Review

Vrije Universiteit was 'goed' tijdens de oorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelden de gereformeerden in ons land een belangrijke rol in het verzet tegen de Duitse bezetter. Ook de Vrije Universiteit vormde een bolwerk van anti-nazisme. Dat laatste blijkt uit een boek dat onlangs is uitgekomen.

Ton Crijnen

Het heeft bijna zestig jaar geduurd, maar nu is het er dan toch van gekomen: de oorlogsgeschiedenis van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam staat wetenschappelijk geboekstaafd. Daaruit blijkt dat de gereformeerde alma mater met trots kan terugzien op haar houding tijdens de periode 1940-1945. Al zaten er een paar rotte appels in de mand, in haar geheel stond de universitaire gemeenschap principieel afwijzend tegenover de fascistische bezetters.

De tol die hiervoor is betaald was zwaar: één curator en negen studenten stierven voor het vuurpeloton; 25 andere studenten kwamen om in concentratiekampen. Allemaal wegens hun activiteiten in het verzet. De president-directeur (oud-premier Colijn) en een hoogleraar (voormalig rector Rutgers) stierven eveneens in Duitse gevangenschap. Binnen een kleine gemeenschap als de Vrije Universiteit - in mei 1940 telde de VU 561 studenten en 35 docenten- kwam dit extra hard aan.

'Geen duimbreed' luidt de titel die Gjalt Zondergeld, docent nieuwste geschiedenis aan de VU, naar analogie van Abraham Kuyper zijn studie meegaf. Want al bleek niet iedere VU-hoogleraar en student even onbuigzaam tegenover de bezetter -een enkeling vocht zelfs aan het Oostfront, onder het motto ,,áls een gereformeerde 'fout' is, is ie ook meteen goed 'fout''' - Zondergeld- toch kenschetst de covertekst in zijn algemeenheid treffend de principiële opstelling van de VU-gemeenschap tegenover de nazi's.

Dat is des te opvallender omdat de universiteit zichzelf vanaf haar oprichting in 1880 steeds had gezien als een wetenschappelijke 'wijkplaats' waar politiek engagement uit den boze was. Toch verzetten zich prominente VU-hoogleraren als A. Anema, Dooyeweerd, Rutgers (rechten) en Vollenhove (filosofie) al in de jaren dertig tegen het fascisme en nationaal-socialisme. Met het antisemitisme in nazi-Duitsland had men aanvankelijk minder moeite. Professoren als H. Kuyper ('zoon van') en F. Grosheide (beide theologie) waren niet tegen een beperking van burgerrechten voor Joden, maar ze gingen 'om' toen Hitler na de Kristallnacht (9 november 1938) veel verder ging dan dat.

Slechts één hoogleraar, Van Schelven, gaf in die tijd blijk van nazistische sympathieën, zonder dat ze hem tijdens de oorlog tot regelrechte collaboratie brachten.

Het boek van Zondergeld is uitgekomen in de historische reeks van de VU die het pad effent voor een standaardwerk over 125 jaar Vrije Universiteit. De auteur beperkt zich niet puur tot de historie van de VU, maar beschrijft ook menige ontwikkeling binnen het gereformeerde volksdeel als geheel. Zo komt het defaitisme van Colijn in de eerste oorlogsweken aan bod en vindt men de rol van Trouw als verzetskrant beschreven. Ook wordt de voor buitenstaanders onbegrijpelijke kerkscheuring ('Vrijmaking') van augustus 1944 uit de doeken gedaan die het gereformeerde verzets-elan ondermijnde en ook de VU niet onberoerd liet. Typisch gereformeerd werd deze theologische strijd met dezelfde compromisloosheid gevoerd als die tegen de Duitsers.

Wat de kijk op de oorlogsjaren betreft neemt Zondergeld stelling tegen de opvatting van zijn jongere collega J. Blom. Die vindt dat men de typeringen 'goed' en 'fout', gehanteerd door J. Presser en L. de Jong, maar beter niet meer kan gebruiken. Het overgrote deel van de Nederlanders wist, aldus Blom, in de oorlog nauwelijks wat er gebeurde, hield zich op de vlakte en probeerde alleen maar zo goed mogelijk te overleven. Deze 'grijze' massa typeert volgens hem de houding van de toenmalige bevolking veel beter dan de kleine groep collaborateurs en verzetsstrijders. Bloms historische kijk heeft inmiddels veel school gemaakt.

Ten onrechte, meent Zondergeld. In zijn helder geschreven en goed gedocumenteerd boek probeert hij aan de hand van de oorlogsgeschiedenis van de VU te laten zien dat niemand zich aan de Duitsers en hun alles dominerende ideologie kon onttrekken. Voortdurend geconfronteerd met maatregelen van de bezetter, moest iedere Nederlander steeds kiezen tussen 'goed' en 'fout'. Een keuze waaraan volgens hem niet te ontkomen viel. Helemaal overtuigen doet hij echter niet.

In de eerste maanden van de bezetting keek de VU, net als zoveel andere instellingen en personen, de kat uit de boom. In navolging van ARP-voorman en VU-president Colijn pleitten hoogleraren als Kuyper en Hepp (theologie) voor aanpassing. De Duitsers waren immers de door God gestelde overheid geworden. Dus tekenden aan de VU, in tegenstelling tot Leiden en Delft, alle docenten de zogenaamde Ariërverklaring, het begin van de Jodenvervolging.

Onder leiding van de beginselvaste en moedige rector-magnificus V. Rutgers kwam men echter al snel bij zinnen. Zo liet het bestuur Joodse studenten toe die in Groningen of Utrecht niet langer mochten studeren. En toen het portret van koningin Wilhelmina uit de hal moest worden verwijderd liet Rutgers demonstratief de lege lijst hangen.

Met J. van Dam, de pro-Duitse secretaris-generaal van het ministerie van opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming, voerde de rector een koelbloedige guerrilla. Hij gaf geen gehoor aan diens verzoek te helpen bij de pogingen studenten te ronselen voor de arbeidsdienst. Zelfs Rutgers' veel voorzichtiger opvolger Nauta (theologie) hield aan deze lijn vast. Tijdens zijn rectoraat was de VU, met Nijmegen, de universiteit met het laagste percentage (vijf procent) ondertekenaars van de pro-Duitse loyaliteitsverklaring die in maart/april 1943 van alle studenten werd geëist.

Na de definitieve sluiting van de Leidse universiteit in het voorjaar van 1942 groeide het aantal studenten op de VU met een factor twee. Wat grote organisatorische problemen opleverde. Inmiddels namen de pesterijen van Duitse zijde toe. Zo kwamen medio 1942 alleen studenten aan rijks- en gemeente-universiteiten nog in aanmerking voor een studiebeurs, waardoor de VU diep in eigen zak moest tasten. Ook werden docenten regelmatig gegijzeld en voerde de Duitsers razzia's uit op studenten (februari 1943).

Dat leidde in 1943 tot het besluit van de VU-leiding de universiteit te sluiten. In de twee volgende jaren reisden docenten het land af om stiekem tentamens af te nemen. Rector Oranje trok in december 1944 half Duitsland door om gedwongen te werk gestelde studenten te bemoedigen en hen aan te sporen te vluchten of sabotage te plegen.

Het scheikundig en natuurkundig laboratorium van de VU aan de De Lairessestraat bleef doordraaien en ontwikkelde zich onder de professoren Coops en Sizoo tot een centrum van ondergronds verzet. Men vervalste er persoonsbewijzen en distributiebonnen. Dat was ook het geval in een ander VU-gebouw, de psychiatrische Valeriuskliniek, waar professor Van der Horst de leiding had. Op het Hospitium van de universiteit -voor de oorlog het VU-studentenhuis- zaten Joden en gezochte verzetsmensen ondergedoken. Net als in het pedagogisch centrum van VU-hoogleraar Waterink.

Ook los van de universiteit speelden VU-studenten een rol in het verzet, zoals het rondbrengen van Trouw. Hun verhalen worden door Zondergeld uitvoerig belicht. Ze maken het boek tot een bemoedigend document.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden