Review

Waar blijft de nieuwe Edgar Cairo?

De grote namen uit de de Surinaamse literatuur zijn verstomd, maar waar zijn de erfgenamen? Aan hun promotor, specialist en hoogleraar Michiel van Kempen, kan het niet liggen. Helaas is het werk dat hij onlangs bijeenbracht dikwijls bedroevend slecht geschreven.

’De Surinaamse literatuur is mislukt”, verzuchtte de uit Suriname afkomstige essayist Anil Ramdas een kleine twintig jaar geleden. Hij voegde eraan toe dat het geen zin had om de verantwoordelijkheid daarvoor neer te leggen bij Nederlandse uitgevers en recensenten, of de oorzaak te zoeken in het mondelinge karakter van de lokale vertelcultuur, die eerder op luisteraars dan op lezers is gericht. Ramdas constateerde eenvoudigweg een gebrek aan kwaliteit.

Op de geïnteresseerde buitenstaander maakt de Surinaamse literatuur vooral een versplinterde indruk. Je zou gerust van een diaspora mogen spreken. Albert Helman, auteur van het klassiek geworden boek ’De stille plantage’ (1931), kwam op jonge leeftijd naar Nederland en sloot zich aan bij de katholieke schrijvers van zijn leeftijd, om na het afscheid van de kerk ook als schrijver een eigen weg te gaan. Dichter Rudie van Lier (1914-1987) werd na de oversteek over de Atlantische Oceaan hartelijk verwelkomd in het milieu van Ter Braak en Du Perron. Later verhuisden Bea Vianen, Edgar Cairo en Astrid Roemer naar Nederland. Ze publiceerden er met wisselend succes, liepen na verloop van tijd vast of vielen helemaal stil. Vianen begon te lijden aan paranoia. Cairo meldde in 1988 via een advertentie dat hij Gods zoon was en grote wonderen deed. Roemer werd voor GroenLinks gemeenteraadslid in Den Haag maar zag haar politieke loopbaan al snel in de kiem gesmoord. Met die lotgevallen verschilde dit drietal nogal van minister Helman en professor Van Lier, want die maakten na 1945 glanzend carrière, zij het dan vooral buiten de literatuur.

De Surinaamse literatuur in Suriname wordt gedomineerd door dichters, maar die zien zich bij gebrek aan lokale uitgevers niet zelden gedwongen om hun werk in eigen beheer uit te geven en op straat uit te venten. Het gebrek aan literaire infrastructuur manifesteert zich ook in de afwezigheid van letterkundige tijdschriften en boekenpagina’s in de pers; gemakkelijk bereikbare recensies zijn vrijwel alleen te vinden in het dagblad De ware tijd. Vreemd is dat allemaal niet als je bedenkt dat het land nog geen half miljoen inwoners telt, evenveel als het literair niet erg levendige Den Haag.

Het goede nieuws is dat de Surinaamse literatuur minstens één optimistische pleitbezorger kent. Michiel van Kempen beijvert zich al decennia lang om Surinaamse schrijvers te promoten met behulp van bloemlezingen, literatuurgeschiedenissen en tijdschriftspecials.

Met die waaier van activiteiten, deels ondernomen binnen de muren van de academie en deels daarbuiten, heeft hij niet alleen de reputatie van absolute specialist opgebouwd, maar ook een hoogleraarsplaats aan de Universiteit van Amsterdam verworven.

Van Kempens nieuwste bloemlezing, uitgegeven bij de vijfendertigste viering van de Surinaamse onafhankelijkheid, draagt de ondertitel ’Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers’.

’Jongste’ wil zeggen dat het merendeel van de zestien hierin opgenomen auteurs na 2000 is gedebuteerd. Op de gemiddelde leeftijd kan de aanduiding niet slaan, want die ligt ruim boven de vijftig. Zelfs Clark Accord, die de bestseller ’De koningin van Paramaribo’ (vijfentwintig drukken!) op zijn conto heeft staan, zal weldra Abraham zien. En de niet minder succesvolle Cynthia McLeod, die om onduidelijke redenen in Van Kempens ensemble ontbreekt, is de zeventig al gepasseerd.

’Jong’ is hier niet hetzelfde als bruisend en vitaal. Niet alleen wekken de door Van Kempen verzamelde verhalen de indruk dat ze voor de gelegenheid en dus zonder al te veel inspiratie en enthousiasme zijn geschreven. Ze zijn in meerderheid saai en oubollig, zelfs als ze borduren op het stramien van de zogenaamd schalkse erotiek. Sommige bijdragen stijgen niet uit boven een min of meer gedramatiseerd reisverslag. Opvallend is het manco aan literaire verteltechniek. De meeste inzendingen doven uit als de spreekwoordelijke nachtkaars. Ze missen kop en vooral staart.

Het gebrek aan elan laat een vraag open die des te meer begint te klemmen na lezing van ’Paramaribo Brasa!’. In deze speciale aflevering van het tijdschrift Het Oog in ’t Zeil, gewijd aan de Surinaamse literatuur, vinden we niet alleen de tirade van Anil Ramdas waarmee ik dit artikel begon, maar ook een stuk waarin Els Moor, boekenredacteur van De ware tijd, nagaat in hoeverre de beruchte decembermoorden van 1982 hun sporen hebben nagelaten in de Surinaamse literatuur. Hoewel ze het zelf niet met zoveel woorden zegt, is het resultaat vrij armetierig. Afgezien van een paar besmuikte nabrandertjes in de poëzie, wordt er enkel op dit nationale trauma gereflecteerd door Hugo Pos (1913-2000) en Thea Doelwijt (1938). En door Edgar Cairo. Die reageerde anno 1982 binnen een paar dagen met een complete roman, ’De smaak van Sranan libre’, die pas zeven jaar na de dood van de auteur zou verschijnen.

Edgar Cairo. Als de Surinaamse literatuur iemand nodig heeft om het bed eens flink op te schudden, dan is het wel een reïncarnatie van deze schrijver, die zo dood niet zijn kan of zijn vulkanische schrijfdrift, die meer dan eens ertoe leidde dat romans van vele honderden pagina’s binnen een maand waren voltooid, rookt nog altijd na bij wijze van wenkende maar helaas nooit helemaal ingeloste belofte. Ik vrees eerlijk gezegd dat Anil Ramdas niet zomaar gelijk heeft, maar overschot van gelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden