Schrijfster Racheda Kooijman: 'Mijn vader was afwezig, ik ben niet opgevoed met twee culturen, maar met één: de Nederlandse. Maar ik werd wel continu aangesproken op die andere cultuur.'

InterviewRacheda Kooijman

Waarom schrijver Racheda Kooijman jarenlang verzweeg dat ze half Marokkaans is

Schrijfster Racheda Kooijman: 'Mijn vader was afwezig, ik ben niet opgevoed met twee culturen, maar met één: de Nederlandse. Maar ik werd wel continu aangesproken op die andere cultuur.'Beeld Patrick Post

Racheda Kooijman (45) verzweeg jarenlang dat ze een Marokkaanse vader heeft. Vorige week verscheen haar roman Vossenjacht, over haar worsteling, de reis naar het land van haar vader en de antwoorden die ze vond.

Karin Sitalsing

Donkere ogen, donkere lokken. Altijd, altijd die vraag. ‘De vraag die me tot mijn dood zal worden gesteld: Waar kom je vandaan?’

Dat haar vader een Spanjaard was, vertelde Nadia Smits dan.

Dat haar witte, Nederlandse moeder een keer tijdens een vakantie in Spanje bezwangerd was door een zomerliefde.

Dat was niet echt zo. Of eigenlijk was het helemaal niet zo.

Sommige buitenlanders zijn ‘meer gelijk’ dan andere

Nadia is de hoofdpersoon uit Vossenjacht. Het boek is uiteindelijk niet zo ‘knetterautobiografisch’ geworden als toen Kooijman ermee begon, maar de hoofdlijnen kloppen. Racheda Kooijman, Nadia Smits: Arabische voornaam, Hollandse achternaam. Net als Racheda groeide Nadia op met alleen een witte, Nederlandse moeder, maakte de Marokkaanse vader geen deel uit van het gezin. Net als Racheda verkeerde Nadia voornamelijk in een bubbel waar niet altijd even vriendelijk werd gedacht en gesproken over buitenlanders. Net als Racheda merkte Nadia dat sommige buitenlanders ‘meer gelijk zijn’ dan andere, en net als Racheda besloot ook Nadia dat ze maar beter half Spaans kon zijn.

‘Over Spaanse mensen werd namelijk nooit gezegd dat ze stonken. Ook werden er geen grapjes gemaakt over de Sahara, het slachten van geiten en schapen, opgroeien met kamelenmelk, vrouwen met snorren, knoflookluchten, outfits bestaande uit een jurk en een broek, hoofddoeken en Volkswagen-busjes.’

Op haar negentiende kwam Racheda alsnog ‘uit de kast’. Ze begon aan een nieuwe opleiding, met nieuwe mensen, het voelde veilig. ‘‘En in die tijd begonnen mijn vader en zus contact te zoeken. Zij stond op de stoep, hij schreef een brief. Toen dacht ik: stel dat ik net met vriendinnen ergens ben, en dat een Marokkaanse man me dan aanspreekt en zegt dat hij mijn vader is! Dan zou ik enorm door de mand vallen. Eigenlijk een heel egoïstische reden dus.’’

En wat gebeurde er? Helemaal niets. Haar nieuwe vrienden namen het voor kennisgeving aan. Geen vooroordelen, geen lullige grappen. De problemen, zegt ze, had ze zelf verzonnen, zelf ingevuld. De beren op de weg zaten uiteindelijk gewoon broodjes te smeren.

Maar ja, nu kreeg ze weer nieuwe vragen. Nieuwe aannames.

Wat ze vond van de islam. Of ze ook uitgehuwelijkt was. Of ze wel uit mocht? Dat ze vast heel goed tegen warm weer kon?

De wereld duwde me als het ware in een hokje

‘‘Mijn vader was afwezig, ik ben niet opgevoed met twee culturen, maar met één: de Nederlandse. Maar ik werd wel continu aangesproken op die andere cultuur. De wereld duwde me als het ware in een hokje waar ik helemaal niet hoorde.’’

En toch was ze zelf ook wel nieuwsgierig, het zit in haar aard zegt ze, ze wil graag weten waarom dingen zo zijn, waarom zijzelf zo is, haar temperament bijvoorbeeld, en die eeuwige onrust, dat ze nooit een vaste baan wil, altijd weg moet kunnen. Dat ze zo zwaar op de hand is. Zat dat in haar genen, was dat nu haar Marokkaanse kant?

Ze ging.

Bezocht het land van haar vader in 2005. Het is er prachtig, zei iedereen, betoverend, lekker eten, de verwachtingen waren hooggespannen, net als die van Nadia.

‘Hier gaat het vast niet opvallen dat ik structureel te hard praat. Dat ik overdreven dramatisch kan reageren. Dat ik het pas bij zevenentwintig graden Celsius behaaglijk heb. Altijd afwijk met mijn uiterlijk, waar ik ook ben. Dat ik nogal een opgewonden standje kan zijn als iets me niet bevalt. En dat mijn trots anderen, maar vooral mezelf in de weg kan zitten. Hier gaat alles samenvallen.’

Of niet, natuurlijk.

Racheda: ‘‘Ik schrok van de armoede, van hoe vies het overal was. Nu was het ook mijn eerste derdewereldland en we – mijn toenmalige vriend, nu mijn man, en ik - reisden on a shoestring, dus we sliepen in de meest ranzige hostels. Dat hielp natuurlijk niet.’’

Nooit meer terug geweest

Ook werd ze vermanend en bestraffend toegesproken, elke keer als ze vertelde half Marokkaans te zijn. ‘‘Waarom ik geen Arabisch sprak. Waarom ik dit en dat en zus en zo. Iedereen vond iets van me. Dat schuurde.’’

Het viel, kortom, enorm tegen. ‘‘En daar voelde ik me heel schuldig over. Dit was toch de reis waarbij alles op zijn plek zou vallen?’’

Bij de familie die ze opzocht, realiseerde ze zich hoe Hollands ze eigenlijk was, hoe direct, hoe vrijgevochten. ‘‘Ik voelde me daar haast gekooid, ging me inhouden, zachter praten. De taalbarrière hielp natuurlijk niet, net als de timing – het was ramadan, maar ik werd een soort schim van mezelf.’’

Na die eerste keer is ze nooit meer terug geweest. Ooit zou ze haar dochters het land willen laten zien waar ook hún wortels liggen. ‘‘Maar heel eerlijk: als het er nooit van komt, kan ik daar prima mee leven. En terwijl ik dit zeg, vóel ik weer een soort schuldgevoel schuren.’’

Schop tegen de Marokkaanse cultuur

Ook haar hoofdpersoon Nadia schopt tegen de Marokkaanse cultuur, tegen haar vader. Maar o wee als een ander een onvertogen woord laat vallen, dán neemt ze het voor hem op.

‘Mijn loyaliteit is sterker dan mijn zelfliefde. Of is dat de makke van loyaliteit? … Ik haat je, maar ik blijf toch bij je. Ik haat je, omdat je bent vertrokken, maar ik blijf je toch verdedigen. En wat is dan mooier; zelfliefde of loyaliteit? De vraag stellen is ’m beantwoorden.’

Het klinkt klef, zegt Racheda, maar pas toen ze haar Marokkaanse kant accepteerde, kon ze zichzelf accepteren. ‘‘Je kúnt niet een deel van jezelf onder het tapijt schuiven. Als je een onderbeen mist, kun je doen alsof dat niet zo is, maar daar kom je natuurlijk geen stap verder mee.’’

Eigenlijk, zegt ze, heeft ze zichzelf altijd overschreeuwd. Nee, ik mis mijn vader niet, nee, ik bén niet gemankeerd. ‘‘Natuurlijk voelde ik die pijn wél. Er zijn twee mensen op de hele wereld die je in elk geval leuk moeten vinden: je ouders. En als één van die twee je dan niet belangrijk genoeg vindt om bij je te blijven – dat is een verdriet dat nooit echt over gaat, hoe weerbaar je ook bent. Pippi Langkous kan weliswaar lekker haar eigen ding doen in haar Villa Kakelbont, maar uiteindelijk is zij ook maar alleen. Ik durf te wedden dat ze later nog wel een keer in therapie is gegaan.’’

Vossenjacht van Racheda Kooijman is op 1 september verschenen bij uitgeverij Orlando.

Lees ook: Dichter Gershwin Bonevacia: ‘Vroeger werd ik gepest om mijn dyslexie, inmiddels is het mijn superkracht’

In zijn nieuwe dichtbundel spreekt Gershwin Bonevacia met zijn vroegere ik: het tienjarige jongetje Gush, getekend door armoede, racisme en dyslexie. ‘Maar hij was niet bang. Daardoor heeft hij het mentaal overleefd.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden