Essay

Waar is het experiment toch gebleven?

Beeld RV

Een eeuw vernieuwing in de Nederlandse letteren: van modernisme tot Asibot. 

Waar is toch onze literaire voorhoede ge­bleven? Je kunt van alles en nog wat zeggen van de hedendaagse Nederlandse literatuur maar niet dat ze dringend en hongerig op zoek is naar vernieuwing. Het literair experiment is al jaren geleden in de ijskast gezet om daar voorlopig niet meer uit te komen. Modernisme is, ondanks de suggestie van het nieuwe, een ouderwetse term geworden, een gezonken cultuurgoed met Kafka-bekers, en William Faulkners boeken in de leesclub van Oprah Winfrey. Naar equivalenten van bijvoorbeeld het hevige Futurisme en Expressionisme uit het begin van de vorige eeuw is het vergeefs zoeken.

De Nederlandse literatuur staat er niet slecht voor maar ze heeft ontegenzeggelijk iets conventioneels gekregen. Schrijvers schrijven gezapige boeken volgens beproefde recepten. Natuurlijk zijn er uitzonderingen maar dan gaat het om een handjevol in de marge opererende schrijvers die nauwelijks aan bod komen. Ook de top van de Nederlandse literatuur – A.F.Th., Arnon Grunberg, Thomas Rosenboom, P.F. Thomése – levert goed lezende, meeslepende romans af in de bekende trant zonder behoefte om met de vorm te goochelen of iets heel nieuws uit de hoed te toveren. In de poëzie is het al niet veel anders; zeker is er een nieuwe generatie aan het woord, waarbij opvalt hoeveel jonge vrouwen het dichterlijke woord voeren, maar ze schrijven vooral licht praterige, licht-filosofische, anekdotische gedichten. Poëzie light.

Het 'gewone' leespubliek

Het lijkt of iedereen zich richt op het ‘gewone’ leespubliek dat, volgens de socioloog Bourdieu, nu eenmaal meer op inhoud dan op vorm focust. Ik denk dat de opkomst van het plot in de literaire roman de laatste decennia, die spannende gang naar een ontknoping in romans als ‘De ontdekking van de hemel’ van Mulisch en ‘Het diner’ van Herman Koch, daar ook een symptoom van is. Mysteries, moordpartijen, of als het er wat minder heftig aan toegaat menselijke verhoudingen die op een crisis uitlopen, bepalen het gezicht van de hedendaagse Nederlandse roman. Als het maar pákt, lijkt het devies.

Ik moet denken aan wat W.F. Hermans eens schreef: “In volkslectuur blijven de dingen niet bij het oude. Onophoudelijk gebeurt er wat. Volksromans laten de lezer ontsnappen uit zijn eigen leven waarin niets gebeurt, tenminste niets waaraan hij met voldoening, al is het maar met kwaadaardige bedoeling, terug kan denken. Waarin hij nooit een sterk karakter ontmoet dat zijn leven een beslissende wending ten goede geeft.”

Honderd jaar geleden

Dat was honderd jaar geleden wel anders. 1918, niet alleen het einde van de Eerste Wereldoorlog maar ook het signaal voor de avant-garde om een ander soort literatuur dan voorheen te gaan schrijven. Oudere schrijvers waren gedurende de oorlog verdwenen of stilgevallen, jongeren grepen de kans met experimentele romans, verhalen en gedichten. De oude wereld was verwoest, er moest een nieuwe opgeroepen worden, van andere gemeenschappen en andere mensen. Niet de esthetische genieter bepaalde nog langer het perspectief maar de twijfelaar die gezien had hoezeer het mis kon gaan. In de handen van schrijvers als Thomas Mann, André Gide, James Joyce, Virginia Woolf en anderen werd de mens van zijn fundamentele zekerheden ontdaan, het Modernisme trad aan. Beschaving en optimisme waren door de oorlog verdwenen, nu kon er ook in de literatuur geschreeuwd en ontworteld worden, uitdrukken wat je voelde: het Expressionisme van Alfred Döblin en Franz Kafka kwam op, de Biedermeierachtige verhalen van voorheen werden weggedrukt. Bij ons had je de Vlaming Paul van Ostaijen met zoiets karakeristieks als ‘Bezette stad’, waarin taal en verhaal, net als de wereld in oorlog, volkomen verscheurd werden:

Nihil in crux suastica
Nihil in vagina
Zut katedralen bouwen en omverschieten
schuld bij anderen
natuurlik

Wel liepen we in Noord-Nederland een beetje achter met de hemelbestorming. Met veel moeite lijfden we achteraf de interbellum-schrijvers Marsman, Nijhoff en Du Perron bij de vernieuwers in. Nijhoff schreef weliswaar ‘Nieuwe gedichten’ maar ze rijmden toch nog altijd en leken wel erg veel op ouderwetse sonnetten. En Du Perron schreef maar één roman die je met een beetje moeite modernistisch kunt vinden, ‘Het land van herkomst’. Nou goed, Marsman dan die het in z’n eentje moet doen met regels als ‘nu flikkert mijn leven mijn lichaam uit. / de eeuwigheid fluit in een kogel voorbij.’ Bij ons moesten we tot na de Tweede Wereldoorlog wachten, die we anders dan de Eerste wel aan den lijve ondervonden, alvorens het experiment een echte kans kreeg. Misschien waren we er met onze ‘doe maar gewoon’mentaliteit ook nog wel iets te calvinistisch voor.

Poëtische revolutie

Eerst kregen we de poëtische revolutie van de Vijftigers en na de maatschappelijke omwentelingen van de jaren zestig schrijvers als Bert Schierbeek, Jacq Vogelaar, Sybren Polet die de oude verhalen op een hoop gooiden en, vaak met ideologische bijbedoelingen, andere taal gingen hanteren in fragmentarische verhalen, verbrokkeld, vol registerwisselingen, afwijkende formuleringen, kortom van alles om maar te laten zien dat de oude retorica had afgedaan. ‘Ander proza’ noemde Sybren Polet het die het voor ons bijhield in essays en bloemlezingen, maar het sloeg niet aan; hij kreeg eind jaren zeventig zoveel hoon over zich heen dat hij er maar mee ophield. De essayist Cyril Offermans, pleitbezorger van dat experimentele genre, constateerde in 1985 dat het voorbij was en ‘dat ook de interessantste Nederlandse prozaïsten doodgewone schrijvers zijn geworden’.

Inmiddels lijkt het honderd jaar na de grootste vernieuwingen die de literatuur ooit meemaakte soms wel of de literatuur verouderd in plaats van vernieuwd is. Grote romans lijken op streekromans, of doktersromans, of jongensromans of thrillers, moderne gedichten op innerlijk gekwebbel. En je kunt je afvragen of er nog wel een avant-garde bestaat en wat experimenteel schrijven nog zou kunnen voorstellen. Ontbreekt het ons wellicht aan sociale onrust, oorlog, die traditionele aanjagers van nieuw geluid in de cultuur? Is de wereld niet uitdagend genoeg of is ze juist té uitdagend? Oorlog en angst genoeg om ons heen, zou je zeggen; na 9/11 is het niet stil meer geweest, maar het lijkt wel of we ons het liefst op onze veilige burcht terugtrekken, ons hoofd niet meer uit het raam steken om in de schroeilucht van een kapotte wereld een nieuwe geest te zien waaien.

Volkomen verkeerd 

Maar misschien kijken we er volkomen verkeerd tegenaan. De roman ‘Dag der zielen’ van Mike McCormack, uit het land van James Joyce en Samuel Becket, zou als voorbeeld kunnen dienen. Van buiten is het een roman op de ouderwetse experimentele manier, één enorme zin lang, stream of consciousness, flink verbrokkeld en associatief, maar wat je voortdurend voelt is dat hij niet per se met de taal of de verhaalstructuur wil experimenteren om ons van vertelillusies te beroven maar dat hij er de ontwrichte mens van nu mee in beeld wil brengen, worstelend met die mix van overdadige sociale informatie en zijn eigen wereldje, groot en klein nieuws door elkaar, zijn zoektocht naar orde in alle chaos. Hier een stukje over een half bewust gemaakt autotochtje: “het halve graafschap door rijden en veilig op mijn bestemming aankomen terwijl iedere kilometer wordt weggezogen in een maalstroom van verstrooidheid, een complete leegte van geest die me zo dikwijls overkwam”, et cetera. Kortom de mens als een halve robot, half gedachtenloos voortgestuurd door de technologie.

Want het valt niet te loochenen dat niet oorlog en 9/11 maar de technologie en nieuwe media het universum volkomen overhoop hebben gegooid. De stijl van McCormack mag hier en daar doen denken aan die van Vogelaar en consorten, zijn bedoelingen zijn heel anders, hij cartografeert de stuurloosheid van de moderne mens, zijn verbrokkeling, zijn angst voor de apocalyps, zijn wanhoop maar “zich naar boven werkend uit de wankele diepten van het niets waar God mij op dit moment misschien hoort en me komt zoeken omdat hij in mij een collega-ingenieur herkent”.

Nieuwe avant-garde

Als er honderd jaar na dato een nieuwe avant-garde opstaat zal die, en dat is maar goed ook, een totaal andere zijn dan die van een eeuw geleden, eentje waarbij bijvoorbeeld leeg­heid en robotisering op het programma staan. Het experiment van Ronald Giphart die samen met een robot een verhaal schreef met de karakteristieke titel ‘Ik, robot’ werpt wat dat aangaat misschien wel een blik in de literaire toekomst. De angst voor verregaande technocratie, in romans als ‘De cirkel’ van Dave Eggers en ‘De klont’ van Maxim Februari, is groot, maar je kunt je ook voorstellen dat internet en sociale media een nieuw soort proza en poëzie genereren waar we nu nog geen weet van hebben, boeken waarin onze individualiteit wordt betwist, bij elkaar gegoogelde verhalen, facebookgedichten.

McCormack lijkt met zijn experimentele roman over de lege mens, moeizaam zoekend naar vervulling, op weg om onze vastgeroeste literaire thema’s en gewoontes weer een impuls te geven. Wie volgt? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden