Review

Waarom in China geen Galilei is opgestaan

Dat de wetenschappelijke revolutie in de zeventiende eeuw in Europa plaatsvond, en niet in het Midden-Oosten of China, is goed te verklaren, schrijft Floris Cohen in een buitengewoon helder boek.

Land waar de zon ondergaat: dat is de betekenis van het woord Europa. Een begrip dat ontstond in het Oosten. Maar het was hier – en niet in het Oosten – dat zich de fenomenale ontwikkeling in kennis voordeed die we nu kennen als de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw.

Waarom hier en niet in de rijke Islambeschaving van het Midden-Oosten? Of in China? Waarom is er nooit een Chinese Newton of een Perzische Galilei opgestaan? Floris Cohen, wetenschapshistoricus in Utrecht, heeft zijn ’De herschepping van de wereld’ geschreven om op die vragen een antwoord te geven. En laat bij voorbaat gezegd zijn dat wetenschapsgeschiedenis zelden zo spannend en meeslepend is als bij Cohen het geval blijkt.

Cohen onderscheidt twee vormen van natuurkennis die al sinds de Grieken bestaan. Enerzijds is dat de ’Atheense variant’, sterk wijsgerig van inslag, met een contemplatieve en coherente totaalvisie op de natuur waarin alles op basis van een aantal primaire aannamen of principes kan worden verklaard. De belangrijkste vertegenwoordiger daarvan, die het natuurbeeld tot in de zeventiende eeuw heeft bepaald, was Aristoteles.

Anderzijds is dat de ’Alexandrijnse variant’, sterk wiskundig van inslag, juist niet contemplatief of bezield door een holistische aandrift, en meer toegespitst op een beperkt aantal specifieke natuurverschijnselen (zoals lichtstralen en consonanten). Daarvan was Euclides de belangrijkste vertegenwoordiger, wiens wiskunde het nog langer volhield dan Aristoteles’ filosofie. Die twee vormen van natuurkennis waren niet complementair maar bleven tot in de zeventiende eeuw gescheiden benaderingen van de werkelijkheid.

In de zestiende eeuw komt er in Europa – vooral binnen de alchemie – nog een derde vorm van natuurkennis op, pragmatisch van aard en met aandacht voor waarneming en experiment. Daarvan was Paracelsus een bekende vertegenwoordiger.

In de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw worden die drie vormen van natuurkennis verenigd in ’de mathematisering van de natuur’ waar nog bijkomt dat hypothesen niet alleen worden geformaliseerd (wiskundig uitgedrukt) maar ook worden geverifieerd door experiment en observatie. Daarmee ontstaat de moderne natuurwetenschap en wordt de wereld ’herschapen’.

Het lijkt een logische ontwikkeling maar was dat allerminst. Om te beginnen is het Griekse denken (de ’Atheense’ en de ’Alexandrijnse’ variant) drie keer uit de dood weder opgestaan. Het ging ten onder in tweede eeuw v. Chr. maar herleefde rond 800 in de Islambeschaving van Bagdad die rond 1050 weer in verval raakte. Terzelfder tijd bloeide de Griekse natuurkennis elders op, in het op de Moren heroverde deel van Spanje (waardoor in het Arabisch vertaalde teksten uit de Oudheid beschikbaar kwamen voor vertaling in het Latijn). En de derde wederopstanding, tenslotte, volgde op de val van Constantinopel (1453), waardoor geleerden met hun bronteksten een goed heenkomen zochten in West-Europa.

Als daarna de twee Griekse varianten zich verenigen met de derde (experiment en observatie) is het pleit nog niet gewonnen. Europa was begin zestiende eeuw nog gedompeld in godsdienstoorlogen, de mathematische voorstelling van de werkelijkheid was velen te abstract, sommige hypothesen waren contra-intuïtief (bijvoorbeeld dat de aarde om de zon draait, in plaats van andersom).

Als ’onze’ Isaac Beeckman (1588-1638) onder invloed van het herlevend atomisme van Lucretius betoogt dat de werkelijkheid uit kleine materiedeeltjes bestaat dan stuit dat onder meer op het bezwaar dat je die niet kunt zien. Maar telescoop en microscoop openden een voorheen onzichtbare wereld; Europa kwam na 1648 in rustiger vaarwater en een geest van verzoening en harmonie straalde niet alleen uit naar de godsdiensten maar ook naar de voorheen gescheiden varianten van natuurkennis, meent Cohen. Zo ontstond hier het wonder dat in Bagdad en China onmogelijk bleek. China trok zich terug in zichzelf en achter de Muur. Daardoor kreeg het geen kruisbestuiving van andere culturen. En in het ooit bloeiende Bagdad (en de Islamcultuur in het algemeen) verdrukte dat ene Boek op een gegeven moment alle andere boeken.

Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Alhoewel Cohen wel wat opmerkt over de Chinese wereldbeschouwing, gaat hij toch te weinig in op het verschil daarvan met het Westen. In het Chinese denken is het wijsheid je te voegen in het ritme van de natuur; het denken is er synthetisch-holistisch en de natuur te groot om te vatten, te doorgronden. In het Westen is het denken meer analytisch: de natuur wordt opgedeeld, gecategoraliseerd en geclassificeerd, en daarmee vatbaar gemaakt. Begrijpen heeft ook altijd iets van in je greep krijgen. Wij stellen ons meer op tegenover de natuur dan dat wij ons ernaar willen voegen.

Het westerse denken is dominant, overheersend. Wij waren het, daarom, die de natuur onder de tucht van onze wiskundige formules hebben gebracht, in onze kaders en categorieën hebben bedwongen, en met discrete begrippen en definities hebben vastgelegd (wat binnen het holistische denken van China niet mogelijk was omdat daarin alles met alles verbonden is). Zo is er nog wel meer op te merken. Maar er zijn dus verschillen in denken die mede verklaren waarom er wel een Europese en niet een Chinese Galilei of Newton is opgestaan.

Nog een tweede opmerking die kennisfilosofisch van karakter is: natuurlijk heeft Cohen zeer veel aandacht voor het empirisch karakter van de moderne natuurwetenschap. Maar het inductieve karakter daarvan had meer nadruk kunnen krijgen, juist omdat het zo belangrijk is. Zolang kennis deductief is en wordt afgeleid uit een aantal eerste beginselen, blijft wetenschap vaak steken in het verder invullen van het model waarvan de principes al gegeven zijn, zodat een doorbraak uitblijft. Dat was zo met de Aristoteliaanse natuurvisie. Kennis die daarentegen inductief is, berust op een zo groot mogelijk aantal waarnemingen en is open omdat elke nieuwe waarneming natuurwetmatigheden die eerder werden vastgesteld, op zijn kop kan zetten. Zonder dat open-einde karakter was de moderne natuurwetenschap een nieuw model gebleven. Maar inmiddels hebben we Einstein en de kwantumfysica.

Betekenen deze opmerkingen dat Cohen ernstig tekort is geschoten? Allerminst. De wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw is een omvangrijk thema waarbinnen iedereen zijn eigen gedachten kwijt wil en binnen de beperkingen die Cohen zich gesteld heeft, is ’De herschepping van de wereld’ een buitengewoon boeiend en helder geschreven verslag. Bovendien komt er binnenkort nog een Engelstalige, wetenschappelijke versie. Cohen maakt duidelijk hoe er in het ’avondland’ Europa iets is gebeurd waardoor wij het natuurwetenschappelijk rijk zijn geworden waarin de zon niet meer onder lijkt te gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden