Essay

Waarom lezen, en schrijven, mensen historische romans?

Beeld Trouw Beeldredactie

Wat drijft een schrijver de historie in? ‘Het vreemde van toen heeft je iets te zeggen wat je mee terug wilt nemen naar de eigen tijd.’

Een tijdlang heb ik er een kleingeestig plezier in gehad om - als lezer van andermans historische romans - zulke dingen te denken als:  maar die oude Romeinen gaven elkaar bij alledaagse ontmoetingen helemaal geen hand, Robert Harris! Dat gebeurt in zijn drie toch heus heel goede romans rond Cicero: ‘Imperium’, ‘Lustrum’, ‘Dictator’;

maar zulke grote spiegels (als waarin hoofdpersoon Margaretha van Parma zichzelf een aantal keren bekijkt) bestonden er in de zestiende eeuw nog helemaal niet, Jan Siebelink! ‘Margaretha’, een toch heus heel goede roman, over genoemde landvoogdes aan de vooravond van de Tachtigjarige Oorlog, met naast Margaretha onder anderen een nog jonge prins Willem van Oranje erin; 

maar wat wij tegenwoordig knopen noemen, aan kleding, laat staan gouden knopen, had je toen echt nog niet hoor, A.F.Th. van der Heijden! ‘De ochtendgave’, een toch heus zeer onderhoudende roman rond de Vrede van Nijmegen (1715);

 maar op dit moment van de negentiende eeuw waren er nog helemaal geen lucifers, Thomas Rosenboom! ‘Publieke zaken’, een toch heus heel goede roman over arme landverhuizers uit Drenthe.

En zo heeft Maarten ’t Hart, aan wie niets ontgaat, opgemerkt dat Simon Vestdijk in zijn roman ‘De vuuraanbidders’ (die zich afspeelt tijdens de godsdiensttwisten van het Twaalfjarig Bestand) iemand laat lezen in of citeren uit de nog niet bestaande Statenvertaling.

Alles weten

Waar maak je je druk over, zal de lezer zich afvragen. De lezer heeft gelijk - dit zijn maar heel kleine anachronismen. Maar toch: elke schrijver van een historische roman die ook maar een schijn van realisme nastreeft zal zich dit soort vragen stellen. En altijd met een zekere machteloosheid, want er is geen eind aan. Hoe ging dit of dat, toen? Hoe zag het eruit? Hoe voelde het? Hoe rook het? Hoe spraken ze? Wat dachten ze?

In het wilde weg (het zou geen moeite kosten de opsomming pagina’s lang voort te zetten) noem ik hier een paar van de mogelijke en onmogelijke vraagstukken die me hebben beziggehouden. Want zo gaat dat: eerst wil je alles weten, om er vervolgens zo goed als niets van te gebruiken.

In hoeverre was Den Haag rond 1600 geplaveid? Sliep Oldenbarnevelt (al) in een hemelbed of (nog) in een bedstee? Werd er al papier geproduceerd in deze contreien of werd dat geïmporteerd? Reisde Oldenbarnevelt wel eens per trekschuit? Of waren de desbetreffende kanalen er nog niet? Wat werd er nou precies gestookt? En wat - in vredesnaam - is doofkool? Kwam de aanduiding dominee al voor? Vanaf wanneer dragen dominees toga’s? Bestond de voorzittershamer al? Hoe werd er vergaderd? Klopt het dat discussies niet genotuleerd werden? Vanaf wanneer werd er gesproken van ‘op zijn elf en dertigst’ (Friese steden en idem grietenijen)? Deden er, zoals Oldenbarnevelt, nog meer mensen aan pogingen om in een ver verleden van adel te worden? Tot wanneer benoemden de ambachtsheren de predikanten in ‘hun’ dorpen? Sprak de Engelse graaf Leicester in Holland alleen maar Italiaans? Want Frans, dat sprak-ie niet, en Engels, dat kon niemand toen. Hoe oud is de minuut? Hoe oud de seconde? Hoe klonk het klokje van de Hofkapel? Hoe de klok van de Sint-Jacob? Hoe lag Delft erbij als je in de zomer van 1584 langs de Schie aan kwam rijden uit Rotterdam?

Één groot anachronisme

Dit zijn allemaal min of meer achterhaalbare realia. Ik zwijg nu maar over de kwestie van de door de schrijver te bezigen taal. Hoe oud, of juist niet oud, maar min of meer neutraal moet die zijn? De moderne taal in zijn geheel is immers één groot massief anachronisme ten opzichte van die van vierhonderd jaar terug. Een wel aardige grap in dit verband haalde Robert Anker uit. In zijn laatste roman, ‘In de wereld’, tovert hij terloops maar natuurlijk expres een condensstreep in het verder keurige laatmiddeleeuwse uitzicht. Als om de lezer even op de schouder te tikken: hé daar, let jij wel goed op eigenlijk?

Wie schrijft, doet dat altijd in gezelschap. Aan haar historische roman ‘Hadrianus’ Gedenkschriften’ heeft Marguerite Yourcenar later een heel mooi nawoord toegevoegd. Het zijn notities die mij een hart onder de riem hebben gestoken. Je kunt er ook meteen uit opmaken dat deze roman niet alleen een heel lange incubatietijd heeft gekend, maar dat de figuur van Hadrianus (en haar roman) haar wel een jaar of vijftig is blijven bezighouden - van 1924 tot 1974. Het boek verscheen in 1951.

Ik noem die jaartallen vanuit de huidige vanzelfsprekende kennis van de geschiedenis van de twintigste eeuw, maar zonder nu meteen te willen beweren dat de Gedenkschriften ‘eigenlijk’ over de twee wereldoorlogen gaan. Wel ben ik ervan overtuigd dat de slagschaduwen deel uitmaken van de inzet van de roman. Want het ging Yourcenar om een nogal zeldzame vredesvorst - een veldheer die ook een denker was; een man, dat ook, die van mannen hield.

Reeks dialogen

Ik vind het een mooie, koele roman. Maar wat me, misschien nog meer dan de roman, verrast heeft, dat waren die aantekeningen. “Geruime tijd”, schrijft ze, “heb ik me het werk voorgesteld in de vorm van een reeks dialogen, waarin alle stemmen van de tijd zich zouden doen horen.”

Het is een verbluffende ambitie: niet minder dan alle stemmen! Zij vervolgt: “Maar hoe ik het ook aanlegde, het detail drukte te zwaar op het geheel, de onderdelen brachten het evenwicht van de totale constructie in gevaar; de stem van Hadrianus ging verloren.”

Yourcenar heeft ten slotte geopteerd, moet de lezer weten, voor de ik-vorm.

De cursivering in het citaat is van mij. En het gekke was dat ik die woorden lang geleden - tientallen jaren - al eens onderstreept had. Hoe het precies heeft gezeten met Yourcenars aandriften tot haar roman weet ik niet. Bovendien, historische aandriften leveren natuurlijk nooit helemaal op wat er ten slotte uitkomt. Ze wijzen alleen de weg terug. Waar je precies mee thuis zult komen, dat moet je afwachten. Je zoekt een oude actualiteit op om het licht, dat je daar vermoedt, te kunnen werpen op de situatie waar je middenin zit.

Om mijn roman van Oldenbarnevelt, de staatsman met zijn lange en invloedrijke leven, te kunnen schrijven moest ik dat leven versmallen en samenballen. Om de macht van de man te laten zien moest ik hem tonen juist in de onmacht van zijn gevangenschap, de ondervragingen, het isolement, de ongeïnformeerdheid. Dat overkwam uitgerekend hem! Spin in vele webben. Per brief en via gezanten voortdurend in verbinding geweest met de machtigen van het zestiende-eeuwse Europa. Het ging mij om die periode van bijna negen maanden die eentonig en langzaam voorbij kropen. De man met haast, de besluitvaardige man, de politicus van de snelle analyse, maar die ook heel goed kon traineren, het oog altijd gevestigd op de te bevorderen toekomst, die man moest ik hebben - veroordeeld tot bewegingloosheid.

Schemerleven

De pater familias, ook, maar zonder familie. De man die het gewend was een legertje klerken tot zijn beschikking te hebben, maar aan wie nu zelfs het bezit van pen en papier verboden was, laat staan de toegang tot zijn eigen archief. Die man, in afwachting, niet langer handelend, opgesloten in het centrum van de macht, het hem zo vertrouwde Binnenhof, zonder vensters, ook zelf onzichtbaar geworden.

Daar was het mij om begonnen: dat schemerleven van dag tot dag, zonder perspectief, in een tussentijd waarvan niemand wist hoe lang die ging duren. Een tussentijd die eindtijd werd.

Nicolaas Matsier

Vandaar dat ik de woorden van Yourcenar met een schok der herkenning las. Alsof die door mij zo lang geleden onderstreepte woorden al die tijd al hadden geweten dat ik er ook zelf nog wel achter zou komen.

“Een ons bekend leven”, schrijft ze, “voleindigd, door de geschiedenis vastgelegd (voor zover dat ooit mogelijk is), zó aan te vatten dat het gehele verloop ineens omsloten wordt; sterker nog, het ogenblik te kiezen, waarop de man die dit bestaan heeft geleefd, het weegt, het op zijn waarde onderzoekt, voor een ogenbik in staat is het te beoordelen. Het zo in te richten dat hij zich ten opzichte van zijn eigen leven in dezelfde positie bevindt als wij.”

Intussen blijft daar die niet te beantwoorden vraag: waarom dan toch, historische romans? Waarom lezen en schrijven mensen ze? Hoe het andere schrijvers vergaat weet ik niet, maar mij moet je, zeker in de aanloop, en ook tijdens het schrijven, niet lastig vallen met zo’n vraag. Het is een vraag die alles kan doodslaan.

Ongetwijfeld is het precies het anachronisme in de ruimst mogelijke zin dat ten grondslag ligt aan de onderneming als zodanig, en aan het hooguit halfbewuste verlangen om zo’n roman te schrijven. Je weet niet helemaal waar je op uit bent. Zolang als het vreemde in het eigen verleden je aantrekt, zolang wil je ernaartoe. Omdat het vreemde je iets te zeggen heeft, iets dat je mee terug wilt nemen naar de eigen tijd. Maar het gaat om de tijdreis: heen, maar vooral ook: weer terug. De historische roman is gebouwd op het principe van reculer pour mieux sauter.

Je loopt een eind achteruit voor de aanloop - of liever, dat eind achteruit zèlf is de aanloop. En hop, daar ben je dan ten slotte weer terug, want daar in het verleden blijven, dat kan niemand.

Nicolaas Matsier (1945) is romancier en dichter. Dit essay is het derde in een korte serie op weg naar 13 mei, de datum van Oldenbarnevelts onthoofding in 1619. Onlangs verscheen over hem Matsiers ‘De Advocaat van Holland’.

Lees ook:

De grens tussen feit en fictie in historische romans

In historische romans lezen we hoe mensen vroeger leefden. Toch? Debutant-auteur Jean-Marc van Tol en routinier Jan van Aken vertellen over hun omgang met fictie en feiten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden