Review

WAT ZAL IK NU WEER EENS ONDER ZIJN AANDACHT BRENGEN?CHRISTELIJK ONDERWIJS

Een op de drie ouders van een kind op een protestantse school is qua geloof tegenwoordig 'niks' of 'anders dan christelijk'. Dat plaatst zulke scholen voor problemen: hoe vertel je de verhalen uit de Bijbel - en hoe niet? Over zulke 'identiteitsvragen' verscheen 'Kleuren van een toekomst - christelijk onderwijs en schoolcultuur'. Kleuren van een toekomst, christelijk onderwijs en schoolcultuur, Tom Kroon (red.), Uitgeverij NZV Hilversum, ISBN 90 6986 1895.

ESTHER HAGEMAN

Fout, vindt Tom Kroon. Een jaar geleden, op een symposium van de Marnix Academie in Utrecht, riep wijsgerig pedagoog Kroon de scholen op om een derde weg in te slaan. Die lezing van toen is nu tot een boek verwerkt, aangevuld met adviezen, meningen, reacties van anderen. Zoals bijbelverhalenverteller Nico (Het Verhaal Gaat) ter Linden.

Een protestantse basisschool moet opwekken tot een 'christelijk-spirituele' levenshouding, vindt Kroon. Het is niet zozeer de bedoeling dat zo'n school nieuwe protestantjes kweekt. Het is meer de bedoeling dat een school kinderen gevoelig maakt voor de ervaring dat 'er meer is'.

Alleen, dat lukt zo slecht. Veel christelijke scholen zadelen hun leerlingen op met een dualistisch beeld van het leven, vindt Kroon. Aan de ene kant leer je er iets over de wereld van wetenschap, macht en economie. Aan de andere kant is er blijkbaar 'iets anders' - maar wat je daarover leert kan zonder pijn of spijt opzij worden gelegd. Zo boeken christelijke scholen dus tegendraadse resultaten.

Op de 'christelijk-spirituele' school waarvan Kroon de advocaat is, werkt dat zo niet. Die doodt het geestelijke leven niet, maar wekt het. Het vak 'godsdienst' is daarvoor helemaal niet zo essentieel, vindt Kroon. Leerkrachten bakken daar in de praktijk namelijk weinig van. Vooral 'vertellen' is bij hen vaak een zwak punt, net als 'bidden'.

Kroon: “Een gebed is op school vaak: 'Heer help ons, want vandaag staat er dat en dat te gebeuren'. Leerkrachten vinden het vaak erg moeilijk: wat zal ik vandáág nu weer onder zijn, met een hoofdletter, aandacht brengen? Het punt is: jonge kinderen nemen zo'n gebed letterlijk. God moet blijkbaar elke dag vermurwd worden om bepaalde dingen te doen, mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, zaken die ons na aan het hart liggen in de juiste richting te leiden.”

Van Kroon mag de vrijheid van de docent om zelf te bepalen wat hij bidt wel worden afgeschaft. Een moment stilte, of een voorgeschreven gebed-van-de-week kan volgens hem minder kwaad. Want aan een foute stijl van bidden, of een foute manier van bijbelverhalen vertellen, kleven volgens hem flinke risico's: dat kinderen er een 'mythisch-sacrale' godsdienstigheid aan overhouden - de stijl die je ziet bij zware kerkgenootschappen.

Maar wat is dan eigenlijk wèl een goed verteld verhaal? Nico ter Linden, de best verkochte bijbelverteller van het moment, geeft daar verderop in het boek tips voor. “Het is net als bij een mop: die moet je om te beginnen zelf leuk vinden. En een tweede vereiste: je moet hem heel goed vertellen, anders is de mop eraf.” Vertellen is ook: theater maken. Daarom moet de overgang van de 'gewone' lessen naar het bijbelverhaal duidelijk worden gemarkeerd. Zijn eigen juffrouw placht 'Eerbiedig!' te roepen, maar hij adviseert een kaars aan te steken, een stilte te laten vallen, muziek te laten horen.

De kern van Ter Lindens betoog is: je mag nooit zomaar een verhaal vertellen. Je moet weten waarom je het vertelt. “Een bijbelverhaal gaat over mij. Als het niet over mij gaat, gaat het nergens over. Als ik geen vonk van binnen heb, kan die nooit overspringen”. Maar het gevaar dat Kroon bij verkeerd vertelde verhalen vreest, valt volgens Ter Linden reuze mee. Hoe een verhaal bij een kind aankomt hangt van meer af dan alleen van de verteller, denkt hij. “Anders dan de God in het verhaal van Abraham en Izaük zou mijn vader mij nooit willen offeren, daar was ik zeker van”. Een kind dat zich veilig voelt, vader en moeder vertrouwt, kan volgens Ter Linden heus wel iets hebben.

In Bennebroek en omstreken waren zeven moeders daar afgelopen seizoen niet zo van overtuigd als Ter Linden in zijn jeugd. In de gereformeerde kerk zaten zij een ochtend per week bijeen over het vraagstuk: hoe vertel je het de kinderen? Is elk Bijbelverhaal geschikt om aan kinderen verteld te worden? De ene moeder was 'niks', een ander 'van oorsprong katholiek'. Een derde, Tine, omschrijft zichzelf als 'gereformeerd, maar de kinderen zitten op een katholieke school want anders moeten we zo ver fietsen'.

Toen Tine zelf nog kind was, vond ze het verhaal van Abraham die met Izaük op gezag van God zijn zoon bijna offert “vreselijk. Echt vre-se-lijk. Stel je voor dat mijn vader dat zou doen!”. Ze voelde er niets voor, om dat verhaal nu aan haar eigen kinderen te vertellen. Maar tijdens die maandagochtendbijeenkomsten vergeleken de zeven moeders verschillende kinderbijbels met elkaar. Tine: “Dan kom je er dus achter dat ze onderling sterk verschillen. De ene vertelt dat verhaal heel eng, terwijl in de andere die ram eigenlijk al meteen op de proppen komt.” Kinderbijbels vergelijken, en met uitleg van een predikant beter snappen waar een verhaal 'eigenlijk' over gaat, ervaart ze als “heel geruststellend.”

Zulke praatclubjes zijn een noodzakelijke brug tussen de spirituele school en ouders die een actieve 'geloofsopvoeding' willen geven, denkt Kroon. Bovendien is het een geaccepteerd inzicht geworden dat de basis voor een geloofsontwikkeling thuis wordt gelegd, en niet op school.

Maar voor de kinderen op een christelijke school die van huis uit 'niks' zijn - en dat zijn er nogal wat - is de school de enige plek waar een vorm van 'geloofsopvoeding' wordt gegeven; als dat al gebeurt. En hoe graag de bobo's van het christelijk onderwijs dat ook anders willen, in de praktijk hebben de leerkrachten op zulke scholen evenmin altijd een 'harde protestantse kern'. Kroon: “Heel wat studenten op een christelijke pabo ontdekken tot hun schrik dat ze moeten leren bidden, of uit de Bijbel vertellen”.

Er zijn basisscholen die dat probleem oplossen door een professionele kracht in te huren die de Bijbelverhalen komt vertellen. Ter Linden is daar in elk geval niet voor. “Dat een ingehuurde dominee die verhalen vertelt, c'est son métier. Maar met de eigen man of vrouw zijn de kinderen als het goed is veel meer vertrouwd. Als die kan voordoen hoe je die twee werelden, van geloven en weten, met elkaar kan verenigen - daar gaat veel van uit,” vindt hij.

Hij is er evenmin voor als een christelijke school ook de hindoestaanse en islamitische Grote Verhalen gaat vertellen. “We gaan geen ramadan vieren. We vieren pasen. De verwarring wordt anders te groot”, vindt hij. Menige basisschool worstelt op het moment met dat vraagstuk; de eerste handleidingen hoe je Hindoestaans Divali of het islamitische Suikerfeest viert, zijn al geschreven.

Maar hoe haal je die hoge kwaliteitsnormen die Ter Linden stelt aan de vertelkunsten van de leerkracht, wanneer je een doorsnee leerkracht bent, die zelf eigenlijk net zo geseculariseerd is als de rest van de Nederlandse samenleving?

Op de docentenopleiding moet het 'vertelpracticum' in ere worden hersteld, vindt Barbara de Kort, theologe aan de Marnix Academie. Van haar eigen schooltijd herinnert ze zich het gebed allang niet meer, de liederen ten dele, maar de verhalen nog wel. Maar die verhalen moeten niet worden verteld op de 'de bijbel leert ons hoe we moeten leven'-manier van vroeger, met een moraal aan het eind. Volgens De Kort is elk kind al vroeg bezig een eigen levensverhaal te construeren: het geeft de dingen die het meemaakt een betekenis. De Grote Verhalen uit de bijbel kunnen daarbij behulpzaam zijn. De verteller van een bijbelverhaal is dan iemand die het kind 'betekenissen aanreikt'.

Ab Warnar, directeur van een christelijke basisschool in Culemborg waar 90 procent van de kinderen afkomstig is uit een niet-Nederlandse cultuur, is eigenlijk nogal sceptisch over het gepraat over een ideale aanpak van het probleem. “Wij hebben op de werkvloer de tijd niet om heel lang na te denken over een aanpak. Wij moeten 's morgens om half negen al een beslissing nemen,” zegt hij. Volgens Warnar is het “een beetje waar” dat de kunst een verhaal te vertellen op de docentenopleiding in het ongerede raakte toen het voeren van kring- en leergesprekken daar in de mode raakte. Maar op de scholen is volgens hem vrij goed aangevoeld dat je het bij kinderen uit een cultuur waar veel verhalen worden verteld, juist moet hebben van verhalen. “Kinderen van analfabete ouders horen veel verhalen. Maar de islamitische wereld is alleen niet zo kindvriendelijk in z'n aanpak, zoals de christelijke wereld dat een eeuw geleden ook niet was. Van Turkse en Marokkaanse ouders hoor je dus weleens de reactie: 'Oooh, zo mooi hadden we het nog nooit horen vertellen'. In dat kindvriendelijke ligt voor een christelijke school de kracht. De Molukse bevolkingsgroep is christelijk en hier in Culemborg nogal aanwezig. Die herbergt werkelijk een schat aan verhalen. Maar dat weten weinig mensen. Dat komt doordat men langs elkaar heen leeft.”

Abraham en Izaük: van een beetje tot veel drama

Het verhaal van het offer van Izaük (Genesis 22) wordt in verschillende kinderbijbels op verschillende manieren verteld. Neem bijvoorbeeld 'De Bijbel voor jongeren' van S. Hastings (1995). In dat boek zijn we in 32 regels klaar met de hele geschiedenis: opdracht van God, reis, de vraag van Izaük wat er geofferd gaat worden, de offerscene, de stem van een engel, het ram, de zegening van de engel. Gertie Evenhuis en Nico Bouhuys, in 'Dromen van vrede' (1971), nemen meer woorden. Zij gebruiken twee figuren die in de Bijbel ontbreken, de jongens Joram, Oeri en Jochai, aan wie het verhaal wordt verteld. Ze geven er commentaar op: verontwaardiging en verbazing. Hun vader zou zoiets nooit doen. Maar Joram spreekt aan het einde de gewenste duiding van de geschiedenis uit: “Ik wist dat het goed zou aflopen. Meteen al, toen God zei: Eens kijken of ik helemaal op Abraham aan kan.” Bij Karel Eykman en Bert Bouwman, in de kinderbijbel Woord voor woord (1979), is het verhaal helemaal niet eng. Isaak komt helemaal niet op het altaar te liggen en Abraham heft geen mes. Het ram komt uit de struiken tevoorschijn voordat Isaak heeft kunnen denken dat hij misschien zelf het offer is. De duiding is ook iets anders: Abraham moest leren dat Isaak 'niet alleen van hem' is, maar evenzeer van God. In dit verhaal spreken alleen Abraham en Isaak - God en een engel zijn niet sprekend aanwezig. De 'Bijbel voor kinderen' van J.L. Klink (1973) is ook zuinig met drama. Ook hier gaat de uitleg niet zozeer over “aankunnen op” als wel over “bereid zijn terug te geven wat je hebt ontvangen.” Bij Klink is er wel een sprekende God. Bij W.G. van de Hulst (Bijbelse geschiedenissen, 1939) is het verhaal het volst met dramatiek. “Daar rees Abrahams bevende hand boven zijn borst, en in die hand glinsterde een mes.” En even verderop: “Zo is 't genoeg, dacht God. Hoe ritste nu het mes de touwen los, om Izaüks lijf gekneld.” Bij Van de Hulst spreekt niet een engel, maar God zelf.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden