Review

Waar de rijkste ook de machtigste is

Het Rome dat sterauteur Niccolò Ammaniti in zijn nieuwe roman beschrijft is één grote poel van verderf. Die beschrijft hij trouwens erg geestig. Maar wil de inmiddels zélf heel bemiddelde auteur ook meer dan amuseren? Houdt hij onze media-gehypte wereld een spiegel voor?

In ’Laat het feest beginnen’ biedt Niccolò Ammaniti zijn lezers een inmiddels vertrouwde mix van stripfiguurachtige personages, absurde situaties, thriller-spanning en bloedvergieten. Ook de zappende verteltechniek van parallelle en kruisende levens behoort tot Ammaniti’s handelsmerk. Net als in eerdere hilarische vertellingen schakelt ’Laat het feest beginnen’ kort en snel tussen zeer verschillende levens.

De structuur is wel eenvoudiger dan in eerdere romans: Ammaniti beperkt zich nu tot twee personages, een succesvolle maar tamelijk pathetische romanschrijver en de leider van een nog veel pathetischer groepje satanisten.

Nieuw is de hoofdrol voor een schrijver. Terwijl eerder in ’Ik ben niet bang’, ’Ik haal je op, ik neem je mee’ en ’Zo God het wil’ moedige kinderen of adolescenten de meeste aandacht kregen, is de belangrijkste rol nu weggelegd voor Fabrizio Ciba: succesvol romanschrijver van 41, doorgaans bijzonder tevreden met zichzelf (’Italië verdient mij niet’), maar ook bevreesd dat hij over de top van zijn roem heen is en pijnlijk verzand in een midlifecrisis. Hij heeft niet bijster veel te vertellen, maar tot zijn eigen verbazing sluiten zijn opportunistische oppervlakkigheid en improvisatietalent telkens naadloos aan bij de smaak van het grote publiek. Veelzeggend is zijn dubbelrol als schrijver en tv-beroemdheid („Hoeveel van mijn succes heb ik te danken aan mijn boeken en hoeveel aan de televisie?”).

Fabrizio Ciba’s tegenhanger is Saverio Moneta, alias Mantos, leider van een piepkleine Romeinse satanische sekte, de Beesten van Abaddon. Als satanist voelt Saverio zich opgejaagd door de Kinderen van de Apocalyps, zijn onbereikbaar superieure concurrenten uit Pavia; privé is hij een grijze muis, onder de plak van zijn kille, bazige vrouw en van zijn even tirannieke schoonvader in wiens bedrijf hij truttige Tiroolse meubels verkoopt.

Saverio’s torenhoge satanische ambities staan in schril contrast met de werkelijkheid, wat Ammaniti met veel verve onderstreept:

„De volgelingen bogen het hoofd. De leider hief zijn blik naar het plafond en spreidde zijn armen. ‘Wie is jullie charismatische vader?’ ‘Jij!’ riepen de Beesten in koor. ‘Wie heeft de Tafelen van het Kwaad geschreven?’ ‘Jij!’ ‘Wie heeft jullie de Liturgie van de Duisternis geleerd?’ ‘Jij!’ ‘Wie heeft de pappardelle met konijnragout besteld?’ vroeg de ober met een aantal dampende borden op zijn armen. ‘Ik!’ Saverio stak een hand uit. ‘Niet aanraken, ze zijn heet.’”

Hun beider levens kruisen in een onwerkelijke, reality-tv-achtige setting: een superdecadente megaparty voor de opening van de Romeinse residentie van Sasà Chiatti. Deze louche, steenrijke ondernemer uit Campania is de belichaming van de spreekwoordelijke macht van het geld – maar al te herkenbaar in een land waar de rijkste al geruime tijd ook de machtigste is. Chiatti omringt zich moeiteloos met de volledige jetset van Rome en verre omstreken: profvoetballers, tv-persoonlijkheden, politici, intellectuelen en schrijvers, werkelijk alle Beroemde Italianen vallen voor zijn ’charme’. En zelfs de gemeente Rome, die hem de monumentale historische Villa Ada met bijbehorend park verkoopt en hem toestaat deze naar eigen ’smaak’ te verbouwen en in te richten.

Het programma van zijn megalomane housewarming is middag-, avond- en nachtvullend en voorziet in drie verschillende jachtpartijen in het historische park van de villa – een Engelse vossenjacht, een Afrikaanse leeuwenjacht en een Indiase tijgerjacht met olifanten –, bijpassende culinaire hoogstandjes van de Bulgaarse chefkok Zóltan Patrovic, een optreden van Larita, dé rockster van het moment, een Chinese vuurwerkshow en een danceparty met ster-dj.

Tijdens Chiatti’s feest ontmoet de onweerstaanbare Ciba zijn zoveelste en meest onwaarschijnlijke bruid, de bekeerde ex-satanische rockzangeres Larita. Zij is letterlijk het enige humane wezen in een orgie van morele verdorvenheid.

Larita is ook de verbinding tussen Fabrizio en Saverio: de schrijver is smoorverliefd op haar zuiverheid, de satanistenleider ziet in haar het perfecte mensenoffer waarmee hij en zijn clubje satanisten voor eens en altijd op de kaart zullen staan. Na het offer zullen zij collectief zelfmoord plegen.

De geschiedenis zal een verbluffend verrassende en apocalyptische wending nemen die alles te maken heeft met de Olympische Spelen van 1960, gehouden te Rome. In een historische uitweiding vertelt Ammaniti eerst de geschiedenis van Villa Ada van de Romeinse tijd tot nu, een relaas dat uiteindelijk onmerkbaar overgaat in pure fictie. Daarna verweeft hij een grotesk verzinsel in een verslag van de Spelen van 1960, toen een aantal Russische topatleten ondergronds zou zijn gegaan in de catacomben van de eeuwige stad, onder Villa Ada. Sindsdien leven deze gespierde holbewoners en hun gemuteerde nakomelingen in voortdurende angst dat ze worden teruggehaald naar de Sovjet-Unie. De gasten van Chiatti’s superfeest interpreteren ze als een invasie van de gevreesde communisten, met alle gevolgen van dien.

Het is moeilijk beslissen dit keer. Heeft Ammaniti, die inmiddels uiterst gerieflijk van zijn succesvolle schrijverschap leeft, eigenlijk nog wel een diepere boodschap voor zijn lezer in petto? Sinds ’Ik ben niet bang’ leek het alsof Ammaniti een serieuzer, existentiëler toon zocht dan in zijn wilde jonge jaren. In ’Zo God het wil’ wisselde hij af tussen een intrigerende vader-zoon relatie en absurde avonturen van flinterdunne personages. Uiteindelijk leek de balans lichtjes door te slaan naar de diepere verhaallijn. Maar nu, is het nu echt niks meer dan een feest om het feest?

Of wil Ammaniti de doorgedraaide, media-gehypete westerse maatschappij van Geld, Uiterlijke schoonheid en Media toch een pijnlijke (lach)spiegel voorhouden? Ook al duurt het vuurwerk van dit apocalyptische feest voor veel lezers waarschijnlijk net iets te lang, het grootste deel van dit boek is bijzonder grappig en onderhoudend.

Ook de aanwezigheid van de schrijver-hoofdpersoon leidt niet echt tot substantiële bespiegelingen. Of wil Ammaniti juist met de lege afbeelding van een lege werkelijkheid zijn tegengeluid laten horen? Terwijl Italiaanse auteurs tegenwoordig vaak terugkeren naar realisme en maatschappelijke betrokkenheid, geeft de tegendraadse Ammaniti zijn lezers niet meer (maar ook niet minder) dan een flitsend verhaal en een bijpassende schrijverfiguur. Is Fabrizio Ciba juist een statement over de uiteindelijke oppervlakkigheid van schrijvers en literatuur? De mediahype rond schrijver Ammaniti lijkt in ieder geval op deze manier zijn weerslag te vinden in de roman.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden