Review

Werken op het Wad voor een habbekrats'Soms stond je negen uur achter elkaar in het slik te werken'

'Slikken of Stikken' is verschenen bij Uitgeverij Meinders in Scheemda en kost f 34,90

HANS DE PRETER

Het duurde even voordat hij van oudere Wadwerkers had geleerd, dat men zich glijdend door het slik moet voortbewegen om vooruit te komen. Ook legden ze hem uit hoe je moet scheppen in het slik en rijsdammen moet aanleggen om landaanwinning mogelijk te maken. "We werkten in de slikken voor een habbekrats. Een verkeerd woord tegen de chef, en je vloog er uit; een uitkering kon je dan vergeten. Maar echt klagen deed ik niet: je mocht blij zijn dat je dat nog mocht doen. Wie tegenwoordig een baan heeft die hem niet bevalt, heeft ook niet zo veel keuze meer. Dus blijf je" .

Ritzema (63) ging op zijn zeventiende voor het eerst 'naar de slikken' om buiten de dijk bij Noordpolderzijl te helpen bij de landaanwinning. Samen met duizenden andere werkloze Nederlanders werkte hij in het kader van de werkverschaffing op het Wad. In de jaren dertig, veertig en beginjaren vijftig werden duizenden werklozen op het Wad te werk gesteld. Aanvankelijk hielpen ze bij de drooglegging van nieuwe polders, later bij landaanwinning langs de kust. Dat het voor veel werklozen op het Wad een zeer zwaar bestaan was, blijkt uit het recent verschenen boek 'Slikken of Stikken' van de Groningse journalist Cees Stolk. Het boek beschrijft de werkverschaffing in Groningen in de periode 1939-1955, en is daarmee een interessante regionale geschiedschrijving. Wie het boek gelezen heeft, zal met wat andere ogen het fraaie noord- en oost-Groningse landschap bekijken, wanneer hij of zij over de dijk loopt te pierewaaien.

Tandenknarsend

De landaanwinning heeft heel wat bloed, zweet en tranen gekost. Overigens gaat een deel van het vroeger met veel inspanning gewonnen land langzaam weer verloren: het Rijk heeft geen geld meer voor de bescherming van de drooggelegde kweldergrond. Sommige ex-Wadarbeiders zien tandenkarsend toe hoe het op de zee bevochten land gestaag verdwijnt. Maar Sjors Ritzema wint zich er niet over op.

Hij had, toen hij naar de slikken ging, nog geluk: hij woonde in Groningen en kon 's avonds met de bus naar huis. Werklozen uit verder gelegen plaatsen moesten overnachten in een van de barakken bij werkverschaffingsprojecten in Groningen of Friesland.

"De eerste dag in de slikken herinner ik me nog heel goed. 's Morgens om vier uur moest ik me melden op de Vismarkt in Groningen. Daar kreeg ik een schop en lange lieslaarzen. Per bus werden we naar de slikken gebracht. Dat viel zwaar tegen. Je zakte diep weg in de modder. Het scheppen van het slik vereiste een bepaalde techniek die je eerst moet leren. Lopen lukte niet, de laarzen zogen zich vast. Aan het einde van de dag was ik kapot en ziek van de zware, rottende blubberlucht. Op de terugweg naar huis heb ik de hele bus onder gekotst" .

De aangroei van de kust voor Groningen en Friesland werd eeuwenlang door de zee verzorgd. De zee voerde vruchtbare slib via kreken en geulen naar de kust. Eeuw in, eeuw uit, voerde de zee aldus kweldergrond aan. In het begin van deze eeuw besloten de boeren het zelf te doen, maar midden jaren dertig nam het rijk de landaanwinning over: de systematische landaanwinning zou een mooie gelegenheid zijn om duizenden werklozen zinvolle arbeid te geven. De werklozen kregen als taak rijsdammen aan te leggen, waarachter zich het slib kon afzetten dat door de vloed werd aangevoerd. Ook moesten de werklozen zorgen voor afwatering, waardoor er sneller begroeiing zou ontstaan op de verse kweldergrond, opdat het aangevoerde slib werd vastgehouden.

De barakken, waar de werklozen in het kader van de werkverschaffing in de jaren dertig ondergebracht werden, werden in de oorlog door de Duiters gebruikt om werkloze joodse Nederlanders onder te brengen. In het boek van Stolk is een hoofdstuk gewijd aan de manier waarop joden vanaf 1942 in slikkenkampen waren ondergebracht, waar ze eerst werden afgebeuld en vervolgens naar Westerbork vervoerd.

Na de oorlog werden de werkverschaffingskampen eerst nog gebruikt om NSB'ers gevangen en aan het werk te houden. Ook werden enkele barakken gebruikt om ZuidMolukkers in onder te brengen. Maar al spoedig kwamen de meeste barakken weer vrij voor de werkverschaffing. Het zou tot 1955 duren, dat werklozen voor de Groningse kust werden ingezet bij de landaanwinning. Daarna werden machines ingezet voor het Wadwerk: zo werden grijperkranen gebruikt die in een klap het werk van 500 arbeiders overbodig maakten.

Uit het boek 'Slikken of Stikken' blijkt dat de werklozen het in de jaren vijftig wel beter hadden dan hun voorgangers in de jaren dertig. De werkverschaffing had in de jaren dertig zo'n slechte naam gekregen, dat de arbeidsomstandigheden na de oorlog wat werden verbeterd. De werkverschaffing kreeg een nieuwe naam: 'Duw'. De afkorting stond voor: Dienst uitvoering werken, maar volgens de Duw-arbeiders stonden de drie letters voor: Door uitputting winst. Met name in Oost-Groningen was de regeling impopulair. In Finsterwolde ontstond in 1949 zelfs een staking van Duwarbeiders toen er geen vrije zaterdagmiddag kwam. Het conflict liep zo hoog op, dat de regering de communistische gemeenteraad buitenspel zette. De Duw bleef bestaan tot 5 juli 1954.

"Ik kwam uit een gezin met tien kinderen. Mijn ouders hadden een groente- en fruitzaak, maar daar was geen werk voor mij. Ik kon niets anders krijgen, en ik had geen zin om te stempelen. Dus koos ik voor het Wad. Je werkte met het tij mee. Als het vloed was, kon je uiteraad niet werken en was je vrij. Soms, als het water niet kwam opzetten, moest je doorwerken, en stond je negen uur achter elkaar in het slik. Het gebeurde wel dat je 's avonds om tien uur klaar was, naar huis ging en 's morgens om vier uur al weer terug moest" , vertelt Ritzema.

In de provincie Groningen werd in het kader van de werkverschaffing land gewonnen over een lengte van 40 kilometer langs de kust, in Friesland over een lengte van 20 kilometer. Jaarlijks waren er gemiddeld 1 200 tot 1 500 Wadarbeiders.

Versleten

Nadat Sjors Ritzema een seizoen in de slikken had gewerkt, hield hij het voor gezien en vertrok naar Limburg, om in het kader van de Duw in de mijnen te werken; vervolgens werkte hij bij zandwinning in De Peel. Dat was zwaarder dan op het Wad. Ritzema, die in zijn jeugd een ijzersterke man moet zijn geweest, werkte vervolgens nog enige tijd in de Noordoostpolder, totdat hij een betaalde baan vond als kolensjouwer. Daar werkte hij tot z'n 47ste. Toen waren zijn rug, heup en knieen versleten en kwam hij in de WAO terecht. In zijn woonkamer in Groningen zit hij nu in een aangepaste stoel, maar met een ongebroken geest.

Wat vindt hij, als oud-Duw-arbeider, van plannen om uitkeringsgerechtigden te verplichten om bollen te gaan pellen? "Onzin! De tijd van de werkverschaffing hoeft niet terug te keren. In de bollen worden omzetten van miljoenen gehaald, laten ze hun personeel maar een goed salaris geven. Dan krijgen ze vanzelf wel personeel. Het zware werk wordt het minste beloond. Dat was vroeger zo, en is nog steeds zo." .

Het heeft de familie Ritzema materieel gezien niet meegezeten in het leven; sinds Ritzema noodgedwongen in de WAO zit, moeten hij en z'n echtgenote rondkomen van een minimum-uitkering. Maar verbitterd zijn ze daarover niet: ze genieten van wat ze hebben. En hun zoons hebben tenminste een goede baan.

Terug naar de slikken gaat Ritzema eigenlijk nooit meer. Hij houdt niet van de zee. Geef hem de bossen maar!

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden