Review

Werk in de steigers

Waarom zou je een interview lezen met een schrijver, die zich in een boek wil uitdrukken? Wat heeft het léven van een auteur met zijn kunst te maken? De Amerikaanse biografe Julie Phillips las een serie beroemde interviews met schrijvers als Truman Capote, John Updike en Philip Roth, en vergelijkt het vraaggesprek met de foto van een wolkenkrabber in wording: minder indrukwekkend dan het gebouw zélf, maar wel degelijk intrigerend.

Sommige lezers willen liever niet te veel over schrijvers weten. Een boek is voor hen een op zichzelf staand geheel, een wereld om in rond te dwalen. Ze zijn bang om erachter te komen dat de schepper van zulke prachtige scènes vol liefde en tragedie in werkelijkheid een verbitterde alcoholist is, een slechte ouder, of een saaie piet op feestjes. Of ze willen gewoon niet dat de schrijver tussen hen en het werk komt te staan.

Sommige schrijvers hebben soortgelijke bedenkingen over het geven van interviews. In een gesprek uit 1968 stelt de jonge John Updike dat een interview per definitie een vertekend beeld geeft. „Hoe hard je ook je best doet om eerlijk en volledig te zijn, ze blijven in wezen bedrog. () In elk interview zeg je toch meer of minder dan je wilt. Je verlaat het eigenlijke terrein van je kracht en wordt de zoveelste die uitgebreid gaat zitten oreren. () Mijn leven is in zekere zin rommel, mijn leven is alleen maar datgene waarvan mijn werk het residu vormt.”

Toch blijft de relatie tussen de rommel van het leven en het residu van de kunst ons fascineren. Het leven is onvermijdelijk de grondstof voor de kunst, en ondanks William Faulkners bekende uitspraak ’De schrijver is alleen maar verantwoordelijk voor zijn kunst’, zijn er schrijvers van wie de biografie betere leesstof biedt dan hun werk. Zo zegt Gore Vidal over F. Scott Fitzgerald: „ Wie kan het wat schelen wat hij schreef? Alleen zijn leven telt.”

Misschien kunnen we het schrijversinterview beter beschouwen als een kunstvorm op zich, zoals het essay of de short story. Het werk van de schrijver staat tot interview zoals een afgebouwde wolkenkrabber staat tot de bekende foto’s van bouwvakkers op een stalen skelet, hun benen tweehonderd meter boven de stad bungelend. Het bouwwerk is indrukwekkender, maar de foto heeft zo zijn eigen schoonheid. De lezer die van zulke making ofportretten houdt, kan het in elk geval slechter treffen dan met de befaamde interviews die sinds 1953 zijn verschenen in het Amerikaanse literaire tijdschrift ’The Paris Review’.

Twee bundels van deze interviews, met schrijvers variërend van Graham Greene en James Baldwin tot Gabriel García Márquez en zelfs Stephen King, zijn onlangs uitgebracht in het Engels. Nu hebben Joost Zwagerman en uitgever De Bezige Bij een bloemlezing samengesteld voor de Nederlandstalige lezer. Zij besloten zich te beperken tot Amerikaanse prozaschrijvers; de twintig interviews in ’De ontdekking van de literatuur’ lopen chronologisch van William Faulkner in 1956 (inclusief bovengenoemde uitspraak) tot Joan Didion in 2005.

De lezer die veel smeuïge biografische details verwacht, heeft pech. Heel vaak wordt de geïnterviewden gevraagd naar schrijvers die ze bewonderen of naar de techniek van het schrijven: „Hoe begint u een boek?” „Herschrijft u veel?” Er wordt gevraagd hoe de schrijver werkt: met pen, potlood of de typemachine? In welke positie? (Hemingway: staand; Truman Capote: liggend.) Hoeveel uur per dag? Gore Vidal steekt de draak met de vraag hoe hij zijn schrijfdag begint: „Eerst koffie. Dan stoelgang. Dan komt de muze erbij.”

Het is fascinerend om van dichtbij mee te maken hoe de schrijver de strijd aangaat met het witte papier. Een thema dat vaak terugkomt, is de worsteling om een balans te vinden tussen observatie en vakmanschap aan de ene kant en de ondefinieerbare, ongrijpbare kracht van de inspiratie aan de andere kant. Truman Capote: „Het beschikken over stijl, een stijl, is vaak een hinderpaal, een negatieve kracht, niet een versterking.” Het gaat om persoonlijkheid. „De individuele menselijkheid van de schrijver, zijn woord of gebaar naar de wereld, moet bijna een personage lijken dat contact maakt met de lezer.”

Don DeLillo ziet het als een kwestie van de teugels aanhalen en weer laten vieren. „Eerst wil je discipline en zelfbeheersing. Je wilt je wil oefenen, de taal jouw kant op dwingen. Je wilt de stroom van impulsen, beelden, woorden, gezichten, ideeën onder controle krijgen. Maar er is iets hogers, een geheim streven. Je wilt het loslaten. Je wilt jezelf verliezen in taal, je wilt een transporteur of een koerier zijn. De beste momenten gaan altijd gepaard met een verlies van beheersing.”

Philip Roth beschrijft hoe hij inspiratie vindt door schrijven te beschouwen als een act. „Een personage spelen. Je uitgeven voor iets wat je niet bent. () Het vervalsen van mijn biografie, van mijn verleden, het brouwen van een halfdenkbeeldig bestaan uit het werkelijke drama van mijn leven ís mijn leven.”

(Interessant genoeg praten alle geïnterviewde vrouwen – en het zijn er maar drie: Joan Didion, Susan Sontag en Mary McCarthy – niet over inspiratie maar over technische aspecten van het schrijven: waar ze hun research hebben gedaan, welke historische personen ze hebben gebruikt als model. Het zijn alle drie in de eerste plaats essayisten; misschien gaat de muze bij deze schrijvers op een andere manier te werk? Of voelen vrouwen zich minder vrij om zich door hun inspiratie op sleeptouw te laten nemen?)

Soms zijn de schrijvers die over hun eigen léven praten, het meest verhelderend. Het interview met Raymond Carver uit 1993 sleept je mee, omdat hij zo’n ongewoon schrijversleven heeft: working classachtergrond, op zijn achttiende getrouwd met zijn zwangere vriendin, studie afgemaakt na jaren van bijbaantjes en bittere armoede (hij schreef korte verhalen omdat hij geen tijd had voor romans), bescheiden succes, en vlak daarna een bijna tien jaar lange overgave aan alcohol en wanhoop.

Al deze dingen zijn van belang, en niet alleen omdat ze mede Carvers werk hebben gevormd. Want als we willen ontdekken wat ervoor nodig is om schrijver te worden, is het misschien aardig om te weten of een schrijver een pen gebruikt of een computer, maar veel belangrijker om te horen dat Carver bijna zijn schrijverscarrière had opgegeven toen hij als conciërge in een ziekenhuis werkte.

Een ander zeer biografisch gesprek, en een van de beste, is dat met Kurt Vonnegut. Het halve interview weidt hij uit over de kracht van slapstick: „Weet u wat een van de grappigste dingen is die in een film kunnen gebeuren? Als je iemand door een plas ziet lopen die ondiep lijkt, maar die eigenlijk twee meter diep is.” Maar na zijn beschrijving van het bombardement op Dresden – hij was daar als krijgsgevangene en moest meehelpen met het zoeken en cremeren van de 130 000 doden – kun je zijn absurdistische zwarte humor moeilijk anders zien dan als een reactie op die verschrikkingen.

Het boek is voorzien van een bewonderende inleiding waarin Joost Zwagerman, groot liefhebber van de Amerikaanse literatuur, laat merken hoe hij geniet van het lezen over deze collega-schrijvers. Wel is de keuze die hij heeft gemaakt enigszins eenzijdig uitgevallen. Een selectie met maar drie vrouwen en geen enkele zwarte schrijver geeft een vertekend beeld van wat Amerikaanse literatuur is en kan zijn. Waarom niet bijvoorbeeld de zwarte Nobelprijswinnares Toni Morrison, of James Baldwin?

Andere slordigheden vertoont het boek ook; waarschijnlijk het gevolg van haastwerk. Namen en titels worden verkeerd gespeld (’Napolean’, ‘George Simenon’). Erger is dat sommige van de vertalers niet opgewassen zijn tegen de stijl van de schrijvers. Dé reden om Vidal op te nemen in de bundel zijn zijn vileine opmerkingen over andere schrijvers – waar in vertaling nauwelijks iets van overeind blijft. En het doet pijn om John Updike’s sublieme stijl teruggebracht te zien tot vlak en gemakzuchtig vertaald Nederlands.

Dit alles neemt niet weg dat er een aantal werkelijk briljante interviews in dit boek staat, met rake meningen over de werking van creativiteit.

Zoals er lezers zijn die er niet van houden om het schrijfproces te uitvoerig te analyseren, zijn er schrijvers die niet in psychoanalyse geloven. Ze zijn bang dat ze, als ze de bronnen van hun inspiratie verstoren, hun gave zullen verliezen. De scherpzinnige Philip Roth gelooft hier niets van: „De ervaring van de psychoanalyse was waarschijnlijk nuttiger voor mij als schrijver dan als neuroticus, hoewel er hier sprake kan zijn van een vals onderscheid.”

Zijn interviewer, biografe Hermione Lee, vraagt hem naar autobiografische elementen in zijn werk, en hij antwoordt droogjes: „U vraagt me hoe de kunst zich verhoudt tot het leven? Zo ongeveer als de ongeveer achthonderd uur die mijn analyse heeft gekost zich verhoudt tot de ongeveer acht uur die het kost om ’Portnoy’s klacht’ voor te lezen. Het leven is lang en de kunst is korter.”

Vertaling Jan van Houten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden