Review

'Want ik walg van ons oude leven meer dan ooit'

Op 18 december 1824 belde Marita Mathijsen aan bij de enige echte romantische dichter van Nederland, Willem Bilderdijk. Hij ontving haar in zijn woning aan de Oude Singel te Leiden, hoestend, met vale gelaatskleur, witte windsels gewonden rond zijn hoofd, steunend op een stok, achtenzestig jaar oud en als gebruikelijk geplaagd door vele kwalen. Het gesprek dat zij hadden, was diepgaand en openhartig, het werd in 1989 gepubliceerd in NRC/Handelsblad en vervolgens gebundeld in 'De geest van de dichter. Tien zogenaamde gesprekken met negentiende-eeuwse schrijvers'(1990).

T. VAN DEEL

Jammer, en onnodig, dat er in die ondertitel benadrukt wordt dat het hier om 'zogenaamde' gesprekken gaat. Dat is wel duidelijk, al zou misschien 'fictieve' de bedoeling beter weergeven. De gesprekken zijn intussen wel degelijk gevoerd, zij het in de verbeelding, en de antwoorden die Bilderdijk geeft op de vragen die zijn interviewster hem stelt, berusten op waarheid, ze zijn een soort citaten, parafrases van passages uit Bilderdijks werk en zijn brieven. Voor deze werkelijk heel originele vorm van essayistiek kreeg Mathijsen terecht de Busken Huetprijs van de gemeente Amsterdam.

Haar belangstelling voor de negentiende-eeuwse literatuur, meer in het bijzonder die van vóór Tachtig, richtte zich al vanaf het begin op de persoon van de schrijver en dus op egodocumenten. Zij zag feilloos het, ook literaire, belang in van de brieven van Gerrit van de Linde alias De Schoolmeester. De monumentale editie die zij van deze brieven bezorgde, werd voorafgegaan door een bloemlezing, waarmee zij een groter publiek voor deze ontroerende, scherpzinnige en geestige briefschrijver won. Sinds haar bemoeienissen met De Schoolmeester ontbreekt deze dichter, nu ook als correspondent, in geen enkel literatuuroverzicht van de negentiende eeuw.

Hoewel er geloof ik weinig overeenkomsten bestaan tussen Willem Bilderdijk en De Schoolmeester - de laatste was wel een groot bewonderaar van de eerste - is er één duidelijk verband: beiden zijn bannelingen geweest. De Schoolmeester moest al op jonge leeftijd, na een Leids schandaal, het land uitvluchten en hij heeft de rest van zijn leven in Engeland, in Highgate, doorgebracht, hij trouwde met een Engelse vrouw en dreef een Engels schooltje.

Bilderdijk moest het land verlaten, toen hij in 1795 weigerde de eed op de nieuwe regeringsvorm af te leggen. Orangist als hij was, werd hij door de patriotten als een staatsgevaarlijk individu beschouwd en eerst uit Holland verstoten, vervolgens uit Groningen, waar de Fransen plaatsmaakten voor de Pruisen. Via Hamburg reisde hij dan naar Engeland, waar zich Prins Willem V eveneens in ballingschap bevond.

Omdat Bilderdijk in Den Haag al in nauwe betrekking tot Oranje stond, werd hij in Londen ingeschakeld bij de pogingen een leger op touw te zetten dat de tegenaanval zou kunnen beginnen. Dat mislukte en Bilderdijk zou nog geruime tijd in Londen van de hand in de tand leven, schilderend, lessen gevend en, vooral, verliefd, onstuimig en onstuitbaar verliefd. Vandaar dat de bloemlezing uit zijn correspondentie van die jaren de kijkcijfers verhogende titel kan dragen 'Liefde en ballingschap'.

De bloemlezing is gebaseerd op een wetenschappelijke editie van 'Mr. W. Bilderdijk's briefwisseling 1795 - 1797' door J. Bosch, H. W. Groenevelt en M. van Hattum uit 1988. Mathijsen heeft haar keuze toegespitst op de ballingschap en de liefde en alleen brieven opgenomen van Bilderdijk aan zijn vrouw Catharina, zijn schoonzuster Petronella en zijn Engelse geliefde Wilhelmina. Een paar brieven zijn gericht aan zijn uitgever, zijn vriend en zijn zwager. Alle brieven zijn 'hertaald', dat wil zeggen gemoderniseerd; een groot aantal is bovendien vertaald, uit het Italiaans en het Engels, want in deze talen correspondeerde Bilderdijk met zijn geheime Engelse geliefde.

Het is een dramatische geschiedenis, zoals die door deze brieven is gedocumenteerd. Allereerst voor Bilderdijk zelf, die berooid moest rondzwerven, verstoken van zijn gezin, zijn advocatenpraktijk, zijn bibliotheek, en die ook in Londen zijn geweldige en alombekende kwaliteiten nauwelijks kon benutten. Maar ook voor zijn vrouw was de patriottische wending rampzalig: haar deur werd platgelopen door een keur aan schuldeisers. Meer dan achttienduizend gulden schuld had Bilderdijk uitstaan! Catharina moest veel verkopen, ook de bibliotheek, en kleiner gaan wonen. Haar gevoelens voor Bilderdijk bereikten een dieptepunt:

“Hoor man de zaken moeten gered en je vader moet zich niet onttrekken want brieven die hij mij schrijft van dat wij hem zo veel gekost hebben is gekke praat(. . .) voor de zaken gered zijn wil ik je niet zien want ik walg van ons oude leven meer dan ooit.”

En wat later, in dezelfde ongeacheveerde stijl:

“Ik heb tien jaar in jouw echt gekwijnd en ongelukkig geweest omdat jij de liefde niet kende en nooit kennen zult ik heb dit harde noodlot gevoeld en gedragen op een manier die mij nooit zal doen blozen van een schuldig geweten - God bestiert alles en jouw donders ratelen niet meer boven mijn hoofd wees gelukkig en ik zal nog voor jou kunnen bidden - voor jou die mijzelf de eeuwige verdoemenis hebt toegewenst en mij de ongelukkigste vrouw van de wereld gemaakt hebt - die mij zelfs geen stuk brood nalaat voor mij of jouw kinderen die ons nooit aanzag dan om ons een afgrijselijke blik toe te werpen een blik van verachting maar ik zal zwijgen opdat ik niet spreken zal van mishandelingen in mijn zwangerschap bedreven - geloof alleen dat er tussen ons nooit hereniging kan of zal plaatshebben.”

Bilderdijk wijt alles aan haar godslasterlijke gebrek aan Liefde, een van God gegeven verbond tussen twee zielen, zij het ook zielen met een duidelijk lichaam. Juist op dat punt laat Catharina hem, wat haar huwelijkse plichten aangaat, in de steek en juist op dat punt wenst Bilderdijk de Liefde graag te consumeren. In Hamburg schrijft hij zijn 'Uitboezeming', waarin de volgende strofen:

En dan de wellust van mijn leven, De gâ, mij van Uw hand verleend, Bij al Uw weldaân koud gebleven, En voor mijn tederheid versteend!

Die borst, dat hart zo aangebeden, Die schoot, voor zoveel heils bestemd, Gevoelloos voor mijn tederheden En roerloos in mijn arm geklemd!

In Londen probeert hij nog een keer of Catharina met de kinderen niet over zou willen komen, maar het doek over zijn huwelijk is in feite al gevallen. De hartstochtelijke en ook stellig diepgevoelde en gemeende liefde die hij dan opvat voor Wilhelmina, de negentienjarige dochter van een bevriende Nederlandse schilder, bezegelt de mislukking van zijn huwelijk alleen nog maar.

Voor de correspondentie acht ik Bilderdijks liefdesbrieven aan Wilhelmina eerlijk gezegd niet zo'n aanwinst. Ze zijn wel buitengewoon hartstochtelijk, met veel uitroep- en vraagtekens, maar ze komen steeds op hetzelfde neer, namelijk dat hij haar zien wil, haar kussen wil, haar hebben wil, geheel en al en dat zij van hem houden moet en hem nooit mag verlaten en, ach, hoe lang duurt het nog voor hij haar weer in zijn armen kan sluiten.

Nee, dan zijn de brieven aan zijn schoonzusje heel wat anders. Het lijkt erop dat Bilderdijk zijn beste en geestigste brieven aan haar heeft geschreven. Hij neemt ruim de tijd voor het vertellen van verhalen, flirt een beetje met haar, prikkelt haar voorstellingsvermogen en houdt het ook bij zwarigheden altijd aangenaam licht van toon, elegant en zwierig. Zij zal ook zeker, uit minieme aanwijzingen, begrepen hebben dat Bilderdijk zich in Londen op het vrijerspad had begeven.

Met 'Liefde en ballingschap' heeft Marita Mathijsen een verleden tijd springlevend gemaakt, het privé-domein van Willem Bilderdijk ontsloten voor hedendaagse lezers. Een prestatie van inleving en hertaling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden