Review

Waar de liefste heengaat, daar dwalen de ogen, zoals de hand de pijn opzoekt

Gerrit Komrij: De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw in duizend en enige bladzijden. Bert Bakker, Amsterdam; 1264 blz. - ¿ 29,90 (tot 1 jan.) daarna ¿ 40, gebonden ¿ 55.

WILLEM WILMINK

De middeleeuwen zijn dichterbij dan de meeste mensen denken, bijvoorbeeld ook in de voorschriften voor aan tafel: niet oprispen, niet op de ellebogen leunen, maar ook (blz. 393):

En vernaemt van gheender spize Dan ter tafelen es in gheender wize.

Voor wie dit niet meteen begrijpt, onder elke tekst staat in navolging van de reeks 'The Penguin Boos of French Verse' een zeer mooie vertaling in proza en die luidt hier: “Maak op geen enkele wijze gewag van ander eten dan van hetgeen op tafel staat.” Zeg dus niet dat je daar en daar zo heerlijk van dit en van dat hebt gegeten: het spuien van dergelijke culinaire ervaringen is onbeleefd tegenover je gastheer en -vrouw.

Een les die velen vandaag de dag nog ter harte kunnen nemen. Wel iets totaal anders dan wat men Bourgondische maaltijden noemt, dat smakeloze gesmijt met voedsel dat al net zo weinig middeleeuws is als Bruegel 'Bruegeliaans': geen ernstiger schilder dan hij, die in 'Dulle Griet' de schizofrenie zo aangrijpend uitbeeldde en die op een ander schilderij een man afbeeldt die gevallen is onder het kruis, maar van de zeer velen op dat schilderij is er maar een enkeling die er aandacht aan schenkt.

De grote selectie uit het Gruuthuse-handschrift is een van de hoogtepunten uit Komrij's bloemlezing. Behalve het beroemde 'Egidius, waer bestu bleven?' is daar ook die andere dodenklacht voor de collega-muzikant Egidius, met de verzuchting:

O Avonture, Du slachts der hebben ende der vloet! Du gheifs hem tzoet die staen na tzure, Entu best stuere Hem die van aerde minnen tzoet!

Een ander hoogtepunt zijn de volksliederen, maar daar is zoals in alle bloemlezingen uit onze oudste literatuur iets raars mee aan de hand. Sommige zijn namelijk afkomstig uit 'Het Antwerps Liedboek' en andere boeken uit de tijd zelf, maar er zijn er ook die veel later uit de mondelinge overlevering zijn opgetekend. Zinnen als 'Sy konden by malkander niet komen' uit het lied van de twee koningskinderen en 'Heer Halewijn zong een liedekijn' zijn niet veel ouder dan de Amsterdamse Vondelkerk. Wel kunnen die liederen een zeer oude oorsprong hebben: hoe een lied kan veranderen, blijkt uit het bittere verhaal over de wraak op een graaf, die een kind had laten doden als straf voor stropen:

Mijn edelen heer al van Bruynswijck, Hoe ben jy nou te moede? Gister avont doe wasser jou halsje snee wit, Nu ist so root als bloede.

“Hoe dat ick nou te moede ben Dat sal ic jou wel seggen, Ick hebber niet eenen vriendt soo groot Die my ter aerden wil leggen.”

Zo luidt het einde bij Komrij. Een latere versie, die ik elders vond, eindigt aldus:

Meneerke, Meneerke van Bruinkasteel, houd uw poortjes maar gesloten, morgen, aleer de dag aankomt, zult gij zijn door de kop geschoten.

Er kwamen drie raven al op het dak, ze meenden dat het raven waren, 't waren drie duivels al uit de hel, die Meneerkes ziel kwamen halen.

Met het beroemde kerstlied 'Nu zijt wellekome', door Komrij al op blz. 76, 77 van zijn boek afgedrukt en daarmee vroeg gedateerd, is iets vreemds aan de hand. Komrij nam het over uit 'Middeleeuwse kerstliederen' van J. M. Mak (1948), maar de oudste vermelding mij bekend is de tweede druk van S. Theodotus, 'Het paradijs der gheestelijcke en kerckelijcke lof-sangen', 1627. Behalve de tweede strofe, die men dan ook meestal niet zingt, is het een algemeen-christelijk lied, zij het van katholieke signatuur. Maar die tweede strofe begint:

Christe kijrieleyson laet ons singhen blij, Daer meed oock onse leijsen beghinnen vrij.

Waarom 'ook onze liederen'? Wie zijn die 'wij', die net zo goed als ieder ander recht hebben op een kerstlied? En waarom kijken ze juist nu met zo'n bitter verlangen uit naar wie op dit aardrijk in al die eeuwen nooit meer gezien is? Zijn hier misschien de verdrukte katholieken aan het woord, in de nog maar net aan Spanje ontrukte gebieden? Zo ja, dan moet het lied helemaal achterin Komrij's bundel staan, tussen al die rederijkersgedichten vol verbittering en angst over de woelige tijden, waarin de zoon zich tegen de vader keert en de man zijn vrouw verkettert.

Komrij besteedt veel aandacht aan de Rederijkers, om te beginnen aan Anthonis de Roovere, de Brugse bouwvakker. We treffen diens 'Vander Mollenfeeste' aan, die beroemde en griezelige dodendans, als ook het merkwaardige gedicht over alle harde werkers, de ambachtslui die het zullen moeten doen met 'Pap ende broodt in doude daghen', want de lekkere hapjes zijn voor de hooggeplaatste nietsnutten. In korte, bittere rondelen vertelt deze middeleeuwse Hans Dorrestijn ons dat wie door de wereld wil geraken, moet kunnen huilen met de honden en dat wie niet kan pluimstrijken voor deze wereld niet deugt.

Dan is er het voor De Roovere's doen zeldzaam zachte en lyrische, vanuit een vrouw gedachte refreingedicht 'Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer': waar de liefste heengaat, daar dwalen de ogen, zoals de hand de pijn opzoekt. Voorts de 'Sotte Amoureursheyt' van de twee achterbuurtfiguren Pantken en Pampoeseken, twee gelieven die geen andere kraan kennen dan die van de tap:

Hy en leeft niet die ten vollen weet Als ick segghe Pampoeseken ghaen wy drincken Hoe vriendelijck dat haer ooghskens quincken.

Van De Roovere's middeleeuwse tekstuitgever, Eduard de Dene, is heel wat opgenomen, maar helaas ontbreekt het felle sociale engagement van diens gedicht 'Daer en es gheen bermherticheyt upder eerden', dat mijn studentengeneratie heeft leren kennen uit Erich Kuttners communistische visie op het begin van onze opstand, 'Het hongerjaar 1566'. “Thin, yser, motael danst huut om broodt” zegt De Dene in dat gedicht: borden en bestek dansen uit om brood, al wat men aan kostbaars heeft, wordt als in de latere hongerwinter van 1944 voor een beetje voedsel achtergelaten in grijpgrage handen.

Hartstochtelijk, onredelijk, furieus, ordinair en dus buitengewoon leesbaar is Anna Bijns, een Antwerpse schooljuffrouw die ons vertelt dat de rover, verkrachter en moordenaar Merten van Rossom nog een fijn mens is vergeleken bij Merten Luther, omdat die tweede Merten dan wel niet de bezittingen en de lichamen, maar wel de zielen van de mensen verwoest.

Geef mij dan die rover maar, zegt ze, ook al is de keus natuurlijk nog geen platgetrapte peer waard. Verder waarschuwt ze alle meisjes tegen het huwelijk: 'Waarom zouden jullie je niet zelf kunnen redden, net zoals ik, ook al heb ik het niet breed? Neem je net als ik in acht voor zo'n steeds maar weer vreemdgaande zuiplap, blijf zo ver en zo lang mogelijk uit de buurt van zijn roede, meiden!' Wat nog meer? Dat prachtige dankgebed dat vroeger aan Cornelis Crul werd toegeschreven en dat begint met de woorden:

Ghij die appelkens peerkens en nootkens maect Sijt ghelooft van uwer goeder chyere Van vlees en visch dat zoo wel smaect Van broot van botere van wijne van biere

En tot slot een strofe uit een gedicht over een martelares uit de kringen van de Wederdopers:

De Buel trat aen om worgen Doen sloot sy haer oogen fijn Hebbende int hert verborghen Een trooster niet om sorgen Verlangende thuys te zijn

De middeleeuwen lopen ten einde. Een bitter einde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden