RebelInterview

‘Waarom zou je antwoord moeten geven als mensen je vragen: Wat ben jij eigenlijk?’

Ellen DeckwitzBeeld Maartje Geels

In de opmaat naar Boekenweek 2020 spreekt Janita Monna met vier dichters die ieder een gedicht schreven geïnspireerd op het thema: ‘Rebellen en Dwarsdenkers’. Deze week de schrijver van het Boekenweekgedicht: Ellen Deckwitz.

We kunnen de lezer een beetje dollen? Dat ik jou vertel over dingen die ik heel goed kan, dat jij opschrijft dat je erg onder de indruk bent, maar wat ik dan kan, dat houden we onder ons. Want waarom zou je alles waar je goed in bent, in de openbaarheid moeten brengen? 
Nou vooruit, ik kan lezen op de fiets, met mijn ellebogen op het stuur en dan het boek daartussen. En ik kan heel snel lezen. Een boek per dag, twee dagen, als het heel dik is.”

Of Ellen Deckwitz inderdaad fietsend kan lezen? Zou kunnen. Snél lezen kan ze zeker, ze leest in ieder geval veel. Ze vertrekt zo dadelijk met de trein richting Oostende, drie boeken in haar tas voor onderweg. Tijdens het ge­­- sprek springt ze met gemak van Maarten van der Graaff naar Jotie T’ Hooft, van Tjitske Jansen naar Hella Haasse, van Renate Rubinstein naar Montaigne en biecht ze op dat boeken over de Tudor-periode haar guilty pleasure zijn: “Ik heb alles over Anna Boleyn gelezen. Heerlijk. Haha!”

Haar liefde voor poëzie, binnenlandse, buitenlandse, kreeg ruim baan in enthousiaste columns die ze voor NRC Handelsblad schreef, stukken die gebundeld werden in ‘Olijven moet je leren lezen’. Ze is een onvermoeibaar ambassadeur voor poëzie op scholen – “ik geef tachtig tot honderd workshops per jaar”. Maar Ellen Deckwitz is bovenal dichter. Ooit begon ze op het podium, haar fenomenale voordracht maakte haar in 2009 Nederlands Slamkampioen. Eind vorig jaar verscheen haar vierde dichtbundel: ‘Hogere natuurkunde’. Daarmee maakt ze kans op de Grote Poëzieprijs 2020 en op de Herman de Coninckprijs 2020.

Ellen Deckwitz (1982) begon haar carrière als dichter op het podium. Ze won in 2009 het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. In 2011 verscheen haar debuut op papier, ‘De steen vreest mij’, dat bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs. Voor ‘Hoi Feest’ (2012) haar tweede bundel, ontving ze het C.C.S. Crone-stipendium. De opvolger ‘De blanke gave’ verscheen in 2015.

Behalve dichter is Deckwitz columnist voor NRC Handelsblad en De Morgen. Haar stukken over poëzie werden gebundeld in ‘Olijven moet je leren lezen’ (2016). Haar meest recente dichtbundel ‘Hogere natuurkunde’ (2019) staat op de shortlist van zowel De Grote Poëzieprijs als de Herman de Coninckprijs.

Voor komende Boekenweek schreef Ellen Deckwitz het Boekenweekgedicht, ‘Rebel’. Ook dat raakt aan de vraag: wat deel je met de wereld en wat houd je voor jezelf?

Hoe ontstond dit gedicht?

“Bij een thema als ‘Rebellen en dwarsdenkers’ zijn er 10.000 dingen die voor de hand liggen: ik had een anti-gedicht kunnen maken, zeg geblinddoekt ‘plurk sluf 999’ typen, of me pamflettistisch kunnen uitlaten tegen bepaal­de maatschappelijke ontwikkelingen, maar juist de dingen die als eerste in me opkwamen, schoof ik terzijde. 

In tijden waarin openheid een plicht lijkt, betekent rebels zijn ook het individualisme belijden zoals jij dat wilt. Ik wilde een pleidooi houden voor vrijheid: waarom zou je antwoord moeten geven als mensen je vragen ‘Wat ben jij eigenlijk?’ Je hebt ook de keuze om iets binnen je eigen belevingssfeer te houden.”

Deckwitz’ zinnen rollen watervlug over ta­fel. Ze lacht vaak, al stemt lang niet alles wat ze zegt even vrolijk. Dat pleidooi voor vrijheid, bijvoorbeeld, komt voort uit hoe ze in het le­ven staat.

“Kijk, in zekere zin lopen we hier allemaal onvrijwillig rond. Aan niemand is gevraagd: wil je geboren worden in dit tijdsgewricht, met deze ouders, met dit uiterlijk, deze gezondheid. Het leven leek mij daarom altijd optioneel: elke dag kies je of je wilt bestaan.

“Na een periode van zware depressies besefte ik: ik leef niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn ouders, mijn vrienden. Mijn moeder zou er nooit overheen komen als ik dood zou gaan.

Ellen DeckwitzBeeld Maartje Geels

“Dat besef, dat ik niet dood kan, niet uit vrije wil althans, heeft me aan het denken gezet: ik voel een soort levensplicht. Dus ik rook niet, ik drink niet, ik gebruik geen drugs, probeer tien kilometer per dag te lopen. Het ongezondste wat ik doe is elke dag twee liter cola light drinken.

“Je kunt wél proberen om het leven een beet­je makkelijker te maken, life hacks uitvinden. Ik heb bijvoorbeeld vijf cavia’s. Dieren verzorgen helpt. Net als fijne ouders, lieve vrienden, mijn geliefde. De laatste twee jaar ben ik extreem gelukkig.” Ze klopt het eerst af en lacht dan hard: “Natuurlijk zijn er dingen die verdrietig stemmen, het klimaat dat naar de Filistijnen gaat, de Belastingdienst, de idioten in de Tweede Kamer, maar er is een soort vredigheid over me gekomen.”

Daarmee komt het gesprek als vanzelf op haar laatste bundel, ‘Hogere natuurkunde’, waarin ze het verhaal optekende van haar inmiddels overleden oma die de interneringskampen in Nederlands-Indië overleefde. Deck­witz toont hoe de oorlogservaringen van oma doorwerkten in de familie.

“In den beginne waren er echo’s / die het verleden overleverden.”

De stem van grootmoeder heeft een nadrukkelijke plek in de bundel. Vanaf de zijlijn, tussen haakjes sist ze ongevraagd adviezen en overlevingstips: ‘(Houd jezelf schoon kleintje./ Schep niet op / over extra eten verorber het in stilte / boven de latrine.)’

Hoe bepalend was die stem voor u?

“Heel lang heb ik geleefd met het idee dat je moest lijden, dat was door haar ingeprent. Mijn oma was negentien toen Japan Nederlands-Indië binnenviel. Mijn hele jeugd was ik ervan overtuigd dat er opnieuw oorlog zou komen als ikzelf negentien zou zijn. Dat was ik in 2001. Dus toen die vliegtuigen de Twin Towers doorboorden, dacht ik: zie je wel, we gaan er allemaal aan. ‘Hogere natuurkunde’ moest niet alleen gaan over wat mijn oma in de kampen is aangedaan, maar vooral over hoe het narratief is overgedragen. Want je ziet het bij zoveel kinderen van wie ouders, grootouders iets erg hebben meegemaakt: het trauma werkt door. Bij ons thuis zei je niet dat je pijn had, of wat je eigenlijk wilde, daar kon je op gepakt worden. Ik ben als kind wel met een maagontsteking naar school gestuurd. Klagen doe ik nog steeds niet, maar ik ga wel sneller naar de dokter. Ik ben zachter geworden voor mezelf.”

Dat grote trauma had loodzware poëzie kunnen opleveren. Deckwitz hield het licht. Over haar opa, die anders dan haar oma, vooral zweeg, schrijft ze: “ik stam af van de allergrootste dode kamer. / Mijn grootvader absorbeerde talloze verhalen, / ieder geluid dat ze hadden kunnen veroorzaken/ werd opgenomen door or­ganen, slijmvlieslagen / geen vonk ontkwam.”

Hoe wist u de lichtheid te bewaren?

“George Bernard Shaw zei: ‘Het leven houdt niet op grappig te zijn als mensen sterven, het houdt niet op met ernstig te zijn als mensen lachen.’ Die balans moet je hebben, anders ben je louter bezig met overhevelen van trauma. Hu­mor kan een dimensie toevoegen, houdt de boel lichter en daarmee behapbaarder. Tegelijk is het een schild dat afstand kan creëren. Je kunt niet alléén moppen vertellen, op een gegeven moment moet je zeggen wat je echt wilt of echt voelt.”

Terwijl Deckwitz vertelt over de reis naar Japan die ze maakte voor haar bundel (‘ik verwachtte half dat mijn oma daar uit de menigte zou opstuiven en me dan pats pats pats, wat doe jij hier? om de oren zou slaan’), over de diversiteit van het Indiëtrauma, over het zwijgen: “Je ziet het veel in de Indo-gemeenschap. Zwijgen is aanpassen. Jezelf kleiner maken om maar op te gaan in het geheel. Het is ontzettend kwalijk” – onderbreekt ze zichzelf plotseling.

“Nog even over vrijheid, want hoe wéét je of je iets echt wilt? Zeker in deze tijd van nudging, waarin ons gedrag door allerlei subtiele factoren en algoritmes wordt beïnvloed, is die vraag relevant: hoe vrij zíjn we? Op dagen dat ik heel pessimistisch ben, voelt het alsof ik alleen nog kan stuiptrekken op de vierkante centimeter, alsof ik gevangen zit in een cocon van verplichtingen en verwachtingen van de sa­men­leving.”

Kan poëzie dan een vrijplaats zijn?

“Wat een geniepige, heerlijke vraag. Je zou zeggen van wel. Dat is althans het imago dat poëzie heeft. Tegelijk heb je te maken met lees­con­venties, verwachtingen die lezers hebben, en met restricties waar je jezelf als schrijver toe dwingt. Ik leg mijzelf weleens metafoorloze maanden op.

“Maar je kunt in een gedicht dingen zeggen waar je in een roman niet snel mee weg zou komen. Je kunt er een lofzang houden op de haat – zie Ingmar Heytze’s ‘Hoor eens ik haat je’. Een gedicht kan dingen bespreekbaar ma­ken, het kan laten zien welke machtsverhoudingen er in taal zitten. Poëzie is niet onge­- vaar­lijk, it tells an ugly truth. Maar poëzie laat je ook gewoon plezier hebben in taal.”

Overal kan een gedicht in zitten, vindt Deck­witz. In een zin die toevallig voorbijkomt, in de knokkels van een zanger die matig staat te zingen, in de televisieserie ‘Game of Thrones’: met bevriende dichters Ingmar Heyt­ze en Thomas Möhlmann schreef ze ‘Game of Poems’. “Een verademing om te maken. Een echt Gesammtkunstwerk.”

Beeld Maartje Geels

Misschien wel omdat poëzie zich ook op onooglijke plekken schuil kan houden, wordt haar oog tijdens het gesprek ineens getrokken naar een klein vaasje dat op tafel staat. Verrukt roept ze: “Hoe dit vaasje geglazuurd is, die zachte gloed, die structuur van het glazuur. Daar kan ik heel blij van worden. Soms loop ik rond en doe ik of de hele wereld is ontworpen. Ook de natuur. Wie heeft verzonnen dat deze meeldraden bruin zijn, dat dat rozenblaadje aan de buitenkant net iets donkerder is dan aan de binnenkant?”

Brengt die vraag u bij het idee van een God?

“Ik ben christelijk opgevoed, maar of God echt bestaat, weet ik niet. Wel heb ik ’m altijd gevoeld. Jezus heeft nuttige dingen gezegd, vind ik. Dat je aardig moet zijn, compassie moet heb­ben, maar of ik in hem geloof als de zoon van God? God zie ik meer als iets wat zich tussen mensen kan afspelen, een stemming die je kunt delen, een gevoel van warmte, of een gedeeld geweten. God kan ook een overkoepelende naam zijn voor de dingen die onze zin­- tuigen ontmoeten en waar we geen analytische bril op los kunnen laten.”

Over compassie, toont u dat in uw werk?

“Ik denk het wel. Ik vind mezelf een geëngageerd en betrokken dichter. Mijn vorige bundel ‘De blanke gave’ was what if-poëzie, over de stijgende zeespiegel en hoe de mens de naderende Apocalyps een behoorlijk handje helpt.

“Over Nederlands-Indië ben ik ook nog niet uitgeschreven.”

En gaan gelukkig zijn en schrijven samen?

“Ze zeggen van niet, hè? Bij mij werkt het andersom. Ik kan niet niet schrijven, poëzie moet eruit, maar als ik echt diep ongelukkig ben, komt er niets zinnigs op papier.

“De laatste jaren werk ik ook als columnist. Dat vind ik fantastisch om te doen, ik ben mezelf als schrijver weer opnieuw aan het opleiden. Soms zit ik dagen in de universiteits­bi- bliotheek om me in een onderwerp te verdiepen. Ik sta de hele tijd aan.”

In een column die eind vorig jaar verscheen, leek het Boekenweekgedicht al in de kiem aanwezig. Deckwitz schreef daarin over een vriendin, een schrijfster die onverwacht goed bleek te kunnen tekenen. ‘Daar moet je iets mee doen’, zei Deckwitz. De vriendin vond van niet. Haar tekeningen hield ze voor zichzelf. “Als een oefening in het hebben van plezier, zonder meteen van alles van mezelf te moeten.”

Is de keus om iets niet met de wereld te delen, een vorm van geluk?

“Over geluk bestaan allerlei vooropgezette ideeën. Volgens sommigen word je heel gelukkig als je bepaalde producten koopt, of als je lichaam perfect is. Weet je waar ik blij van word? Van het gevoel in mijn knieën als ik de trap afloop. Waarmee ik maar wil zeggen: onderschat nooit wat je gelukkig maakt.”

Oh ja, ze zeggen altijd wel dat je gewoon jezelf moet zijn
maar daarmee bedoelen ze net als de rest.

Houd als dat niet lukt dan tenminste
je bek. Weinigen mogen echt bestaan en zelden

ben je mooi genoeg, licht genoeg, gewoon genoeg.

Als je het waagt je niet te schamen gillen ze al
om je opheffing, hoe ontzettend zonde je bent

van het vlees, de aandacht en de tijd. Laat me
met iedere hartslag hen trotseren. Elke klop is een bewijs

dat ik er ben en een wereld weiger die niet voor mij is
gemaakt. Ik schrijf u vanuit een incompleet lijf

dat kan maar vertikt te buigen, een onneembare
geest zingt hier rond en ik blijf ademen tot ze erbij
neervallen, tot ik zelf mag bepalen dat ik onopgemerkt blijf.

Ellen Deckwitz

Lees ook:

In ‘Hogere natuurkunde’ klinkt altijd en overal oma’s stem

Janita Monna schreef al eerder over het werk van Ellen Deckwitz

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden