Review

Waren Seneca en Paulus goede vrienden ?

Vermoedelijk omstreeks de vierde eeuw na Christus is er een intrigerende briefwisseling opgedoken tussen de apostel Paulus en de Romeinse stoïsche filosoof Seneca: veertien briefjes, die in allerlei handschriften zijn overgeleverd. Kan uit de zeer amicaal getoonzette briefwisseling worden afgeleid dat deze giganten van respectievelijk het christelijk geloof en de menselijke rede behalve tijdgenoten ook vrienden waren?

Als de briefjes werkelijk geschreven zijn door Paulus en Seneca, zo halverwege de eerste eeuw, moet dat inderdaad de conclusie zijn. De grote kerkleraar Hieronymus (ca. 347-420), die als eerste melding maakte van de briefwisseling, beschouwde de brieven wel degelijk als echt. Hij was bovendien zo verrukt van de welwillende en respectvolle houding van Seneca jegens de christenen, zoals die naar voren komt uit diens briefjes aan Paulus, dat de kerkleraar de Romeinse filosoof opnam in zijn werk De viris illustribus, een soort catalogus van schrijvers.

Hoewel aangekondigd en bedoeld als catalogus van louter beroemde christelijke mannen, heeft Hieronymus er ook joodse (Philo), heidense (Seneca) en zelfs ketterse (Eunomius) schrijvers in opgenomen. Hij deed dat waarschijnlijk onder meer om te laten zien dat het christelijke denken in de eerste eeuwen veel te danken had aan de inbreng van opzienbarende intellectuelen, die eigenlijk niet pasten in de enge definitie 'christelijk schrijver'. Seneca's levensfilosofie bevatte volgens de kerkleraar elementen die moeiteloos in de christelijke leer pasten.

Geloofde Hieronymus dus nog in de echtheid van de curieuze briefwisseling, tegenwoordig wordt algemeen aangenomen, zo schrijft mr.dr. Henk van der Werf, die de brieven uit het Latijn in het Nederlands vertaalde, dat ze op fictie berusten. Alleen al de stijl en het woordgebruik zouden in die richting wijzen.

Van der Werf noemt verschillende hypothesen die de ronde doen over het ontstaan van de brieven. Misschien heeft iemand met de gefingeerde brieven een veronderstelde superioriteit van het christendom op de heidense filosofie tot uitdrukking willen brengen, of gepoogd Paulus op een voetstuk te plaatsen. Ook is het mogelijk dat de briefwisseling is samengesteld door een leerling van een retorenschool, bij wijze van stijloefening. Een derde hypothese luidt dat de briefwisseling werd bedacht door een vurig bewonderaar van Seneca. Die zou de Romeinen gunstig hebben willen stemmen voor de christelijke leer, door aan te tonen dat er nauwe vriendschapsbanden hadden bestaan tussen Seneca en Paulus.

Onmogelijk is het overigens nog altijd niet, stelt Van der Werf, dat Seneca en Paulus wel degelijk vrienden waren. In het Nieuwe Testament valt uit het hoofdstuk Handelingen op te maken dat Paulus inderdaad contacten heeft gehad met epicureïsche en stoïsche filosofen. Verder weigerde Gallio, de oudste broer van Seneca, volgens Handelingen 18, vers 12-17, tijdens zijn proconsulaat over Achaia omstreeks 52, als rechter een aanklacht van de plaatselijke Joden in behandeling te nemen. Hun beschuldiging kwam erop neer dat Paulus mensen probeerde over te halen tot onwettige godsverering, door een godsdienst te verkondigen die in strijd was met de geboden van de Tora. Het is denkbaar, suggereert Van der Werf, dat Gallio zijn broer Seneca over dit voorval heeft geïnformeerd. Bovendien heeft Paulus waarschijnlijk gedurende de laatste levensjaren van Seneca geruime tijd in Rome doorgebracht, wat, mede naar aanleiding van het incident in Achaia, tot contacten tussen Paulus en Seneca kan hebben geleid.

En dan is er ook nog de heilige Linus, de eerste opvolger van de apostel Petrus als bisschop van Rome, die in de aan hem toegeschreven lijdensgeschiedenis van Paulus melding maakt van vriendschappelijke betrekkingen tussen de apostel en Seneca.

En wie, luidt de suggestieve vraag van Van der Werf, heeft Paulus op het oog gehad, toen hij als afsluiting van zijn brief aan de christenen van Filippi onder meer schreef: ...en alle christenen hier groeten u, vooral die van het huis van de keizer? Was dat een algemene verwijzing naar slaven en vrijgelatenen in keizerlijke dienst in alle delen van het Romeinse rijk, of had hij specifieke personen op het oog aan het hof van de keizer, zoals Nero's leermeester Seneca?

De briefjes zelf lijken op het eerste gezicht heel wat minder interessant dan de mysterieuze geschiedenis eromheen. In zijn toelichtingen weet Van der Werf er echter nog heel wat van te maken. Hij heeft zich grondig verdiept in de historische context van de briefjes -het roerige Rome ten tijde van Nero. Daardoor weet hij de politieke situatie van die tijd en de spanningen tussen heidenen en christenen tussen de regels door tot leven te wekken.

Wat ook voor de niet-deskundige lezer onmiskenbaar uit de vele wederzijdse complimenten in de briefjes naar voren komt, is de hoge waardering die beide mannen voor elkaar hadden. Hoewel de ene heiden was en de andere christen, vertonen hun visies overeenkomsten. Beiden waren gedreven propagandisten van een levensleer die het goede op het oog heeft, en van een levensstijl die niet is afgestemd op de wereldse dwaasheid maar erop gericht een ander, beter mens te worden. Bovendien kan de heiden Seneca nergens in zijn geschriften worden betrapt op atheïstische overwegingen. Het goddelijke had integendeel in zijn opvattingen een belangrijke plaats, aangezien de godheid volgens hem in alles en allen aanwezig is.

De godheid, schrijft Seneca in Naturalis Quaestiones, die alles in stand houdt, schiep en grondvestte, ontglipt aan onze blikken maar kan via onze rede worden ervaren. In schijnbaar dezelfde trant schrijft Paulus in zijn brief aan de christenen van Rome (Romeinen 1, vers 20) dat vanaf de schepping der wereld het onzichtbare wezen van God door de rede in zijn werken wordt aanschouwd. Hun godsbeelden zijn echter wezenlijk verschillend. De 'godheid' van Seneca is geen persoonlijke god maar een actief, scheppend beginsel. God en natuur zijn volgens hem identiek, wat zijn stoïsche benadering pantheïstische trekken geeft. Bij Paulus vallen God en natuur nadrukkelijk niet samen, maar komt alles voort uit een monotheïstisch opgevatte God en getuigt de gehele schepping van Zijn wijze almacht.

Aan de merkwaardige, al dan niet fictieve briefwisseling tussen Seneca en Paulus is tot op heden in Nederland geen systematische aandacht besteed, stelt vertaler/annoteur Van der Werf. Een lacune die de amateur-filosoof, in het dagelijks leven vice-president van de rechtbank in Den Bosch, met zijn boekje hoopt te vullen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden