Nausicaa Marbe

SchrijversinterviewNausicaa Marbe

Wat een communistische jeugd en corona met elkaar te maken hebben. 'Je hebt het gevoel dat het echte leven elders op je wacht’

Nausicaa MarbeBeeld Jildiz Kaptein

Corona bracht schrijfster en columniste Nausicaa Marbe terug naar haar jonge jaren in communistisch Roemenië. In Wachten op het Westen verhaalt ze over een zowel gelukkige als verstikkende jeugd. ‘Ik wist niet zeker of ik het vol zou houden.’

Nicole Lucas

Vanaf je tachtigste. Vooruit, zeventig mag ook. Maar eerder moet je eigenlijk niet aan je memoires beginnen, aldus Nausicaa Marbe (1963), schrijfster en columniste voor De Telegraaf. Ze kan er hartelijk om lachen. Want komende week verschijnt haar boek Wachten op het Westen, waarin ze teruggaat naar haar jeugd in het Roemenië van dictator Nicolae Ceausescu. Te vroeg dus. “Er sluimerde wel in mijn achterhoofd dat ik bijzondere dingen heb meegemaakt die de moeite waard zijn om op te schrijven, maar ik was er niet echt happig op. Dat komt later wel, dacht ik. Ik broed liever op de plot van een roman.”

Corona maakte alles anders. Corona bracht dat verleden zo helder in het vizier dat schrijven niet meer kon wachten. Marbe: “Het gebeurde in de eerste dagen, toen duidelijk werd dat er iets ernstigs gaande was dat ons leven op zijn kop zou zetten, al wisten we nog niet hoe. We hadden op een bepaald moment geen koffie meer in huis en het was ook nergens in de buurt meer te krijgen. Mijn dochter hoorde mijn man en ik daarover praten en ze zei: Wat? Is er geen koffie meer?

Nausicaa Marbe (Boekarest, 1963) is een Nederlandse schrijver, columnist en journalist van Roemeense komaf. Ze studeerde politicologie aan de VU. In 1998 verscheen haar debuutroman Mândraga, die werd bekroond met het Charlotte Köhler ­Stipendium. In 2014 verscheen Smeergeld, in Trouw omschreven als een ‘zeldzaam knappe en spannende ­roman’. Ze was ­zeven jaar columnist voor de Volkskrant en schrijft sinds 2013 een wekelijkse column voor De ­Telegraaf.

“Toen was ik ineens terug in het Roemenië van mijn jeugd. Er viel een kwartje; ik heb een kind dat in welvaart leeft, in vrijheid, in het westen, van dezelfde leeftijd als toen ik hier in Nederland kwam en ze stelt een vraag die ik destijds had kunnen stellen, toen in Roemenië basisproducten voorgoed uit de socialistische handel verdwenen. Ik zag ineens twee periodes uit mijn leven elkaar overlappen. Ik werd overvallen door een enorm gevoel van onzekerheid, en besefte dat ik dat eerder had meegemaakt in Roemenië. Je weet niet wat er gaat gebeuren, of het ooit nog goed komt. Je zit gevangen en je kunt geen kant op. Je leeft met het gevoel dat het echte leven ergens anders op je wacht”

Het communisme betekent een onnatuurlijke manier van leven, schrijft u, maar u schrijft ook dat u een gelukkig jeugd heeft gehad.

“Ik heb zo gelukkig mogelijk geleefd onder zeer ongunstige omstandigheden. Er kon heel veel niet in Roemenië, we moesten vaak onze mond houden, of liegen, er konden verklikkers zijn, mensen werden opgepakt en verhoord, er kon altijd iets levensbedreigends gebeuren.

“Maar ik heb het geluk gehad dat mijn ouders zich als opdracht hadden gesteld om zelfs in een dictatuur het leven zo mooi en vrij mogelijk in te richten. Dat betekende dus dat we veel mensen zagen en etentjes gaven, waar iedereen kon zeggen wat hij dacht. Dat we elke week naar toneel, het filmhuis en concerten gingen, alles mee pakten wat we konden alsof het morgen afgelopen kon zijn.”

Maar voor u was dat niet genoeg.

“Ik was tien, elf toen ik ontdekte dat ik in een dictatuur leefde. Dat ik voortdurend in een leugen leefde, en dat ik leugens moest vertellen om te overleven. Dat ik vaak moest zwijgen over mijn gedachten. Ik leed daar onder, ik raakte in paniek. Ik heb op een gegeven moment tegen mijn moeder gezegd; ik weet niet of ik dat kan volhouden, hoe moet je dit een heel leven doen? Om mij verlichting te bieden heeft ze toen gezegd dat dat waarschijnlijk niet nodig was. Ik zou ook weg kunnen gaan en ze beloofde dat zij en mijn vader er alles aan zouden doen om mij te helpen in een vrij land te gaan wonen.

“Mijn moeder was een internationaal bekende componiste, ze mocht regelmatig naar het buitenland reizen, had daar veel contacten. Vanaf die dag is ze altijd op zoek geweest naar een plek waar haar dochter later terecht zou kunnen.”

De eerste stap naar een (mogelijk) leven in het Westen laten Marbes ouders haar al vroeg zetten; ze gaat naar een Duitse school, want een vreemde taal ‘opent werelden in je hoofd’. Ook is er een eerste kennismaking met het beloofde buitenland.

Liegen dat het een lieve lust is

Bijzonder is de scène waarin Marbe beschrijft hoe ze, ze is dan zestien, op school wordt verhoord door twee ‘kameraden’ in ‘slechtzittende polyester pakken’. Ze heeft een paspoort aangevraagd om met haar moeder op vakantie te kunnen in West-Europa en dat vergt uitleg: kan het socialistische vaderland haar niet genoeg bekoren? ‘Lieg dat het een lieve lust is’, heeft ze van haar ­vader, een schrijver die op de zwarte lijst staat, geleerd. En dat doet ze.

Nausicaa Marbe Beeld Jildiz Kaptein
Nausicaa MarbeBeeld Jildiz Kaptein

Had ze, zo houdt ze haar ondervragers voor, niet van kameraad Ceausescu geleerd dat een mens zich breed moest ontwikkelen om het vaderland optimaal te kunnen dienen? En moest-ie daarvoor niet de wereld leren kennen, ook de minder fortuinlijke plekken, zoals het Westen, ‘die niet konden tippen aan ons arbeidersparadijs’? Een paar weken later is haar aanvraag gehonoreerd en kan ze met haar moeder op reis.

Sinds 1982 woont u inderdaad in het Westen. Nederlandse vrienden van uw moeder vingen u op en u ging hier studeren. Was het leven hier zo (anders) als u had gedacht?

“Ja, dat voel je meteen. Dat mensen de vrijheid hebben om van alles te vertellen, te geloven, aan te hangen, dat je niet voorzichtig hoeft te zijn, omdat je anders kan worden opgepakt, dat is zo bijzonder. Onder het communisme werd je verteld dat er maar één manier was om naar de wereld te kijken, één manier van leven, één politieke smaak. Terwijl ik ook in Roemenië overal verscheidenheid zag, die dan politiek verboden was.

“Het was een grote zegen om hier te ontdekken dat die diversiteit wel mag bestaan, of het nu in de gedachten van mensen is, in het parlement en ja, ook in de winkel. Kijk, er zijn misschien twintig soorten tandpasta in de supermarkt, achttien hoeven er voor mij niet. Maar ze zijn er wel en dat betekent dat er naar de behoeften van mensen gekeken wordt, dat mensen zelf kunnen ­beslissen wat ze kopen. In vrijheid. Er is geen staat die bepaalt dat er maar één soort tandpasta kan zijn of zelfs helemaal geen tandpasta, omdat die naar de export gaat zodat het regime geld heeft voor megalomane projecten, in een land met hongersnood en rotte gebitten.

“Maar ik ontdekte ook dat het lastig is om in vrijheid te leven. In een dictatuur als Roemenië is het simpel; degenen die de macht hebben zijn slecht, degenen die zich verzetten zijn goed. Je hebt een veel scherpere moralistische kijk op de samenleving en op goed en kwaad. Kom je eenmaal in vrijheid, dan vervagen de grenzen en worden goed en kwaad soms ambigu en moet je opnieuw je positie bepalen; wie ben ik, wat geloof ik. Ja, ik ben anticommunistisch, maar wat ben ik nog meer?”

Het had natuurlijk ook kunnen gebeuren dat het niet gelukt was om naar het buitenland te gaan. Had u een plan B?

“Ik had toelatingsexamen gedaan voor de universiteit, ik zou Duits en Engels studeren met Nederlands als bijvak, dat leek me een leuke taal. Dat vooruitzicht van een universitaire studie had ik nodig om een paspoort te krijgen, dat suggereerde immers dat ik van plan was om terug te komen.

“Stel dat er iets mis was gegaan, ik had geen paspoort gekregen of ik had besloten toch niet in Nederland te blijven, dan was die studie een garantie dat ik ook in Roemenië een toekomst had. Dan zou ik een enorm studiehoofd zijn geworden. Misschien was ik ­lerares geworden en had ik me daarnaast in achterkamertjes met duizenden boeken in het Assyrisch of het Sanskriet of het Etruskisch verdiept. Dan had ik een dubbelleven geleid om mijn eigen tijd te ontvluchten.”

Uw ouders zijn in Roemenië gebleven.

“Mijn moeder wilde niet weg. Ze vond dat ze daar een missie had, dat in een dictatuur waar zoveel narigheid is, waar kunstenaars gevangen worden gezet, iemand moest blijven om het vak te redden. Dat begreep ik goed, maar toch is het moeilijk om je ouders niet bij je te hebben. Mijn vader had die missie niet. Hij had een pokkehekel aan het communisme. Tegen de tijd dat ik in Nederland kwam, was hij gepensioneerd. Dan kon je in de ogen van het regime niet veel kwaad meer. Dat gaf hem meer vrijheid om te reizen, zodat hij tijdens de hongerwinters voor de revolutie bij mij verbleef.”

Jaren later, uw moeder was al overleden, is haar Securitate-dossier opgedoken. U was toch een beetje bang dat zou blijken dat ze niet was geweest wie u dacht dat ze was.

“Het was heel raar geweest als mijn moeder een spion was gebleken. Zij was iemand die het hart op de tong droeg, heel authentiek en hartelijk, een flapuit. Ze had niet het karakter om een dubbelleven te leiden. Maar als ze dat wel had gedaan, dan was dat geweest om ons te redden. Dé manier om mensen te onderdrukken en te dwingen tot collaboratie en zelfs wandaden, is hun naasten te bedreigen, hun kinderen, hun ouders, hun dierbaren, hun partners. Maar daarvan bleek gelukkig niets. Het was een vrijwel leeg dossier.”

In zekere zin was dat ook een teleurstelling. Al die angsten, al die maatregelen, zoals de telefoon onder een kussen stoppen als er bezoek kwam; misschien was het niet nodig geweest?

“Mijn moeder had een enorm talent om een autonoom leven te leiden en geen politieke uitspraken te doen. Ze was geen lid van de partij. Ja, ze werd eens in de zoveel tijd ontboden voor een verhoor bij de Securitate, en er zaten soms agenten en censors bij als ze lesgaf of met musici repeteerde. Maar vervolging en pesterijen waren minder bij componisten dan bij schrijvers. Als zij iets staatsondermijnend had gedaan met haar atonale muziek, had dat het volk niets gezegd. Een schrijver die drie of vier rake zinnen schrijft en die via fotokopieën verspreidt, dat slaat in als een bom. Maar het blijkt wel dat je niet veel voorbeelden hoeft te stellen om veel mensen bang te maken.”

U maakte zich aan het begin van de pandemie grote zorgen over gevolgen voor uw kinderen. Is dat nog zo?

“Twee jaar geleden wisten we nog van niks, niet of de universiteit van mijn dochter weer open zou gaan, of mijn zoon eindexamen kon doen. Nu weet ik dat ze zich kunnen redden. Ik heb gezien dat ze weerbaar zijn, maar ook dat ze veel gemist hebben. Hun leven heeft on hold gestaan.”

En hoe is het nu met u?

“We hebben tijdens de pandemie nog steeds een goed leven gehad, dus zo veel hebben we niet te klagen. Maar het gevoel dat er een enorme rem is, dat je niet weet wat er gaat gebeuren, je de greep op je nabije toekomst kwijt bent, dat is er nog steeds.”

Uw boek eindigt met uw komst naar Nederland. Komt er een volgend deel van uw memoires?

“Dat weet ik nog niet, ik weet niet of ik wel mijn hele leven op papier wil zetten. Maar ik voel nu wel dringend behoefte om weer een roman te schrijven.”

null Beeld

Nausicaa Marbe
Wachten op het Westen
Prometheus;
224 blz. €19,99

Lees ook:

Niet langer opgesloten, maar echt vrij? Voor de jonge Lea Ypi in Albanië voelde dat niet zo

Jarenlang hield Albanië de grenzen vrijwel dicht, voor de eigen inwoners en voor buitenlanders, die slechts mondjesmaat werden toegelaten. In het prachtige Vrij verhaalt Lea Ypi over opgroeien in die tijd én de verwarring toen de grenzen eenmaal opengingen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden