Column

Wachtend op mijn modeltreintje denk ik aan de dood

Beeld Maartje Geels

Ik heb de gewoonte om sterk naar dingen uit te zien die in het nabije verschiet liggen. 

Bijvoorbeeld het Boekenbal eind ­deze week; hoewel het altijd hetzelfde is en er per saldo niks gebeurt verheug ik me er toch op. Nog meer zie ik uit naar de beloofde uitlevering van de NS 1300-locomotief in turqoise, een modeltreintje van de firma Artitec waarvan ik een exemplaar besteld heb.

Verder bezoek ik, ‘bij leven en welzijn’ moet je er dan bij zeggen, mijn 93-jarige ­moeder in Apeldoorn en er wordt, zie ik op de app van Post-NL, straks een pakje bij mij ­bezorgd, geen idee wat erin zit. Zullen wel weer boeken zijn, maar je weet nooit. Gelukkig staan er de komende week geen stressvolle dingen op het programma, zoals het houden van lezingen of een bezoek aan de belastingdienst; die eisen als ze er zijn dezelfde of zelfs grotere aandacht op.

Surprises

En terwijl ik dus naar al die surprises uitzie, realiseer ik me ook voortdurend dat ze me dichter bij de dood brengen. Het is een besef dat ik maar niet kan uitschakelen, iedere stap die ik zet, ieder evenement waarnaar ik ­uitkijk, is ‘op weg naar het einde’, zoals het boek van Gerard Reve heet. Ik raak niet in ­paniek van die gedachte, ik sla er geen kruis bij, maar ze is er wel. Meestal in de vorm van een speldenprikje, soms wat langer: ’s nachts in bed, onder het scheren, onder de douche, en ook wel eens terwijl ik gewoon zit te werken.

Zo alledaags dat je het geen schandvlek op het bestaan kunt noemen. En omgekeerd heb ik het ook, als ik een oude zwart-film zie weet ik dat al die bewegende en kwakende figuur­tjes dood zijn, de geschiedenis, mijn geliefde epoche, allemaal overleden, sommigen op het slagveld, anderen in bed. Maar dood!

Ik heb er overigens geen verstand van, slechts één keertje in mijn leven dacht ik acuut: nu ga ik dood, toen ik door een golf ­tegen een rots werd gekwakt. Maar nee, ik overleefde het glorieus.

Om mij heen sterven mensen geleidelijk aan steeds meer, maar ik zelf dus nog niet, ik kan er nog altijd aan denken. Soms haal ik Montaigne erbij, die schrijft dat we de dood zijn vreemdheid moeten ontnemen door aan hem te wennen ‘en aan niets zo vaak te denken als hem’. Dat laatste vind ik wel een krasse eis, voorlopig prefereer ik de NS 1300 en dat ­geheimzinnige pakketje.

Montaigne schrijft ook ‘de massa heeft als remedie er niet aan te denken’, maar wie of wat is dat in vredesnaam, de massa? Ik kan me niet voorstellen dat mensen de dood helemaal negeren en zelf laat ik hem dus gedoseerd toe, bijvoorbeeld door er een gedicht over te lezen, zoals P.N. Van Eycks ‘De tuinman en de dood’ of ‘de vierde persoon enkelvoud’ van de dichter Henk van der Waal, waarin hij een dieper, onsterfelijk ‘ik’ veronderstelt dat ‘met fluwelen hand / dominosteentjes uit de rij tegen ­elkaar / tikkende seconden tilt tot niets meer voort valt’. Waarna de camera weer naar het leven draait, omdat er wordt aangebeld (met het postpakketje?) of ik naar de winkel fiets om eten te halen.

O ja, volgende week ga ik een nieuw tuinhek voor mijn huis in Frankrijk timmeren.

Als ik het haal.

Rob Schouten

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden