Wat maakt het geluid van de cello zo mooi en bijzonder?

Beeld colourbox

Warm, menselijk, melancholisch. Iedereen houdt van de klank van de cello. Een componist, een cellist en een cellobouwer leggen uit waarom, aan de vooravond van een internationaal cellofestival in Amsterdam.

De componist: Joey Roukens 

Het stuk moet soms maniakaal ronken’

“Het cliché dat het geluid van de cello het dichtst bij dat van de menselijke stem staat, klopt absoluut”, zegt componist Joey Roukens (36). “Daarom voelt de klank van het instrument vertrouwd.”

Roukens schrijft voor uiteenlopende bezettingen en maakte in opdracht van de Cello Biënnale een nieuw werk, ‘Angeli’, voor vijf vrouwenstemmen en acht cello’s. “Het cantabile, de zangerige kwaliteit van een cello kent zijn weerga niet”, vervolgt Roukens. “Dat aspect én het enorme toonhoogtebereik maken dat het een buitengewoon aantrekkelijk instrument is voor mij als componist. Een cello kan ongeveer zo hoog als de hoogste vrouwenstem en zo laag als de laagste mannenstem. Dat prikkelt de fantasie om te schrijven.”

Een kersverse partituur ligt op tafel. De pagina’s zijn brandschoon, nog zonder ezelsoren en aantekeningen. “De stemmen en de cello’s in mijn stuk vormen samen een superkoor. Dat komt doordat die cello’s zo prachtig kunnen zingen. Met acht violen zou je dat nooit voor elkaar kunnen krijgen, die resoneren heel anders. Vooral in het hoge register ontwaar ik zangerige warmte. In ‘Angeli’, dat een zeer meditatief karakter heeft, maak ik daar veelvuldig gebruik van. Een cello kan heel goed een sereen gevoel uitdrukken.

“Ik zou gek zijn als ik als componist niet alle mogelijkheden van dit strijkinstrument zou benutten. De gradaties in expressie zijn eindeloos. Als je op de laagste snaar, de c-snaar, hard speelt, gromt het instrument en kan het lekker weerbarstig klinken – sommige gedeeltes in mijn nieuwe stuk moeten maniakaal ronken. En wanneer je in de laagte heel zacht speelt, krijg je juist een mysterieus geluid.

“Kijk,” zegt Roukens, en hij wijst op het begin van zijn stuk, “hier schrijf ik een houten demper voor, die dempt het geluid doordat de trilling van de snaren wordt ingetoomd. Meestal worden rubberen sourdines gebruikt, met een houten exemplaar krijg je een viola da gamba-achtige klank: poëtisch en mild.

“Ik hou erg van oude muziek. ‘Angeli’ klinkt als surrealistische oude muziek. Niet dat ik een vroeger geschreven stuk kopieer, ik geef een draai aan een bepaalde klanksoort. Dat is ook iets wat je kunt met een cello: hem juist niet als een cello laten klinken. Ik vind wel dat dit instrument zich het beste leent voor het romantische repertoire, in die zin ben ik een beetje eigenwijs geweest met mijn op oude muziek geïnspireerde compositie.”

‘Angeli’: 18 oktober om 20.15 uur, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam.

De cellobouwer: Guust François 

‘Duidelijke winterjaren geven een helder geluid’

Pok, pok, pok; viool- en cellobouwer Guust François klopt op een stuk vurenhout dat hij net van de wand heeft geplukt in zijn Amsterdamse atelier. “Hout dat geschikt is om een cello mee te bouwen klinkt helder en duidelijk,” stelt François, “zelfs als je het nog niet hebt vormgegeven. Je moet een welluidende klank horen die lang blijft hangen, geen doffe plof. Beroemde Italiaanse bouwers uit de zeventiende en achttiende eeuw als Stradivarius en Amati haalden hun hout uit Noord-Italië. Daar groeit goed spul, ik haal er ook mijn hout vandaan.”

Beeld Thinkstock

François bouwt al veertig jaar strijkinstrumenten en maakte meer dan zestig cello’s, niet alleen in Nederland. Op de Biënnale presenteert hij zijn cello’s aan het publiek. Voor hem ligt een klankkast, werk in uitvoering, een opdracht van het Royal Northern College in Manchester. “Ik bouw vaak naar een model van Giuseppe Baldantoni uit 1852, de verhoudingen ervan bevallen me. Het is natuurlijk nooit echt een kopie, ik verwerk wat ik zelf mooi vind. Ik pas de welvingen van het bovenblad iets meer of minder aan, al naar gelang de wens van de klant. Een lagere welving in het bovenblad zorgt voor een felle projectie, maar levert een andere klankkleur op. Je houdt er een directer instrument aan over.

“Voor het bovenblad van de klankkast, dat altijd van vuren is gemaakt, zijn de jaarringen van belang. Als de donkere strepen, de winterjaren, scherp zijn gedefinieerd, betekent dat dat de winter in één keer heeft ingezet. Dat hout heeft vaak hoog gegroeid. Duidelijk zichtbare winterjaren in het hout geven een helder klinkende cello.”

De welving in het bovenblad, de jaarringen, maar ook de kam waarover de snaren zijn gespannen en de zogeheten f-gaten aan weerszijden van die kam: de balans tussen deze en vele andere factoren is bepalend voor de klank van een instrument. Nog een bijzonder onderdeel: de lak. “De lak is altijd in ontwikkeling”, zegt François. “Ideaal vind ik lak op oliebasis. Die olie is als boter en smeer je erop met de hand. Olie is flexibel en geeft ook flexibiliteit aan het hout, en dus aan de klank.”

François is zelf cellist: “Geen instrument is fijner om in je armen te sluiten dan een cello. Een instrument dat er mooi uitziet en ambachtelijk in orde is, klinkt goed – die observatie klopt bijna altijd. De vloer onder mijn atelier is hol, als een cello goed is, trilt de vloer mee en resoneert de hele werkplaats.”

De cellist: Monique Bartels  

‘In de hoogte zit zilverglans, in de laagte zoek ik brons’

“Cellisten zijn gepassioneerde mensen, die overtuiging voel je als ze op het podium zitten”, weet Monique Bartels (70), jurylid van het Nationaal Cello Concours, dat gelieerd is aan de Biënnale. “De cello is vaak een passie, een ideaal. Je voelt het instrument in je corpus als je erop speelt, er resoneert iets in je. Strijkers en pianisten bespelen de instrumenten die om de meeste training vragen, dit moet je echt willen.”

Beeld Hollandse Hoogte / Richard Brocken

Bartels is uitvoerend celliste en heeft decennialang lesgegeven aan de conservatoria van Amsterdam en Den Haag: een modeldocente en een spilfiguur in het Nederlandse professionele muziekleven. Ze is nauw betrokken geweest bij de oprichting van de Cello Biënnale.

“Voor een kind al is een cello een spannend instrument: er is een klankkast, er zijn snaren waaraan je kunt plukken, op de kast kun je kloppen. Bij leerlingen heb ik het niet over hoe ik vind dat die cello moet klinken, ze moeten zelf hun klank zoeken, een voorstelling ervan hebben, dan krijg je het beste en eerlijkste geluid. Ik kan wel middelen aanreiken om een leerling verder te laten komen in zijn zoektocht.

“Mijn ideaalklank, en die wordt mede bepaald door het instrument, is een klank waar een bodem inzit, van daaruit bouw je als je speelt naar een groot en breed geluid dat straalt. In de hoogte komt er ook een klein laagje zilverglans aan te pas voor mij. In de laagte zoek ik naar brons.

“Je laat jezelf zien als je cello speelt, het is een persoonlijk instrument. Je hoeft geen prima donna te zijn, in een ensemble verzorg je de basis van waaruit een ensembleklank kan opbloeien. Een cellist kleurt, bepaalt de sfeer. Cellisten met een prachtige klank zijn vaak open en laten dat zo kenmerkende warme en ronde geluid horen.

“Er zit oprechtheid in de klank als je de natuur van het instrument volgt. De cello spreekt aan doordat hij menselijk en uitnodigend klinkt, de houding erachter is ook natuurlijk, je hoeft niets in je lijf te forceren. Als speler omarm je de cello, het instrument op zijn beurt omarmt het publiek.”

De zevende editie van de Cello Biënnale Amsterdam vindt plaats van 18 t/m 27 oktober in het Muziekgebouw aan ’t IJ en het Bimhuis, Amsterdam. Info: www.cellobiennale.nl

Lees ook:

‘De intimiteit van kamermuziek zit in me’

Celliste Harriet Krijgh is de opvolger van Janine Jansen als artistiek leider van het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden