null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

BoekrecensieRoman

Welkom in de wereld van twee kantoorhelden

Rob van Essen stuurt zijn personages (én lezers) het bos in maar houdt daarbij de touwtjes strak in handen.

Een jongeman die zijn overleden moeder in tram 81 ziet zitten; de chef van een of andere ‘dienst’ die boven het kantoor woont en toch met de fiets naar zijn werk gaat; zijn ondergeschikte die hem daarop betrapt­­; een moeder die zich een jeugd herinnert­­ op een dak met glazenwassers die in gondels langs de gevels suizen...

In Miniapolis creëert Rob van Essen een even uitzonderlijke als vertrouwde wereld – wie De goede zoon las, Van Essens vorige roman, waarvoor hij in 2019 de Librisprijs ontving, zal veel herkennen. Veel kantoorgedoe ook: ontheemde mannen die elkaar beloeren in krappe ruimtes die door de bedompte lucht nog kleiner worden, ‘alsof de wanden zich naar elkaar toe bewogen en de van vochtkringen voorziene systeemplafonds traag naar beneden zakten’.

Jiskefet

Lange tijd had ik het gevoel in de kantoortuin van Jiskefet beland te zijn, of het universum van Alex van Warmerdam. Scherpenzeel en Wildervanck, zo heten deze kantoorhelden. Ze leven in een tijdloos, of nee: ouderwetsig heden, mét computers, maar zonder mobiele telefoons, hebben geen vrouw of vrienden, gaan gekleed in blauwe kreukelregenjassen, en aan bagagedragers hangen stevige linnen fietstassen met leren riempjes. Ondergeschikte Scherpenzeel besluit zijn chef te volgen want wat in godsnaam spookt Wildervanck uit? ‘Was er een buitendienst? Ging hij naar het hoofdkantoor? Bezocht hij cliënten thuis?’ Of gaat hij naar Jonathan, voornoemde jongeman, die kort nadat Scherpenzeel hem aan een brug heeft zien hangen (zelfmoord) aan het bureau van zijn chef zit?

Voor de heren er erg in hebben fietsen ze elke ochtend achter elkaar. Steeds verder gaan ze, van stad naar platteland. Op een dag biedt Wildervanck zijn achtervolger een kop koffie aan, uit een thermoskan uiteraard. Tegen de tijd dat ze een bos inrijden – waar links en rechts van de weg hoge stammen van naaldbomen omhoog rezen, ‘allemaal met dezelfde tussenruimte’ – hebben ze de gedaante aangenomen van Pierre Bokma en Jack Wouterson; in het hoofd van deze lezer dan, waar ze aan het slot van de roman transformeerden in twee striphelden: Suske en Wiske (dat zal wel door hun initialen komen). Van Essen speelt daarmee, met het brein van zijn lezers en dat van zijn personages: hij keert het binnenstebuiten.

Een Dickensiaanse schaduwwereld

Na zijn bezoek aan de dienst (waar S en W werken) vindt Jonathan zijn doodgewaande moeder onder de brug van het ‘Noord­station’ waar ze samen met andere daklozen de nachten doorbrengt. Het is een kosmos die parallel loopt met de even schimmige als romantische verhalen die zij memoreert over de ‘kinderkolonie’ waar zij zou zijn opgegroeid: een Dickensiaanse schaduwwereld op het platte dak van een enorm landhuis (waaraan die glazenwassers hingen) waar ze van hem, haar zoon, beviel. Ze moest hem afstaan. Nu moeder en zoon elkaar hebben teruggevonden gaan ze op zoek naar die ‘dakjungle van zandsteen’ van waaruit de gewone buitenwereld (van velden en bossen die ze nu doorkruisen) onecht leek ‘als behang met diepte of de beschilderde binnenkant van een halve bol, het kon sneeuwen zonder dat je eraan schudde…’

Van Essen stuurt ze op pad, die twee koppels. Het ene stel op zoek naar iets: de droom(?)wereld van die moeder; Scherpenzeel en Wildervanck, wég van iets, zonder duidelijk doel: de wijde wereld in. Dat die roadnovels elkaar (opnieuw) gaan kruizen lijkt onvermijdelijk, al had ik halverwege de roman het (prettige) gevoel dat de schrijver, net als zijn kantoorhelden, zomaar aan iets begonnen was, en wel ging zien waar dat zou eindigen. Het tegendeel (b)leek waar: van Essen heeft de touwtjes strak in handen. Steeds dieper voert hij je zijn stadstaat in.

‘Een goede politieserie is geen puzzel’

Of je er, als liefhebber van detectives, nou beter in wordt te raden wie de dader is, vraagt Scherpenzeel aan Wildervanck op zeker moment bij een broodje in een uitspanning. Daar gaat het niet om, wijst deze hem terecht. Het gaat om sfeer. ‘Een goede politieserie is geen puzzel. Bij een goede serie komt het plot op de tweede plaats.’

Met veel vernuft en voelbaar schrijfplezier legt Van Essen de puzzelstukjes die hij zelf heeft rondgestrooid weer in elkaar – het moet gezegd, en er blijft genoeg te raden over – maar het leggen van die puzzel kaapt de roman een beetje. Geráákt werd ik in passages waarin plot noch sfeer dingen om de eerste plaats. Bij dat broodje bijvoorbeeld, als detectiveliefhebber Wildervanck de geur opsnuift van de rivier: ‘een geur van water en planten, een groene geur, zou hij bijna zeggen. Over het uitzicht lag een zweem van wazigheid die alles in een gelig licht zette, alsof er honing in de lucht gemengd zat. Ja, dacht hij, honing, dat is het. Ze waren de enigen hier, het versterkte het idee dat plotseling in hem opkwam: dat dit speciaal voor hen was neergezet; niet alleen voor hem, maar voor hen tweeën.’

null Beeld

Rob van Essen
Mineapolis
Atlas Contact; 224 blz. € 21,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden