EssayRob Schouten

Waarom Nederland verslaafd raakte aan het kleurloze kantoorbestaan uit Het Bureau

Het Bureau van Meertens in het Meertens instituut.  Beeld Hollandse Hoogte / Merlijn Doomernik
Het Bureau van Meertens in het Meertens instituut.Beeld Hollandse Hoogte / Merlijn Doomernik

Dertig jaar kantoorfrustratie verwerkt in zeven delen: 5500 pagina’s aan verpletterende saaiheid. Nederland kon er 25 jaar geleden geen genoeg van krijgen. Wat maakte Het Bureau van J.J. Voskuil tot zo’n ongekend succes?

Het was de grootste hype in de Nederlandse literatuur: de run eind vorige eeuw op J.J. ­Voskuils zevenklapper Het Bureau. Ellenlange rijen bij de boekhandels, leesclubs die zich er en bloc op stortten, discussiefora op internet waar het boek anatomisch werd ontleed, zelfs lezers die aan uitgever Van Oorschot vroegen of ze het manuscript alvast mochten inzien ­omdat ze vreesden de publicatiedag niet te halen. Zeven delen, in 2000, vier jaar na verschijning van deel 1 al goed voor zestig drukken.

Hype, het uit Amerika overgewaaide woord zelf was nog maar net in omloop om het oudere ‘rage’ te vervangen, en het lijkt helemaal niet te passen bij deze schrijver, de mediamijdende intellectueel J.J. (Han) ­Voskuil en vooral niet bij diens boek, 5500 pagina’s minutieus, pointeloos proza over het kantoorleven gedurende dertig jaar, kan het minder spannend? Oeverloze variaties op de belevenissen van ‘een kleurloze man met een kleurloze levenswandel die op een kleurloos kantoor werkt te midden van kleurloze collega’s’, zoals een van de weinige criticasters van het boek, Xandra Schutte, het formuleerde. 

En het klopt, er gebeurt niets bijzonders in Het Bureau en het is ook nog eens sobertjes, zonder effectbejag of stilistische hoogstandjes geschreven. Niettemin sloeg het ­geweldig aan en wie buiten de letteren om zich heen kijkt, begrijpt beter waarom. Het Bureau is wel een soap genoemd en soaps waren al enige tijd ‘in’: ‘Goede Tijden Slechte Tijden’, ‘Onderweg naar Morgen’, en in de ­jaren van publicatie was er net een nieuwe realityvariant van ontwikkeld: ‘Big Brother’, waarin een stel mensen opgesloten zit in een huis, en de kijker de groep honderd ­dagen kon volgen tijdens hun ­dagelijkse ­bezigheden.

null Beeld Hollandse Hoogte / Bert Nienhuis
Beeld Hollandse Hoogte / Bert Nienhuis

J.J. Voskuil

Johannes Jacobus (Han) Voskuil (1926-2008) studeerde ­Nederlandse taal- en letterkunde in Amsterdam en was van 1957 tot 1987 wetenschapper bij het Meertens Instituut. In zijn literaire debuut Bij nader ­inzien (1963) staat zijn studietijd centraal. Postuum verscheen in 2012 de roman De buurman, over een homostel dat in hetzelfde ­gebouw woont als ‘Maarten en ­Nicolien’.

De nog maar juist aan het daglicht getreden dystopie uit de voormalige DDR, de staat die haar burgers van dag tot dag volgde en in kaart bracht, had dus ook nog een entertainende kant. Kijken naar groeiend gras, Het Bureau leverde er de literaire variant van.

En misschien is de ‘kopieerlust des dagelijksen leven’ wel altijd een onderstroom in de Nederlandse literatuur geweest sinds ­Nicolaas Beets, in elk geval keert ze er altijd graag naar terug. Na de hemelbestormende Vijftigers bijvoorbeeld kreeg je de realis­tische Barbarber-schrijvers die de trivialiteiten van het dagelijks bestaan opnieuw onder de loep legden en er allerlei verrassends in zagen. Niet toevallig was Barbarber een ­favoriete literaire stroming van Voskuil. Of neem uit het buitenland de kunst van Andy Warhol, het overbekende uitgelicht.

Boeken waarin niets gebeurt

Maar wat verklaart toch het verbijsterende succes van dat zakelijke, sobere kantoorproza van de misantropische Voskuil? Waarin bijna geen stijlfiguren voorkomen en dat wordt opgestookt aan opsommingen en schijnbaar onbeduidende details, zoals bijvoorbeeld in deze passage: ‘Het regende niet meer, maar de straten waren nog klef van het vocht. Tegen de muur van een huis lag een nieuw, helgeel metrokaartje (…) Nog ­altijd enigszins aangeslagen liep hij naar huis. Er hing een grijze mist, die boven de gracht als een zak naar beneden kwam. Het metrokaartje was verdwenen.’

In een interview verklaarde Voskuil te houden “van die passages in ­boeken waar niks gebeurt”. Dat kan natuurlijk, maar waarom hielden ­lezers er ook zo van? Er moet iets meer aan de hand zijn geweest dan zomaar een ‘grijs’ boek. Het lijkt erop dat Het Bureau het ­verlangen van lezers naar een baken in een onmachtig voortstormende tijd vervult, het boek vertegenwoordigt iets van wat een Vlaams criticus ooit ‘la profonde Hollande’ noemde, net zoals Jan Siebelink met Knielen op een bed violen en Geert Mak met Hoe God verdween uit Jorwerd, ook bestsellers, dat ­deden. Stille dorpen, wereldafzijdige ­sektes, steriel kantoorleven: de ­smaak­makers van de Nederlandse literatuur aan het eind van de twintigste eeuw.

Voskuil beschrijft een starre, voorspelbare wereld die veel lezers zich ongetwijfeld van vroeger herinnerden en die toch ook een soort houvast bood. Een kantoorwereld met slechts minuscule erupties:

‘‘Ik heb je zaterdag gemist,’ zei Beerta strak, ‘en je hebt me ook geen bericht ­gestuurd zoals we hadden afgesproken.’
Veen stond met een rood hoofd tegenover hem. ‘Nee, dat komt, dat is zo gegaan ...’ Hij vermande zich. ‘Ik heb me zaterdag verslapen.’
‘Verslapen!’ zei Beerta verbaasd, alsof hij zoiets nog nooit eerder had gehoord.
Veen keek snel opzij naar Maarten, alsof hij hulp zocht. ‘Ja,’ zei hij hulpeloos.
Beerta wipte op zijn tenen, zijn handen op zijn rug. ‘En toen was het te laat om hier nog naartoe te komen.’ ‘Ja, dat is te zeggen ...’ Hij aarzelde, ‘ík werd wakker en toen dacht ik: Nou is het toch niet meer goed te maken, en toen ben ik maar een bad gaan nemen.’
‘Een bad!’’

Man komt te laat op zijn werk en wordt gekapitteld door zijn chef, wat je noemt een illusieloze scène, maar ook heel herkenbaar en herkenbaarheid is een van de grote attracties van Voskuils proza.

null Beeld Patrick Post
Beeld Patrick Post

Rob Schouten

Rob Schouten (1954) is schrijver, dichter en voormalig columnist van Trouw. Voor deze krant recenseert hij Nederlandse literatuur. 

Het Bureau was ook nog op een andere manier herkenbaar. Het bureau waar hoofdpersoon Maarten Koning werkt, is vrijwel identiek aan het in werkelijkheid bestaande Meertens Instituut dat de Nederlandse taal en cultuur documenteert en bestudeert, en waar Voskuil zelf werkte; de omstandigheden zijn gelijk en ook de talloze per­­so­nages die passeren, lijken sprekend op ­Voskuils ­collega’s in het echt. Je zou Het ­Bureau om die reden een sleutelroman ­kunnen noemen, maar Voskuil zelf heeft dat altijd tegengesproken. Daarmee stond hij overigens in een traditie. Ook W.F. ­Hermans liet in zijn roman Onder profes­soren, waarin herken­bare Groningse hoog­leraren rond­liepen, ­weten dat het géén ­sleutelroman was, ­misschien wel om geen gedonder te krijgen; een eerdere roman, De koekoek in de klok, van Judicus Verstegen, waarin ook duidelijk herkenbare academici rondliepen, was om die reden zelfs uit de handel gehaald, in Duitsland werd de ­schrijver van een realistische kantoorroman ontslagen.

Verraad

Voskuils Het Bureau is intussen wel ­degelijk een sleutelroman, onderzoekers hebben zelfs ­lijsten samengesteld waarin de ware identiteit van de ongeveer tweehonderd personages die erin voorkomen wordt onthuld. De meesten waren ­weinig gesticht over hun optreden in de ­romans, en dat is ook niet zo gek, ze spelen bepaald geen heroïsche rollen, zie de scène tussen Beerta en Veen.

Geen wonder, voor Voskuil was Het ­Bureau ook een soort afrekening met zijn loopbaan aan het Meertens Instituut. Hij had geprobeerd eenheid onder zijn collega’s te scheppen maar kwam er na dertig jaar, bij zijn pensionering achter dat die collega’s daar helemaal niet van gediend waren geweest. De teleurstelling over dat ‘verraad’, dat hem naar eigen zeggen felle hoofdpijnen ­bezorgde, vormde de motivatie voor het schrijven van Het Bureau

Het grotere publiek kon intussen ook meer publieke figuren herkennen, zoals de bekende Keltische sagenkenner professor Maartje Draak, die bij Voskuil schuilging achter een opzienbarend karakter met de naam Kaatje Kater. Dat aan veel sleutel­romans een zekere wrok van de schrijver ten grondslag ligt is onmiskenbaar, maar ook de geportretteerden beantwoorden aan vaste patronen. Ik heb eens horen zeggen dat je als schrijver nooit kunt voldoen aan de ver­langens van je omgeving: vrienden, familieleden, collega’s zijn óf boos dat ze niet in je boek staan óf ze zijn boos dat ze er wél in staan.

Muppetshow

Dat Het Bureau een autobiografische ­roman is, dat het allemaal echt gebeurd is, droeg al met al beslist bij aan de naam en faam van de romancyclus. Je werd als lezer als het ware een voyeur. Zoals mensen ­vroeger naar executies gingen kijken, zo ­kijken ze aan het eind van het millennium naar de in een doorzichtig laagje verpakte realiteit: soaps, realityspektakels, sleutel­romans: ­Gefundenes Fressen voor de ont­wortelde laat-twintigste-eeuwse mens.

Aan Voskuil zelf waren dat soort noties trouwens in het geheel niet besteed, een van de opvallendste eigenschappen van zijn alter ego Maarten Koning en nog meer van diens vrouw ­Nicolien (een portret van Voskuils vrouw Lousje) is hun halsstarrige indivi­dualisme en conservatisme, hun verzet tegen het burgerdom; zelfs tegen de telefoon, een ‘nieuwerwets’ ding, hebben ze iets. 

Die afkeer van de moderne tijd plus de onderlinge verwikkelingen van bijna niets gaven criticus Arjan Peters, een verklaard liefhebber van Voskuils werk, in te spreken van een ‘Muppetshow met een traan’. De ­ouderwetse levenshouding, gevoegd bij de slopende herhalingen van gebeurtenissen, zoals de immer identieke middagpauzes of het almaar herhaalde ‘hij voelde zich bedreigd’, heeft, hoe serieus ook bedoeld, toch ook iets van een slapstick. De lezer keek naar een­ ­bizar geworden Welt von Gestern en omarmde die.

Het Bureau mag dan een boek zijn over een uit de tijd geraakte, principiële man in een wereld die hem niet zint, zijn succes is ongetwijfeld een ­gevolg júíst van de democra­tisering en emancipatie in de literatuur. Waarin de ­laatste jaren ook doktersromans, streek­romans, avonturenromans en dus ook ­kantoorromans mochten ­figureren.

Het succes van Voskuils autobiogra­fische roman heeft een hele golf aan soort­gelijke boeken gestimuleerd. Ik noem er ­alleen al een paar van het afgelopen jaar, waarin schrijvers hun gram of verdriet haalden over de nare tegenvallers in hun leven, Herman Koch beschreef in Finse dagen een getroebleerde periode uit zijn jeugd, Arielle Veerman rakelde in De langste adem haar ­gekwelde leven met schrijver Joost Zwager­man op, Bart Chabot schreef in Mijn vaders hand frustraties rond zijn ­opvoeding van zich af, Alma Mathijsen ­verwerkte in ­Bewaar de zomer het verdriet om haar vroeg overleden vader. 

Persoonlijke frustraties, wrok en ­verdriet zijn inmiddels geldige literaire ­motieven voor een auto­biografische roman. Maar zo lang en gedetailleerd als Voskuil het deed, blijft het toch een unicum in de ­Nederlandse literatuur.

Lees ook:

Hoe ik mijn kantoorleven leerde omarmen

Het grijze bestaan op kantoor leverde al veel briljante tv-satire en literatuur op. Olaf Stomp berekende dat hij in zijn leven al vijftigduizend uur op kantoor doorbracht.

Wie was Kaatje Kater uit Voskuils Het Bureau?

Wie was die vreemde Kaatje Kater uit Voskuils Het Bureau? Gelukkig is er nu een biografie over Maartje Draak, hoogleraar Keltisch.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden