polemist om de vrijzinnigheid in de hervormde kerk, enorm aangewakkerd door de invloed van Groninger Richting, tegen te houden en tot kerkherstel te komen. Daardoor had ook wat later de Doleantie werd voorkomen moeten kunnen worden.

Een grote slag voor Groen was, dat in dit gevecht de geducht orthodoxe Isaac da Costa hem als compaan ontviel. Deze streefde namelijk een wat hij noemde 'medische' genezing van het verval der kerk na: deze moest van binnen uit, uit de harten komen en sterk ethisch getint zijn. Groen stond al op het juridische stuk van de Drie formulieren en op een geloofsbelijdenis die haaks stond op elke ironische inzet. De halfslachtige 'medische' behandeling van de patient zou enkel geleidelijk halfzacht afglijden naar de vrijzinnigheid of vrijblijvende midden-orthodoxie in de hand werken. Om te bewaren moest je revolutionair zijn! De anti-revolutionair Groen stond dus voor een conservatieve revolutie, zoals hij uiteraard in zijn geschiedwerken voor de volle honderd procent de lans brak voor de protestants-conservatieve revoluties van de zestiende eeuw in Nederland en van de zeventiende in Engeland.

Dat Groen een onvervaard strijder op zijn standpunt was, blijkt vooral uit de door Kirpestein (die naar een krachtige herwaardering van Groens conservatieve revolutie of rechtzinnige restauratie tendeert) verrassend naar voren gehaalde sociale opstelling van Groen en diens verzet tegen Bismarck. In sociaal opzicht stond Groen in de traditie van het door Kirpestein als invloed te veronachtzaamde Reveil. Zelf beoefende hij de christelijke charitas op drastische wijze door inzet van zijn kapitaal.

Met zijn vrouw liep hij bijeenkomsten af om de rijken te tuchtigen tot naastenliefde, het eerste en laatste punt van een christendom in de praktijk op aarde, en bezocht hij soep- en broodloodsen om de helpende hand te bieden aan het wassende leger armen. Groen was zelfs bereid een 'evangelische vorm van communisme' te accepteren als het moest. Dat de nieuwe staat van Thorbecke de charitas met z'n nieuwe sociale wetten van de kerk af wilde pakken, vond hij fataal, in die charitas stak nu juist de kern en diepste zin van kerk en christendom. Zeer scherpzinnig doorzag Groen welke een revolutie er achter de Bismarckpolitiek stak. Het was een van boven opgelegde witte revolutie, die elke ethiek uit de politiek verdreef. De staat werd bij Bismarck een door en door ideologisch instrument voor een Kulturkampf tegen religie en kerken.

Hier nam Groen het ook warm op voor de katholieke conservatieven, als Gerlach en bisschop Ketteler, die de handschoen tegen Bismarcks totalitarisme durfden opnemen. In dit van radeloze schriftuurlijke activiteit berstende leven - jarenlang redigeerde Groen de door hem volgeschreven krant De Nederlander, hij inventariseerde op z'n eentje Oranjearchieven, hij onderhield uitputtende correspondenties, schreef tal van historische werken en essays en honderden pagina's bestaande Adviezen aan de Tweede Kamer - valt Groens respectabele, telkens weer de barricade opgaan voor verdrukten op. Hoewel hij zelf niet met de afscheiding van 1834 meeging - hij vond die te radicaal, te dweperig in enkele opzichten en een te provocerende breuk met de hervormde kerk van Dordt, het arme moedertje des vaderlands - polemiseerde hij heftig in een beroemd geworden pamflet tegen de jarenlange aan terreur grenzende maatregelen, die de staat tegen de Afgescheidenen nam. Toen in 1853, bij het herstel van de r. k. hierarchie door middel van de instelling van bisdommen, er een felle protestantse volksbeweging losbrak tegen het nieuwe cesaro-papisme, wist Groen weer de waardige nuances aan te brengen.

Hij bepleitte het recht der roomskatholieken evenzeer als dat hij Rome op de vingers tikte over het handhaven van een kwaadaardige terminologie over alles wat calvinistisch of protestants was. Zo schreven roomse publicisten nog rustig dat Calvijn en Luther als aartsketters op de brandstapels hadden moeten flakkeren.

Uiteraard gaat Kirpestein diep in op Groens jarenlange strijd voor een christelijk onderwijs en verzet tegen het liberale of neutrale onderwijs van Thorbecke cum suis, dat met een sausje christelijke deugden werd overgoten, maar in werkelijkheid recht op vrijzinnigheid en onkerkelijkheid uitliep. Uiteindelijk werd Groen de verdediger van het meest bijzondere christelijke onderwijs in een voorspel op de latere Schoolstrijd waarover ik althans bij Kirpestein in grote verwarring achterblijf. Maar het is ook een, vooral in de nuances, historische wel erg achterhaalde affaire. Dat was Groens strijd tegen het liberalisme en de vrijzinnigheid beslist niet.

In 'Ongeloof en revolutie' lijkt het soms alsof Groen visionnair al het bolsjewisme en nationaal-socialisme van de twintigste eeuw zag aankomen en bestreed als de gevaarlijkste bastaarden van de Franse revolutie en radicale in zijn tegendeel omslaande Verlichting. De verwatering van het verpolitieke en verethiseerde christendom heeft hij - gestorven in 1876 - niet meer in de treurigste vormen meegemaakt. De door Kirpestein uitgediepte polemieken tegen de vrijzinnigheid tonen intussen aan, dat die van bij voorbeeld Kuitert bij ons thans nog bijna midden-orthodox of confessioneel lijkt naast die van een Zaalberg in het midden van de vorige eeuw, die in Jezus niet veel meer dan een bijzondere joodse rabbi wilde zien.

Kirpesteins boek is geen biografie, maar hij had toch in relatie tot Groens scherpe standpunten zeker wat meer in mogen gaan op Groens rol en invloed in de Tweede Kamer, evenals op Groens contacten met zoveel toonaangevend tijdgenoten in binnen- en buitenland. Die pleiten namelijk ook voor Groens breedte in interesse en vriendschap waar hij zo polemisch op zijn stuk kon staan. Met de Amerikaan Motley, die er in slaagde meeslepende werken over de Nederlandse geschiedenis te produceren, was Groen bevriend, terwijl hij als Oranjeklant fel uithaalde tegenover Motley's wat Loevestijns aandoende verdediging van Oldenbarneveld tegen prins Maurits.

Wie leest Groen nog? Zeker niet de studenten van de Vrije Universiteit in wier kringen ik onlangs ervoer dat de naam Groen hen volkomen vreemd was Who the hell is Groen? Voor mij doemt hier een vervaarlijk stuk wetenschappelijk obscurantisme op, waar ik het nu notabene heb over studenten geschiedenis. Groens stijl is bij alle ironie en elegantie vaak zwaar, stug, gemaniereerd, moeilijk. Maar wat een schitterende figuur van ontzagwekkend intellect en belezenheid blijft hij toch! Hij is een van de mooiste karakters van onze negentiende eeuw.

Dat Kirpestein daarop weer in het krachtige door Groen uitgegeven boek modern zicht geeft,is een aanzienlijke prestatie. Voor de liefhebbers bieden de noten voorts veel boeiende, prikkelende zijwegen. Aan het slot van zijn werk concludeert Kirpestein, dat Groen niet met de Doleantie zou zijn meegegaan, wat van een predikant van de hervormde gemeente ook nauwelijks kan verwonderen. Toch zie ik, als men Groens standpunten doortrekt naar onze tijd - Groen verklaarde ooit de hele geschiedenis het belangrijkst als kerkgeschiedenis - eerder verwantschap met de SGP of RPF dan met de Gereformeerde Bond. Misschien zou Groens geschrift over een toekomstige antirevolutionaire partij - uit 1860! - nog eens herdrukt moeten worden, alleen al om de hele CDA van verbazing en ontzetting te zien rillen en beven. Maar voor alles groeide in mij na lezing van Kirpesteins boek een groot verlangen naar de grote, moderne biografie van Groen van Prinsterer. Kan daar de Vrije Universiteit - Who the hell is the VU? - daar niet eens opdracht toe geven?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden